Er is in de achttiende eeuw één ding dat ervoor heeft gezorgd dat die eeuw een beetje belachelijk kon worden gemaakt. Dat is de pruik. Het was geen onschuldige mode, maar een krachtig onderscheidingsmiddel voor mannen die er hun status en aanzien mee aantoonden. Ze spiegelden zich aan Lodewijk XIV en zijn hof. Op zijn portretten is de torenhoge zwarte pruik minstens zo belangrijk als zijn andere regalia. De pruik fungeerde als attribuut om de ijdelheid mee te strelen. En hij had een praktische toepassing in het verbergen van een kaal hoofd. Geen pruik dragen, maar het tonen van je natuurlijke haar, was een statement, verbonden met bepaalde deugden, zoals een authentiek mens willen zijn. Of iemand willen zijn die de (liefst naakte) waarheid spreekt. De intellectuelen, schrijvers en filosofen van de creatieve voorhoede hadden hun eigen onderscheidingsmiddel: zij lieten zich portretteren in kamerjas, eigen haar en/of huismuts, zoals te zien bij David Hume, Diderot en La Mettrie.

De onderzoekende en op kennis beluste jongere generatie distantieerde zich in het begin van de eeuw bewust van de gepruikte klasse. Ze zochten hun kennis bij de pruiklozen. De pruik was een Rolex, schrijft Marleen de Vries in haar biografie van achttiende-eeuws Nederland Verlicht en vilein. Ze vergelijkt het wel of geen pruik dragen met de stropdas van prins Claus waarvan die zich in het openbaar ontdeed om aan te geven dat hij zich niets meer wenste aan te trekken van de heersende etiquette van zijn klasse.

Vooral door de steeds groter wordende invloed van filosofen als Voltaire, Diderot, Hume, Rousseau en Kant raakte de achttiende eeuw als Pruikentijd op de achtergrond. Het werd de Eeuw van de Rede, de Eeuw van de Revolutie, de Eeuw van de Satire en de Eeuw van het Libertinisme. Al die kenmerkende eigenschappen ontstonden omdat de achttiende eeuw niet adequaat in één woord is samen te vatten. Volgens De Vries gaat het in de achttiende eeuw om een ‘mix van nieuwsgierigheid, felheid, flair, bravoure, zelfoverschatting, libertinisme, sensualiteit en duivelse humor’. Dit mag al een handvol zijn, in de loop van het boek komen daar nog andere eigenschappen bij, zoals empathie, gezond verstand, intelligentie, intuïtie, redelijkheid en eerlijkheid.

beestachtig

We moeten de achttiende-eeuwse Nederlander als ‘net iets levenslustiger’ voorstellen dan onszelf, en ‘een tikkeltje onbeschaamder en vileiner’. Al zou je dat niet zeggen bij het zien van de suffe namen die men aan de dichtgenootschappen gaf: Kunst wordt door arbeid verkregen en Kunstliefde spaart geen vlijt. Na zoveel mooie eigenschappen (waar ook nog tolerantie, vooruitstrevendheid, activisme en mondigheid bij horen) duurt het niet lang of De Vries moet er iets van afdingen. Dat alles in de achttiende eeuw bijvoorbeeld ‘om geld draaide’, waarmee ze een eerste vlekje op het blazoen van de eeuw achterlaat: hebzucht. En ook met de tolerantie was nog iets grondig mis. Als jood, katholiek, doopsgezinde, lutheraan of atheïst werd je door de protestanten niet meer dan gedoogd, Zij bestuurden het land. Hoogleraar of burgemeester konden alleen protestanten worden.

Van de ingenieuze stellage waarmee veroordeelden geradbraakt (uit elkaar getrokken) werden bestonden gravures die als warme ansichtkaarten over de toonbank gingen.

