Twitter, Youtube, internet of sms waren er nog niet in 1962 toen de Duitse socioloog en politicoloog Jürgen Habermas zijn boek over de geschiedenis van de ‘polis’, het publieke domein, publiceerde. Maar het is desondanks nog niet verouderd.

Een boek uit 1962 over wat nu ‘media’ en ‘communicatie’ wordt genoemd, maar toen ‘het publieke domein’ heette, moet wel hopeloos verouderd zijn. In Jürgen Habermas’ Der Strukturwandel der Öffenlichkeit, dat nu door Jabik Veenbaas is vertaald als De structuurverandering van het publieke domein, wordt de televisie wel genoemd, maar veel meer ook niet. Laat staan dat de digitalisering, Twitter, sms, Youtube, videocamera’s op de openbare weg of afluisteren ter sprake komt – ook al schreef Habermas in 1990 een uitvoerig nieuw voorwoord.

Toen de verlichte minister Necker onder Lodewijk XVI in 1774 de euvele moed had de omvang de staatsschuld openbaar te maken vloog hij er snel uit.

Tot zijn kern teruggebracht gaat het boek over de geschiedenis van de vrije meninguiting. Die kern moet je wel zoeken in de vaak hermetische taal van de Duitse sociologie. Het blijft desondanks fascinerend om te lezen hoe lang er geen ‘publieke opinie’ bestond en men in de zestiende en zeventiende eeuw de opinies nog in gedichten en toneelstukken verstopte. Daarna gebeurde dat in de eerste krantjes en geleerdentijdschriften als Journal des savants (1665) en Acta Eruditorum (1682), gevolgd door de bloei van de opinie in de koffiehuizen in de jaren 1680-1730. Die werden weer opgevolgd door de vooral Franse salons waar de verlichte geesten van de achttiende eeuw, veelal onder leiding van scherpzinnige dames, de opinie beheersten. Maar toen de verlichte minister Necker onder Lodewijk XVI in 1774 de euvele moed had de omvang de staatsschuld openbaar te maken vloog hij er snel uit. Toen was het kwaad geschied: nu een minister zich op het publieke domein had begeven voelden anderen zich ook gerechtigd er hun domicilie te kiezen. Er verschenen Cahiers de Doléance, een soort klachtenboeken, waarin publieke kwesties werden aangekaart. De kring rond Diderots Encyclopédie werkte ook als breekijzer in dit toen nog absolutistische systeem. Die invloed zorgde ervoor dat in 1789 paragraaf 11 van de Verklaring van de rechten van de mens over ‘De vrije uitwisseling van gedachten en meningen’ ging als ‘een van de kostbaarste rechten van de mens.’ De bloedige ironie wilde dat dit artikel een paar jaar later door de terreur van Robespierre met voeten werd getreden. Er werd jacht gemaakt op ‘empoisonneurs’, op vergiftigers van de publieke opinie en de drukpersen werden in beslag genomen.

Denis Diderot. | Foto: Thierry Ehrmann / Flickr

Ook al lukte het Napoleon daarna nog geruime tijd een straffe censuur in te stellen, de lokroep van de vrije mening was in heel Europa gehoord en liet zich niet meer onderdrukken. Met de omwenteling in 1848 deed zich een nieuwe ‘structuurverandering’ voor. Het tot dan toe dominante burgerlijke publieke domein kreeg gezelschap van wat Habermas het ‘plebejische publieke domein’ noemt: er ontstond een ‘stereoscopisch perspectief’ waarin nu ook de arbeiders, handwerkslieden en kleine zelfstandigen te horen en te zien waren.

Habermas hecht aan dit proces, waarbij burgers tot op het laagste niveau deel hebben aan het publieke debat.

Het boek van Habermas gaat over het ontstaan van ‘een machtsvrij politiek domein’, een domein dat vrij is van machten die het kunnen beïnvloeden en manipuleren. Dat is het terrein waar de ‘civil society’ zich op bevindt, de civiele maatschappij van verenigingen, academies, onafhankelijke media, debatclubs, vakbonden, beroepsorganisaties en burgerinitiatieven. Daar speelt zich de ‘ethiek van het discours’ af: het proces waarin meningen kunnen worden gevormd. Habermas hecht aan dit proces, waarbij burgers tot op het laagste niveau deel hebben aan het ontstaan van ideeën over de inrichting van de samenleving.

De grote vraag is of de massamedia (radio, televisie, internet) niet voor een structuurverandering van het publieke domein hebben gezorgd die nog maar weinig ruimte laat aan deze civil society, en dus aan het publieke proces van meningsvorming. Of, om de vraag in de wat omslachtige woorden van Habermas te stellen: ‘in welke mate een door de massamedia beheerst publiek domein de dragers van de civiele maatschappij de kans geeft om op perspectiefrijke wijze te concurreren met de mediamacht van de politieke en economische indringers, dus om het spectrum van de waarden, thema’s en motieven te veranderen, op innovatieve wijze open te breken en kritisch te filteren?’ Of zijn de massamedia misschien een onderdeel van de civil society?

Jürgen Habermas, Structuurverandering van het publieke domein, vertaald door Jabik Veenbaas, Boom uitgevers, 380p., €49,90