Ze staat midden op straat, fiets nog tussen haar benen, stickers van rode rozen op haar fietstassen. Ze is net klaar met het draaien van een campagnespotje in Amsterdam. Het liep een kwartiertje uit.
Het is half januari. In haar woning in het Oostelijk Havengebied in Amsterdam staat de kerstboom nog. Hond Moos kwispelt onhandig een bal uit de boom. Op het aanrecht staat nog beleg, een pot pindakaas en een pak hagelslag. Het Parool van een dag eerder ligt in het midden van de lange houten eettafel, naast een boeket rode en gele tulpen.
Het is een hectische tijd voor wethouder Marjolein Moorman (Onderwijs, PvdA). Haar boek Rood in Wassenaar, dat ze samen schreef met journalist en schrijver Marc van Dijk, verschijnt eind januari. De gemeenteraadsverkiezingen zijn in maart – ze is lijsttrekker. Haar politiek adviseur geeft haar een zak krentenbollen, Moorman heeft nog niet kunnen lunchen. Dit interview is even haar rustmoment, hierna moet ze op schoolbezoek in Zuidoost. Ze zet een pot thee, theelicht eronder. Haar politiek adviseur klapt haar laptop open en neemt een paar stoelen verderop plaats.
Een heel openhartig verhaal
Moorman promoveerde in de communicatiewetenschap aan de Universiteit van Amsterdam. In 2010 werd ze gemeenteraadslid, twee jaar later fractievoorzitter, in 2018 werd ze wethouder. Sinds haar optreden in documentaireserie Klassen, over achtstegroepers in Amsterdam-Noord vlak voor het middelbare-schooladvies, is ze een graag geziene gast aan talkshowtafels en in de kolommen van de geschreven media veelvuldig aan het woord. Haar stokpaardje: kansengelijkheid bevorderen. In haar boek verklaart ze hoe haar drijfveren zijn ontstaan.
‘Ze gaan er al bij voorbaat vanuit dat het een soort verkiezingsprogramma is verpakt in een boek. Dan denk ik: lees het nou eerst even.’
Een dag eerder had ze een interview met Dwars, zegt ze. ‘Een klein buurtkrantje.’ Ze lacht. ‘Ik moet er niet op neerkijken, want dat vind ik juist heel leuk. Niet om te zeuren, helemaal niet, maar van sommige media kreeg ik bijvoorbeeld de reactie “we willen level playing field hebben voor de gemeenteraadsverkiezingen, dus we doen nu geen interview”. Dat vind ik best gek. Want wie heeft er dan nog meer een boek geschreven? Ze gaan er al bij voorbaat vanuit dat het een soort verkiezingsprogramma is verpakt in een boek. Dan denk ik: lees het nou eerst even. Het is namelijk een heel openhartig verhaal van een politica. Maar je ziet bij de journalistiek angst, die is ontstaan doordat veel politici het op zo’n manier proberen.’
Het is natuurlijk geen toeval dat het nu verschijnt. Daar hoeven we niet omheen te draaien.
‘Ik ga ook niet doen alsof ik niet wil dat mensen op mij stemmen.’
Lodewijk Asscher, de voormalige PvdA-partijleider, schreef in 2010 ‘De ontsluierde stad’. Dat boek werd in februari gepubliceerd, in maart waren de gemeenteraadsverkiezingen. Uw boek verschijnt eind januari, in maart gemeenteraadsverkiezingen. Dat lijkt wel erg op elkaar.‘
Ik vind De ontsluierde stad wel een heel ander boek.’
Zeker. Maar, de timing?
‘Nee, nee, nee. Ik ga er echt geen doekjes om winden. Ik vind het hartstikke fijn als mensen mijn boek lezen en daardoor overtuigd raken van wat ik vind. Dat hoort bij mijn vak. Ik wil mijn idealen verwezenlijken. Daar heb ik stemmen voor nodig, anders krijg ik het niet voor elkaar. Ik hoef daar helemaal niet geheimzinnig over te doen. Maar ik heb dit boek ook geschreven om duidelijk te maken waar mijn idealen vandaan komen.’