Antisemitisme, antipapisme, slavenhandel, seksisme en racisme waren nog ingeburgerd. Maar de joden hadden hun verdedigers, zoals Elisabeth Wolff en Aagje Deken, die in 1798 dichtten: ‘Houd moed, o onderdrukte schaar/De heuglijke tijd is daar.’ Wat justitie betreft was het ook nog niet best. Als het om executeren ging overtroffen de Hollanders de Engelsen in beestachtigheid, vond William Montague. Van de ingenieuze stellage waarmee veroordeelden geradbraakt (uit elkaar getrokken) werden bestonden gravures die als warme ansichtkaarten over de toonbank gingen.

zonder een vogelvlucht te maken

De Vries verzwijgt het antisemitisme niet omdat ze ‘Lady Verlichting’ niet mooier wil maken dan ze is. Het is wat vreemd voor een historica om de Eeuw van de Verlichting tot een personage te maken. Het is onderdeel van De Vries’ opzet, die ze ‘impressionistisch en biografisch’ noemt. Ze wil niet al te diep gaan. Ze vergelijkt haar opzet met het kijken naar de conservatieschilderijen van Pietro Longhi in Ca’ Rezzonico, het museum voor de achttiende eeuw in Venetië. In die geest heeft De Vries het van tijd tot tijd ook over ‘de lieve lezer’. Maar zo familiair of oppervlakkig is De Vries verder toch niet. Soms maakt ze een rare sprong, maar ze snijdt alles wel zo’n beetje aan, zonder er een vogelvlucht van te maken.

Van het bestaan rond het jaar 1700, tot de Vrede van Utrecht (1713), de nieuwe aandacht voor de werkelijkheid, de armoede en waarheid, de vele tijdschriften en kranten die ontstaan en het daaruit blijkende élan, de pruikenkwestie, de bloei van de genootschappen, de kunsten en de wetenschappen, de intellectuelen en het Nederlands als taal voor iedereen, de expansie van de vrouwen onder aanvoering van Wolff en Deken, de vooruitgang in de medische wereld, de vrijmoedigheid in de liefde van Laclos tot Casanova’s verblijf in Holland, het bezoek van geleerden en filosofen uit het buitenland (Diderot), ‘cultuur’ als een nieuw woord, ‘toekomst’ als het nieuwe perspectief waarin nog meer verbeteringen van de samenleving zullen worden gerealiseerd. De kinderen en de jeugd die voor het eerst jong mogen zijn. En natuurlijk de strijd tussen de orangisten en de patriotten, de slappe stadhouder Willem V en zijn feministische vrouw Wilhelmina van Pruisen die op weg naar Den Haag niet verder kwam dan Goejanverwellesluis. En, niet onbelangrijk, hoe buitenlanders als William Montague, schrijver van The Delights of Holland, over ons dachten.

het fundament

Wat De Vries haar ‘biografische opzet’ noemt betekent dat ze regelmatig inzoomt op gezichtsbepalende personages. Zoals Joan Derk van der Capellen tot den Pol, de anonieme auteur van Aan het volk van Nederland, waarin hij een inventaris opmaakte van alles wat fout was in Nederland. Het 76 pagina’s tellende pamflet werd in de nacht van 25 op 26 september 1781 door het hele land verspreid vanuit zorgvuldig geblindeerde koetsen. Het kostte Van der Capellen zijn zetel in de Staten van Holland, maar het ‘doorbraakpamflet’ bezorgde hem de gunst van het publiek. Hij werd een ‘scharnierpunt in de geschiedenis’. Hij schreef het pamflet vanuit het gezichtspunt van het volk, dat genoeg had van twee eeuwen speelbal te zijn geweest van ‘allerlei heerszuchtige lieden’, zoals Willem V, die ‘overspelige dronkenlap’. Door figuren als Van der Capellen begrijp je hoe Holland in de achttiende eeuw een democratie werd, dat de mensenrechten (naar Amerikaans en Frans voorbeeld) ontstonden, de scheiding van kerk en staat werd ingevoerd.

