‘You know, there is nothing wrong with my life. I should be happy. But there’s this sadness. And I don’t know where it comes from.’
Melancholie ten top, geuit door actrice Sarah Paulson als het personage Amanda in de film Blue Jay. Ze zegt het tegen Jim, gespeeld door Mark Duplass, haar ex-vriendje uit een ver verleden, die ze onverwacht tegen het lijf is gelopen in een supermarkt. Eerst proberen ze elkaar krampachtig niet te zien, zoals we allemaal wel eens hebben gedaan in een vergelijkbare situatie.
Wanneer Amanda Jim dan toch maar aanspreekt, levert dat een meer dan ongemakkelijk en juist daarom zo herkenbaar gesprek op. Struikelend over woorden, inclusief gespannen stiltes en nietszeggende opmerkingen over de inhoud van hun winkelmandje, in een wanhopige poging diezelfde stiltes te doorbreken. Ze nemen afscheid, komen elkaar op de parkeerplaats weer tegen, en besluiten dan toch maar koffie te gaan drinken samen.
Een echt geloofwaardig filmleven schetsen, inclusief dialogen zoals jij en ik ook gesprekken met elkaar voeren, is een ware zeldzaamheid in Hollywood. Mark en Jay Duplass hebben deze kunst geperfectioneerd.
Het allermooiste aan de bijzondere zwart-witte film die zich vervolgens ontvouwt, is dat het lijkt alsof je naar mensen zit te kijken wier levens je volledig kent. Door een paar simpele maar doeltreffende scènes, voel je dat er geschiedenis broeit tussen die twee. De veelbetekenende blikken, verwijzingen naar mensen die ze ooit samen kenden, de gespannenheid van na lange tijd iemand weer zien die vroeger heel belangrijk voor je was.
Misschien klinkt het eenvoudig, maar een echt geloofwaardig filmleven schetsen, inclusief dialogen zoals jij en ik ook gesprekken met elkaar voeren, is een ware zeldzaamheid in Hollywood. Mark en Jay Duplass hebben deze kunst geperfectioneerd.

Tegendraadse volwassenen
De twee Amerikaanse schrijvers, acteurs, regisseurs en producenten werden geboren in de suburbs van New Orleans, waarna Mark (1976) en Jay (1973) allebei studeerden aan de University of Texas.
Muziek en film waren carrièrepaden waar ze over twijfelden. Er werd in beide hoeken wat gerommeld in de marges, totdat hun korte film This is John (2003) verscheen. Een totaal geïmproviseerd, spontaan bedacht filmpje waarin je Mark vele pogingen ziet doen om zijn antwoordapparaat in te spreken (hoe jaren negentig wil je het hebben?).
Tot hun eigen verbazing werd This is John geselecteerd voor het prestigieuze Sundance Filmfestival, waar het zich ontpopte tot een enorme culthit en de filmmaatschappijen massaal op ze afkwamen. Maar het werd al snel duidelijk dat de broers te eigenwijs waren en te weinig concessies wilden doen. Dus ze produceerden gewoon lekker in eigen beheer hun eerste échte feature film.
The Puffy Chair (2005) – een roadtrip om een bijzondere stoel af te leveren bij een jarige vader – valt in het mumblecore-genre (onafhankelijke lowbudgetfilms die gekenmerkt worden door naturel acteren en veel dialoog) en heeft meteen al de kenmerkende snappy dialogen te pakken die je in hun hele verdere werk terug ziet komen.
Ze probeerden zich later nog wel in het Hollywood-stramien te wurmen, met Jeff, Who Lives at Home (2011) en Cyrus (2010), allebei met tegendraadse volwassenen als hoofdpersonages, de zogeheten loveable losers, die hun leven op de rit proberen te krijgen. Aan deze films kun je – hoe vermakelijk ze soms ook zijn – zien wat het probleem is: de broers werden beperkt in hun creativiteit.
In het boek Like Brothers (een aanrader voor iedereen die geïnteresseerd is in de filmindustrie) zeggen ze het zelf als volgt: ‘Het was voor ons meteen duidelijk dat de studiobazen geloofden dat ze het beter wisten dan wij. Op vrijwel alle gebieden: karakterontwikkeling, script, ritme, toon… Ze waren heel duidelijk en direct over de dingen die volgens hen moesten veranderen om te zorgen dat de film “werkte”. (…) We probeerden te voldoen aan die verwachtingen, maar het proces voelde ontzettend zwaar. Als een huwelijk dat langzaam maar zeker op de klippen loopt.’