Liefst onzichtbaar
Moorman groeide op in villadorp Wassenaar, in een gezin van vijf. Ze zat op het Rijnlands Lyceum, volgens haar boek een van de meest elitaire scholen van Nederland met oud-leerlingen als Theo van Gogh, Boudewijn Büch en Ramses Shaffy. Voor de school lag een bruggetje. ‘Ging je na school over het bruggetje linksaf, dan woonde je vrijwel zeker in een kast van een huis,’ schrijft Moorman. ‘Ging je rechtsaf, dan was het minder zeker. Hoe verder je naar rechts moest fietsen, hoe kleiner het huis. Ik moest rechtsaf en fietste dan helemaal tot het einde van het dorp.’
Hoe was het om op te groeien in die hoek van Wassenaar?
‘Het is een prachtig dorp. Aan het strand, bij de duinen, veel groen. Dus ik heb er een fijne jeugd gehad.’
Ook thuis?
‘Ik had leuke, lieve ouders. Als je het inkomen van mijn ouders vergelijkt met dat van de rest van Nederland hadden we het niet slecht. Voor Wassenaarse begrippen was het laag. Maar dat is natuurlijk niet de norm. Op de basisschool had ik dat niet zo in de gaten, denk ik. Dat kwam pas op de middelbare school. Pubers willen nooit afwijken van de norm, die willen het liefst onzichtbaar zijn. Toen werden de verschillen veel duidelijker.’
In het eerste jaar van uw studie overleed uw vader tijdens een tenniswedstrijd aan de gevolgen van een hersenbloeding. Hij werd 48 jaar. Vijf jaar later stierf uw moeder op 50-jarige leeftijd aan alvleesklierkanker. U was net begonnen met promoveren. Nu bent u 47.
‘Dus ik ben bijna net zo oud als mijn vader toen hij overleed.’
Bent u daarmee bezig?
‘Ja, heel eerlijk gezegd wel.’
Op welke manier?
‘Ik weet tot op de dag nauwkeurig wanneer ik even oud ben als toen hij stierf. Voor hem eindigde het leven. Dat kan mij ook overkomen.’
Dat het zomaar over is.
‘Het stomme is dat ieders leven een experiment is onder één conditie. Dus ik weet niet of ik daar minder mee bezig zou zijn als dat niet was gebeurd. Voor je het weet word je een soort hobby-Freud. Maar er zijn veel momenten in mijn leven geweest waarop ik dacht: shit. Vooral de geboorte van mijn kinderen. Mijn man hebben ze ook nooit gekend. Ik ben gepromoveerd zonder ouders, de politiek ingegaan zonder ouders, wethouder geworden. We hadden het er net over of het goed is dat het boek uitkomt voor de verkiezingen. Ik ben vooral blij dat het boek uitkomt voor mijn 48ste. Dat is misschien nog wel belangrijker. Dan heb ik het maar opgeschreven. Het staat hier straks in de boekenkast voor mijn kinderen.’
Heeft iemand anders de ouderrol op zich genomen?
‘Ouders zijn onvervangbaar. Ik was 25, mijn broers 23 en net 22. Je voelt je op die leeftijd misschien ook nog wel een beetje onoverwinnelijk. Ik ging ook wel extreme dingen opzoeken, was mezelf ontzettend aan het uitdagen, om maar het gevoel te krijgen dat je mij niet klein kreeg.’
Scheidslijnen door de samenleving
Moorman en haar broers erfden tienduizenden guldens schuld. De Tweede Kamer had net besloten om de leeftijdsgrens voor de wezenuitkering te verlagen, van 27 naar 21 jaar. Ze konden er geen aanspraak meer op maken. Er volgden financieel zware tijden. Maar zo plots als de schuld kwam, zo snel verdampte die na een aantal jaren ook weer. Haar moeder bleek aandelen te hebben, als geld in een oude sok. Aan het eind van Moormans promotietijd was ze schuldenvrij. Daarna stortte ze mentaal in. Ze ging in een kroeg werken, had eindelijk ruimte om te rouwen. Ze was boos, over het verlies van haar ouders, over de afhandeling van de schuld, over hoe weinig hulp ze daarbij hadden gekregen.
