Het gebeurde toen Ferd Grapperhaus nog geen drie minuten aan het woord was, tijdens het Kamerdebat dat het einde van zijn ministerschap had kunnen betekenen. Nadat opnieuw foto’s waren opgedoken waaruit bleek dat de bewindsman zich op zijn eigen bruiloft niet aan de door hemzelf uitgedragen coronaregels had gehouden, moest hij zich verantwoorden in het parlement, dat vrijwel voltallig van mening was dat hij daarmee zijn geloofwaardigheid op het spel had gezet. Het felst was Geert Wilders, die Grapperhaus eerder in het debat toebeet of hij de minister van Justitie was of van Klassenjustitie.

‘Alle voorbereidingen op mijn huwelijk waren erop gericht om er een veilige en ook een mooie dag van te maken,’ sprak de minister. ‘En toch heb ik het verkeerd ingeschat. Mensen zijn te dicht bij elkaar gekomen. Ik heb ook mezélf verkeerd ingeschat.’ Opeens viel er een geladen stilte, en vocht Grapperhaus zichtbaar tegen zijn tranen.

‘Voorzitter,’ hervatte hij even later met een brok in de keel. ‘We hebben er thuis over gesproken. We zeiden tegen elkaar: hadden we het maar met z’n tweeën gedaan.’

Op hetzelfde moment zat zijn nieuwe echtgenote ongetwijfeld te smelten voor de televisie. Ook in de Kamerzaal was de bewogenheid voelbaar. En politieke duiders wisten: dit debat gaat hij overleven. Want dat was de grote vraag die tot dan toe boven het debat hing: is Grapperhaus, de gepantserde oud-topadvocaat, bereid door het stof te gaan? Is hij in staat tot een overtuigende spijtbetuiging?

in de bres

Op het moment van de snik van Grapperhaus moet ook Mark Rutte, die volgens Haagse bronnen kort voor het debat nog op op zijn collega-minister inpraatte om vooral de handdoek niet in de ring te gooien, gevoeld hebben dat het kantelpunt was gekomen.

Nadat het debat over de geloofwaardigheid van Grapperhaus nog enige tijd heen en weer had gegolfd, en de Kamer niet langer uit leek op het hoofd van de minister maar op versoepeling van de handhaving zodat overtreders van de coronaregels niet meer met een strafblad worden opgezadeld, was de beurt aan de premier, die vurig voor Grapperhaus in de bres sprong. .

In verschillende toonaarden verklaarde Rutte dat hij de boosheid van de mensen in het land heel goed begreep, maar dat hij er ook van overtuigd was dat Grapperhaus zijn beschadigde vertrouwen zou herstellen, ‘juist ook omdat hij de fout hier toegeeft’ en ‘door het stof gaat’.

Een motie van wantrouwen haalde geen meerderheid, waarna Grapperhaus aangedaan maar opgelucht huiswaarts kon keren.

Op de suggestie van GroenLinks-leider Jesse Klaver dat Grapperhaus daar middenin de coronacrisis niet de tijd voor gegeven zou zijn, antwoordde Rutte: ‘Als je die redenering doortrekt, is er geen ruimte meer voor enige mildheid. Dan is er geen ruimte meer voor enige vorm van genade voor mensen die op zichzelf uitstekend functioneren en die een fout maken en dat toegeven. De Nederlandse samenleving zoals ik die inschat en denk te kennen, laat daarvoor denk ik wél ruimte.’ En: ‘Er is mildheid in Nederland. Er is genade in Nederland.’

Daarmee was de angel definitief uit het debat, zoals enkele uren daarna werd bevestigd: een motie van wantrouwen en zelfs een motie van afkeuring haalde geen meerderheid, waarna Grapperhaus aangedaan maar opgelucht huiswaarts kon keren.

aversie tegen grote woorden

‘Mildheid’ en ‘genade’: het zijn woorden waar Mark Rutte de eerste vele jaren van zijn premierschap nooit op te betrappen is geweest. Al kort na zijn aantreden als partijleider kreeg hij van gestaalde partijgenoten als Henk Kamp, Edith Schippers en Ivo Opstelten te verstaan dat hij niet meer moest beginnen over hoogdravende zaken als nieuwe beginselverklaringen voor de VVD, verhalen over ‘groen rechts’ en vrijplaatsen voor de vrijheid van meningsuiting, maar zich moest richten op law and order, een streng migratiebeleid en lekker doorrijden op de snelweg, om het opkomend populisme van de LPF, Rita Verdonk en later Geert Wilders eronder te houden. 

De gedrevenheid waarmee Rutte de Kamer tot een milder oordeel over Grapperhaus wist te bewegen, is een teken van ervaring en gewonnen zelfvertrouwen.

Sindsdien heeft Rutte bij vele gelegenheden zijn best gedaan zijn persoonlijke aversie tegen grote woorden en vergezichten over het voetlicht te brengen, als hem weer eens een gebrek aan visie en staatsmanschap werd verweten.

Maar het afgelopen jaar lijkt daar langzaam verandering in te komen. Eerst ontsteeg Rutte zichzelf met een veelgeprezen speech bij de Nationale Holocaust Herdenking, vervolgens schetste hij hoe hij anders was gaan denken over Zwarte Piet – het beladen onderwerp waar hij tot dan toe met een grote boog omheen was gelopen – en tijdens de coronacrisis liet hij zich meer dan ooit tevoren gelden als premier boven het politieke gewoel. De gedrevenheid waarmee Rutte de Kamer tot een milder oordeel over Grapperhaus wist te bewegen, is opnieuw een teken van ervaring en gewonnen zelfvertrouwen.

Het zou me niets verbazen als Rutte van de week – zoals Jaap Jansen van de podcast Betrouwbare Bronnen al suggereerde – de zojuist verschenen memoires van zijn grote voorganger Ruud Lubbers heeft gelezen: de man die door Rutte al bijna naar de kroon wordt gestoken als langst zittende premier, en in het postuum uitgegeven boek beschrijft hoe hij zich ontwikkelde van vakminister en CDA-politicus tot ‘man van het land’.

Wie zo langzamerhand boven de partijen staat, hoeft niet meer bang te zijn voor grote woorden.