Geen glossy Hollywood-sausje, geen slap aftreksel van het oorspronkelijke script, geen grote namen in de cast puur vanwege de dollars die ze op zouden moeten brengen.
Sinds al dat gedoe kiezen ze er bewust voor hun eigen projecten op te zetten en die te verkopen aan studio’s, zodat hun handtekening zo goed mogelijk bewaakt wordt. Mark acteert wat meer, terwijl Jay vaker de producentenrol op zich neemt, maar ze schrijven en regisseren (grotendeels) samen. Door geen concessies te doen aan hun eigenzinnige ideeën en manier van (samen)werken zijn ze weliswaar meer onder de radar gebleven, maar het levert wel een extra origineel en indrukwekkend oeuvre op.
Geen glossy Hollywood-sausje, geen slap aftreksel van het oorspronkelijke script, geen grote namen in de cast puur vanwege de dollars die ze op zouden moeten brengen. Eigenlijk kun je de Duplass broers prima oldschool auteurs noemen. Maar dan met een realistischer eindresultaat. En, vaak: grappiger. Of tragikomischer.

Zelfmoordmedicijn
Neem Paddleton, dat eerder dit jaar veel lof oogstte. Het script komt van Mark en gaat over twee goede vrienden annex buurmannen, Michael (Mark zelf) en Andy (Ray Romano, die de rol van zijn leven speelt). Hun band wordt kundig geschetst door inside jokes en vaste gewoonten, zoals pizza nights met steeds dezelfde flauwe martial arts-film en eindeloos een obscuur sportspelletje spelen.
Michael hoort dat hij ongeneeslijk ziek is, maar wil het liefst zo lang mogelijk hun vaste gewoontes volhouden. Uiteindelijk kan hij niet anders dan Andy om hulp vragen: ‘The dying part is… meh. The hospitals, the tubes, I don’t want a part of that. So I’m thinking… Before it gets bad, I want to… end it. I heard you can do it at home with some pills. You know. I don’t want to do that alone and i was hoping you would help me out.’
De gesprekken in de auto zijn duidelijk geïmproviseerd, inclusief de ‘eh’s’ van echte gesprekken.
Een intens moeilijke vraag, waarbij hij eerst steeds hapert en dan het punt waar het hem om te doen is er in één klap uit gooit. Maar Andy gaat akkoord, en ze vertrekken op een roadtrip om het zelfmoordmedicijn op te halen bij een welwillende apotheek. De gesprekken in de auto zijn duidelijk geïmproviseerd, inclusief de ‘eh’s’ van echte gesprekken (het is en blijft frustrerend dat filmpersonages in andere films altijd in perfecte volzinnen blijken te praten). Culminerend in een scène bij de apotheek, waar Andy heel krampachtig probeert het medicijn te betalen terwijl zijn bankrekening het niet toelaat.
Bij het uiteindelijke einde van Michaels leven laten ze het komische aspect van de film volledig vallen; dit is zo’n ontroerend moment dat zelfs de meest ongevoelige persoon op aarde er van in foetushouding op de bank wil kruipen. En dat zonder geforceerde emotionele vioolmuziek, zonder dramatische laatste woorden. Gewoon, zoals het in het echte leven ook gaat.
Een tikje vreemd
De meeste Duplass-films zou je het beste kunnen omschrijven als slice-of-life scenario’s. Daarbij val je simpel gezegd middenin iemands levensverhaal. Je kent hun hele voorgeschiedenis niet, krijgt vaak ook geen blik op de toekomst.
Eigenlijk maak je éven deel uit van een op het oog heel normaal mensenleven, met meestal een open einde dat je eigen brein de uitdaging geeft om te bedenken hoe het na de aftiteling verder loopt.
Wilde plotontwikkelingen, extreme karakterontwikkeling of een klassiek op tweederde van het verhaal geplaatst conflict zul je hier evenmin snel zien. Eigenlijk maak je éven deel uit van een op het oog heel normaal mensenleven, met meestal een open einde dat je eigen brein de uitdaging geeft om te bedenken hoe het na de aftiteling verder loopt.