‘Ik had de mentale capaciteit om de afhandeling van die schuld te regelen. Maar hoe is dat voor een ander die deze pech heeft? Misschien ben je wel zo overmand door verdriet dat je dat helemaal niet kan. Of denk je: het zal allemaal wel. Ik was in staat om dat te doen. Dat gevoel van oneerlijkheid, dat rechtvaardigheidsgevoel, is er toen ingeslopen.’
Zeg je kansengelijkheid, dan zeg je Marjolein Moorman.
‘Het probleem is dat we daarvan wegkijken. Niet heel bewust, hoor. Het is niet dat mensen het onderwerp bewust mijden. Het wordt simpelweg steeds makkelijker om ervan weg te kijken omdat de samenleving steeds verder uit elkaar drijft. Als je je er eenmaal in verdiept, dan staan je ogen er ook voor open, dan zie je steeds meer hoe die scheidslijnen door samenleving lopen.’
Kansengelijkheid is wel een makkelijk thema, zeker hier in Amsterdam. Probeer maar eens iemand te vinden die zegt tegen kansengelijkheid te zijn.
‘Toch hebben we het er heel lang niet over gehad.’
‘Cultuur volgt structuur, hè? Dus als je de structuur verandert, kan je daarmee ook de cultuur veranderen.’
Nu we het er wel over hebben, zeggen ook rechtsere partijen dat ze voor kansengelijkheid zijn.
‘Ja, nu ineens. Ik werd vaak somberman of doemdenker genoemd. Jan Paternotte, nu fractievoorzitter van D66, zei nog in 2014 vlak voor de verkiezingen dat we het niet over de tweedeling moesten hebben, omdat die er niet zou zijn. Er is natuurlijk ook geen letterlijke tweedeling, maar de ongelijkheid is ontzettend aan het toenemen. Wat hebben we eraan om te doen alsof het niet zo is? Daarmee sluit je dus je ogen.
Ondertussen zijn er allerlei gekke dingen in geslopen. Bijvoorbeeld in het onderwijs. Waarom verdient een vwo-leraar meer dan een vmbo-leerkracht? Waarom is het vmbo vier en het vwo zes jaar? We hebben allerlei dingen in het systeem laten ontstaan. Het is niet zo dat alles en iedereen hetzelfde moet zijn, maar wat moet tellen? Dat begint al bij het stellen van dat soort vragen, erover nadenken.
Het is eigenlijk gek dat er zo weinig mensen kiezen voor het vak van leraar, want er is best veel onderzoek gedaan waaruit blijkt dat de meeste mensen van nut willen zijn, een toegevoegde waarde voor de samenleving. Toch hebben we een ontzettend lerarentekort. Dat komt doordat we niet genoeg waarderen wat van waarde is. Hetzelfde zien we in de zorg. Er is zoveel bewondering voor mensen die veel geld verdienen. Ik denk dat je daar verandering in kan brengen door de publieke sector steviger te maken zodat het niet alleen voldoening geeft, maar ook een goed salaris. Cultuur volgt structuur, hè? Dus als je de structuur verandert, kan je daarmee ook de cultuur veranderen.’
Dat is nou net het moeilijkste wat er is.
‘Dat weet ik niet. Waarom is er in het regeerakkoord niet besloten dat er gewoon gratis voorschool komt voor iedereen? Ik dacht dat het de bedoeling was dat we kinderen meer ruimte, meer kansen zouden geven.’
Dat zijn keuzes. Er zijn allerlei problemen, zoals een enorm klimaatprobleem, waar we ons ook druk om maken.
‘Maar het is al heel vaak aangetoond dat gratis voorschoolvoorziening uiteindelijk meer oplevert dan het kost. Ongelijkheid kost ons superveel geld, hè?’
Moreel punt
De afgelopen vier jaar heeft Moorman zich geprofileerd met een kansengelijkheidscampagne in het Amsterdamse onderwijs. Zo kwam er extra ondersteuning voor schooldirecteuren, werden reiskosten vergoed, konden leerkrachten verder studeren, werden er tientallen woningen vrijgemaakt voor onderwijzend personeel en regelde ze bij toenmalig onderwijsminister Slob een bonus voor leraren in de grote steden. Toch lijkt het lerarentekort vooralsnog onoplosbaar.