Dat Jonathan Israel niet van Verlichting, maar van Radicale Verlichting spreekt is heel goed te begrijpen na het lezen van Verlicht en vilein.

Deze Verlichting was niet mogelijk geweest als er geen inspiratie was gekomen uit Frankrijk, waarin met name de geest van Diderots Encyclopédie voor bevrijding zorgde. In Nederland werd het vuurtje flink opgestookt door de nieuwe tijdschriften waarin Jacob Campo Weyerman (Den ontleeder der gebreeken), Justus van Effen of Willem van Ranouw met meningen, veronderstellingen, gissingen, dwalingen, satire, commentaar en seculiere moraal voor permanente onrust zorgden, gericht aan de ‘ijdeltuiten die bij elk zuchtje wind de krullen van hun pruik herschikken’. Het ging hen om ‘waarheidsvinding’, ‘proefkundig onderzoek’ en ‘alles nauwkeurig tot in het binnenste bestuderen’. Ze zorgden ervoor dat er een eind kwam aan de overheersende invloed van de religie en de provinciale cultuur. Ze legden het fundament voor een seculiere natie. De ‘vol venijn’ zittende Weyerman schreef een driedelige geschiedenis (in feite een schandaalkroniek) van het pausdom.

bloeddrinken

Hoewel ze van alles waren uitgesloten en niets mochten dreef de Nederlandse natie op vrouwen volgens William Montague. Ze mochten niet paardrijden, niet studeren, niet aan genootschappen deelnemen, hun eigen geld niet beheren, moesten tot 1956 thuis zitten. Ondertussen was Neeltje Pater uit Broek in Waterland een van de rijkste vrouwen van het land. Vrouwen begonnen hun eigen genootschappen, zoals het Natuurkundig Genootschap der Dames in Middelburg. De literaire wereld emancipeerde snel. De beroemdste schrijfster van het land, Margareta Geertruid van der Werken, vond het belachelijk dat er onderscheid werd gemaakt tussen een mannelijke en een vrouwelijke stem.

Tussen de pruikloze figuren die in Verlicht en vilein opduiken is Jacob Haafner wel een van boeiendste. Hij werkte in India een tijd voor de VOC en later voor zichzelf. Hij hield van India en niet van de Europeanen en al helemaal niet van het verbijsterende gebrek aan empathie en inlevingsvermogen van de zendelingen. Speciaal de Engelsen deugden niet. Als die ‘zich meester konden maken van de lucht, dan zouden ze zeker begeren dat je van hen de vrijheid kocht om te ademen’.

Dat de historicus Jonathan Israel niet van Verlichting, maar van Radicale Verlichting spreekt is heel goed te begrijpen na het lezen van Verlicht en vilein. Ook al was er nog genoeg gepruikte elite, de ‘dictatuur van de bovenklasse’ was na de Franse en de Bataafse Revolutie van 1795 wel over. De invloed van Spinoza’s ideeën over vrijheid verspreidde zich over de achttiende eeuw. Daar zorgden Pierre Bayle en Voltaire wel voor. Bayle toonde aan dat men niet religieus hoefde te zijn om een deugdzaam mens te zijn. Balthasar Bekker liet in zijn De betoverde wereld zien dat de wereld wel betoverd was, maar niet door geloof in spoken, geesten, gevallen engelen of heksen. Marleen de Vries kan niet anders dan al het positieve dat over Holland in de achttiende eeuw is te vertellen af te wisselen met domperzinnen als: ‘Achter de rustieke molens en traag herkauwende koeien op het platteland ging een wereld van haat en nijd schuil. Zeeland en Holland konden elkaars bloed wel drinken.’

Zo houdt De Vries een prikkelend evenwicht in Verlicht en vilein.

Verlicht en vilein. Een biografie van achttiende-eeuws Nederland door Marleen de Vries is uitgegeven door Balans.