Om een dergelijke film sterk neer te zetten, moet je als filmmaker zorgen dat het universum dat je schetst volledig geloofwaardig blijft. Iets dat het Duplass duo wel is toevertrouwd. Hun verhalen spelen zich grotendeels af in rustieke kleine steden of dorpen waarin je hardware stores vindt waar nooit iemand komt en winkeltjes vol stoffige souvenirs die niemand ooit koopt.
Duplass-personages zijn meestal een tikje vreemd, maar ze praten over gewone dagelijkse onderwerpen, verspreken zich als echte mensen en hun emoties zitten verstopt in een diepere laag, niet zo in your face als in veel andere films. Soms voelt het bijna voyeuristisch, alsof je stiekem naar het leven kijkt van een echt bestaand persoon.
Eng jongetje
En dan hebben we het in deze lofzang nog niet eens gehad over wat de mannen doen als ze niét samenwerken. Grappig genoeg zit het Duplass-DNA ook in hun side projects. Kijk maar eens naar The One I Love, met een Duplass-esque script over heel normale mensen in alternatieve werkelijkheden, waarin Mark verschijnt als acteur. Of probeer Transparant, de serie over een vader die zegt liever een vrouw te willen zijn, waarin Jay als zijn zoon laat zien dat Mark niet de enige sterke acteur in de familie is.
Maar de mannen zijn toch echt op hun allerbest wanneer ze samen zijn. De nieuwe serie Room 104 is daar een mooi voorbeeld van. Van een eng jongetje met een gespleten persoonlijkheid tot obscure seksspelletjes: in een hotelkamer speelt zich iedere aflevering een compleet ander verhaal af. De afleveringen spelen met je verwachtingen en spoken nog een paar dagen door je hoofd, juist omdat ze vaak een beetje vreemd zijn. De dialogen zijn heel erg Duplass, net als het gevoel dat er voortdurend van alles onder de oppervlakte aan het sluimeren is. Maar het genre, met een fikse scheut horror, is wel anders. De broers blijken, ondanks hun duidelijke eigen stijl, nog steeds te kunnen verrassen.
Netflix
Het ideale platform voor hun eigenzinnigheid is Netflix, dat een sterke reputatie heeft als het erom gaat eigenzinnige filmmakers hun gang te laten gaan. Denk aan de broers Matt en Ross Duffer van Stranger Things, of David Benioff en D.B. Weiss, die na hun werk aan Game of Thrones recent een Netflix-deal van maar liefst 200 miljoen wisten te scoren.
Ze zijn allemaal schatplichtig aan Mark en Jay Duplass, die al betrokken waren bij Netflix toen het nog een relatief klein bedrijf was dat dvd’s naar de abonnees stuurde (wat een eeuw geleden lijkt, maar in werkelijkheid begonnen ze nog geen tien jaar geleden pas met streaming).
The Puffy Chair was in 2006 zelfs de eerste feature film die Netflix ooit aankocht. Vorig jaar bevestigden de broers hun band opnieuw door de wereldwijde rechten voor hun volgende vier films bij het platform in te zetten. Paddleton was de eerste. ‘Ik denk dat er een heel gepassioneerd niche publiek is voor ons soort films,’ aldus Mark, ‘mensen die de films en series in kwestie écht heel graag willen zien.’ Mensen zoals ik dus.
De geheimen van veertig jaar samenwerken met je broer zonder elkaar te vermoorden volgens Mark en Jay Duplass
- Laat je ego achterwege – ‘Allebei hebben we andere kwaliteiten en soms is de een even beter bezig dan de ander.’
- Focus op het eindproduct, niet op wie het beste scoort.’
- Maak regels voor als je er écht niet uitkomt – ‘Willen we een scène ieder op een andere manier schieten bijvoorbeeld, dan doen we het allebei en kijken we in de montage wat het beste werkt. Wordt het daar niet opgelost, dan roepen we de hulp in van bevriende filmmakers.’
- Passie is het belangrijkste – ‘Als we ergens anders over denken, wint degene die het meest gepassioneerd is over zijn voorkeur.’Geef elkaar de ruimte – ‘Soms werkt het beter om éven los van elkaar te schrijven of projecten doen in je eentje.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.