Is meer geld de oplossing?
‘Dat is een deel van de oplossing. Net doen alsof geld onbelangrijk is omdat leraren passie hebben voor hun vak, vind ik echt minachting. Met passie betaal je je huur niet.’
Denkt u dat mensen kiezen voor het onderwijs vanwege de beloning?
‘Nee, zeker niet. Maar ze verlaten het vak misschien wel omdat ze 40 procent minder verdienen dan hun leeftijdsgenoten. Ze voelen zich daar dan, denk ik, ook minder door gewaardeerd. Salaris, beloning, dat heet niet voor niets zo. Ik vind het een soort valse tegenstelling om te zeggen: het gaat niet alleen om het geld. Als je op een gegeven moment met een lerarensalaris niet meer in de stad kan wonen, moeten we ons afvragen of we nog wel het juiste waarderen. Als je alleen nog in de stad kan wonen als je in de commerciële sector zit, zijn we dan goed bezig? Ik denk het niet.’
Heeft dat te maken met waardering?
‘Ja. Neem Finland, daar mag je alleen leraar worden als je tot de top van je klas behoort omdat je de volgende generatie opleidt. Je krijgt een gratis opleiding. Waarom geven we militairen een gratis opleiding en leraren niet? Ik zou denken: dat doe je, omdat je mensen voor je samenleving wilt laten strijden. Ik vind een leraar net zo goed een strijder voor de samenleving als een militair. Salaris is zeker niet het enige, maar wel een belangrijke basisvoorwaarde.’
De hedendaagse politiek strooit met geld. Het nieuwe kabinet trekt miljarden uit voor allerlei fondsen. Het idee lijkt dan: het probleem lost daarmee vanzelf op.
‘Dit is een herstelkabinet. Het vorige kabinet maakt een doorstart, met dezelfde ideologie, alleen zien ze nu dat hun handelen voor allerlei problemen heeft gezorgd. In plaats van dat te begrijpen, gooien ze er een bak geld tegenaan. Dat helpt natuurlijk niet. Geld besteden zonder goede analyse, dat heeft niet zoveel zin.’
U heeft er weinig vertrouwen in?
‘Aan de start van een nieuw kabinet moet je niet met wantrouwen beginnen. Ik hoop wel dat ze niet alleen maar geld uitgeven, maar met elkaar analyseren en begrijpen waarom het nodig is.’
In Amsterdam zit u als wethouder ook op een dikke subsidieportemonnee, u verdeelt zo’n 260 miljoen euro. Dat is meer dan elke andere gemeente.
‘We hebben ook meer scholen. En meer problemen.’
Absoluut. Maar dat maakt de schoolbesturen ook afhankelijker van u, bijvoorbeeld voor de financiering van vakleerkrachten. Hoe ziet u die afhankelijkheid?
Ze denkt even na. ‘Ik heb op een gegeven moment gezegd: van scholen die een te hoge ouderbijdrage vragen, stop ik de subsidie. Er waren zeven scholen die een heel hoge ouderbijdrage vroegen, soms wel 800 euro per kind. Al die scholen hebben ervoor gekozen om de ouderbijdrage te verlagen. Dat ging met een hoop protest en boze brieven, “wethouder bemoei je er niet mee” en “je gaat er niet over”. Maar ik zou niet zeggen dat schoolbesturen afhankelijk zijn.’
De scholen die voorheen te veel ouderbijdrage vroegen, hebben er nu voor gekozen om stichtingen en verenigingen op te zetten waar ze alsnog dat geld door de ouders in laten storten.
‘Dat kan ik niet tegenhouden.’
Die scholen ontvangen nu dus subsidie van u én hebben extra geld ter beschikking uit die steunstichtingen.
‘Ze kunnen aan het geld in dat potje geen enkele voorwaarde hangen. Ik hoorde regelmatig berichten van ouders die, als ze het niet konden betalen, bij de directeur langs moesten om uit te leggen waarom. Of dat mensen al bij voorbaat moesten aangeven dat ze bereid waren om de ouderbijdrage te betalen. Kinderen mochten niet mee op schoolreisje als er niet was betaald. Dus ik denk dat het wel drempels heeft weggenomen. Scholen mogen nu niet meer in de schoolgidsen zetten dat de ouderbijdrage honderden euro’s bedraagt. Al is en was de ouderbijdrage officieel vrijwillig, het werd vaak als verplichting gevoeld. Maar het klopt dat er steunstichtingen zijn, die vrijheid is er.’
Vergroot dat de ongelijkheid niet juist?
‘Nee, dat denk ik niet. Het is ook een moreel punt. Als een school 800 euro per kind vraagt, dan weet je dat je een drempel opwerpt bij de deur. Het gaat er niet alleen om dat die scholen daarmee veel meer geld hebben, dat is ook oneerlijk, maar het gaat er ook om dat je bepaalde kinderen weert omdat de ouders dat niet kunnen opbrengen. Zo selecteer je dus aan de poort. Dat stak mij enorm. We zijn de eerste gemeente geweest die daar paal en perk aan heeft gesteld nadat we ons daar juridisch over hebben laten adviseren. Dat kon ik natuurlijk alleen maar doen doordat ik die subsidie als stok had. Maar het is absoluut waar dat er ongelijkheid in middelen is.’
Dat valt niet op te lossen?
‘Als er wetgeving voor komt. Het principe dat onderwijs gratis moet zijn is nu wel gewaarborgd.’
Waar gaat u als wethouder onderwijs in Amsterdam eigenlijk over?
‘Officieel ga ik over heel weinig.’
Zoals?
‘Over de onderwijshuisvesting, dat is vooral een kwestie van zorgen dat scholen een passende onderwijshuisvesting krijgen. Dat is faciliterend. En we hebben natuurlijk de leerplicht, een gemeentelijke taak. Dan krijgen we nog middelen voor onderwijsachterstandenbeleid, maar dat geld mogen de schoolbesturen zelf besteden. Dus formeel is mijn rol zeer beperkt.’
De tanden moet u dus zelf creëren.
‘Ja. Daarbij helpen die subsidies wel. Verder is het een kwestie van verleiden en agenderen, urgentie te creëren. Als beleidsmakers, journalisten en politici ergens zelf geen last van hebben, komt het niet op de agenda. Het gaat ook om het creëren van politieke druk. In die zin ben ik wel activistisch.’
‘Ik vind Onderwijs een ontzettend leuke portefeuille, juist omdat ik zoveel mogelijkheden zie. Het is een dossier met heel veel hoop.’
Hoe ziet u de toekomst van het onderwijs?
‘Toch positief. Als de coronacrisis ons iets heeft geleerd, dan is het wel dat onderwijs écht heel cruciaal is. Voor meer dan alleen cognitieve ontwikkeling. De aandacht, de focus voor onderwijs is vergroot. Het is nog maar een jaar geleden dat Hugo de Jonge de scholen sloot om daarmee de ouders thuis te laten werken. Inmiddels zijn we een jaar verder en wordt er toch met enige regelmaat gezegd dat scholen nooit meer dicht mogen. Dan is er dus in een jaar iets wezenlijks veranderd in ons perspectief op het onderwijs.
Er werd over het onderwijs lang gezegd dat het een super conservatieve sector is. Maar als er de afgelopen jaren ergens veel flexibiliteit is getoond, dan is het wel in het onderwijs. Dat moest ook wel, soms tot in het krankzinnige. Er wordt knetterhard gewerkt.
Maar er is nog veel nodig, en dan bedoel ik dus niet alleen geld. Als je zorgt dat leraren en kinderen meer tijd en ruimte krijgen, verdwijnt ook de stress. Ik vind het een ontzettend leuke portefeuille, juist omdat ik zoveel mogelijkheden zie. Het is een dossier met heel veel hoop. Elke keer als ik een school binnenstap, krijg ik het gevoel dat er iets gebeurt, dat er ontwikkeling is. De passie van heel veel leraren, ik zou dat op een andere portefeuille verschrikkelijk missen.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.