In de ochtend college geven, ’s middags onderzoek doen naar wat voor invloed algoritmes hebben op het internationale strafrecht en dan ’s avonds aanschuiven in de Nieuwsuur-studio om een ingewikkelde rechtszaak voor het grote publiek begrijpelijk te maken. Voor Marieke de Hoon (Dordrecht, 1981) is dat geen ongewone daginvulling. Grote kans dat ze dan onderweg of tussen de bedrijven door nog werkt aan een rapport over hoe je mensenrechtenschendingen in Belarus kan vervolgen.

De Assistant Professor internationaal strafrecht aan de Universiteit van Amsterdam zou zich ook geen ander werk wensen. Ze ziet veel ruimte voor verbetering in haar vakgebied, en probeert die veranderingen ook voor elkaar te boksen. Maar al met al is ze er vol van overtuigd dat het internationaal strafrecht met een pragmatische aanpak tot een rechtvaardiger wereld kan leiden. Daarom is ze ook al jaren betrokken bij de Public International Law and Policy Group (PILPG), een organisatie die gratis juridische bijstand geeft in zaken van oorlog en vrede.

Haar vrijwilligerswerk voor PILPG beslaat de halve globe. In de jaren tien adviseerde ze de toenmalige nieuwe regering van Irak over een nieuwe grondwet. Rebellen die in Darfoer vochten tegen het genocidale regime van Omar Bashir kwamen bij De Hoon en haar team aan met vragen over oorlogsrecht, ze wilden weten wat bij hun strijd wel en niet geoorloofd was. Tijdens vredesbesprekingen in Genève over de toen nog prille oorlog in Syrië stond PILPG de Syrische oppositie bij. Met glimmende ogen vertelt De Hoon hoe dat ging. Een van de medewerkers van PILPG was erbij, in de vergaderzaal. De rest was thuis, in het eigen land. Zodra er een vraag opkwam, bijvoorbeeld: ‘wat kunnen we afspreken over bommen die mensen zelf maken’, doken de thuiszitters de wetten en verdragen in, de hele nacht, zodat er de volgende ochtend een kant en klaar advies lag.

grote betekenis

Na het neerstorten van MH17 ging De Hoon ook in Nederland aan de slag voor PILPG. Ze adviseerde de staat over hoe het proces het best kon worden opgetuigd, bestudeerde al het toepasselijke recht, trok intensief op met de nabestaanden en stond altijd klaar om hun vragen te beantwoorden. Tijdens dat soort werk, ver buiten de collegezaal, doet ze inzichten op die ook haar wetenschappelijk werk verder helpen, zegt ze. En die haar mening over hoe het recht zich in de toekomst zou moeten ontwikkelen stevig beïnvloeden. Zo strookt de beleving van slachtoffers of nabestaanden soms helemaal niet met die van de rest van de aanwezigen in de rechtszaal. Dat bleek al tijdens het requisitoir in de MH17-zaak. ‘Voor mij als jurist is dat gewoon een tussentijdse presentatie van het Openbaar Ministerie, in aanloop naar de uitspraak van de rechter, waar het uiteindelijk allemaal om draait.’

De nabestaanden, tussen wie ze in het publiek zat, hadden een heel andere ervaring. Voor hen had ook dit kleine stapje in de procedure al grote betekenis. Zij zagen het Openbaar Ministerie als een onafhankelijke juridische autoriteit. Dat die zelfstandig al het bewijs had bekeken en gewogen en op basis daarvan besloot dat levenslang een goede straf was voor de daders, deed wat met hen, zag De Hoon. ‘Voor sommige nabestaanden voelde dat moment al als een vorm van gerechtigheid.’

‘Het uitsluitsel dat nabestaanden begrijpelijkerwijs zoeken, kunnen juridische procedures hun zelden geven, terwijl daar best ruimte voor kan zijn.’

De andere grote les die De Hoon tijdens het MH17-proces leerde, kwam na het vonnis. Die les vindt ze complexer, omdat die voor haar ook gaat over het fundament van het recht. De uiteindelijke uitspraak van de rechtbank was heel precies: naar alle waarschijnlijkheid was MH17 neergehaald in een gevecht om een strategische corridor tussen bezet gebied en Rusland. Toen De Hoon het vonnis hoorde, was ze onder de indruk. ‘Ik had nooit verwacht dat de rechtbank zo veel feiten kon vaststellen. Maar om mij heen zag ik bij de nabestaanden behalve tevredenheid en opluchting toch ook teleurstelling. “We zullen nooit weten wat er is gebeurd,” zeiden zij.’

Maar dat was toch juist onverwacht stevig vastgesteld?

‘Precies! Boeiend, hè? Maar het ging de nabestaanden om iets anders. Zíj wilden weten wat door het hoofd van de daders ging. “Hadden ze spijt, toen ze later vernamen dat het om een passagiersvliegtuig ging?”’

U maakte van dichtbij mee hoe nabestaanden zo’n zaak anders beleven. Wat voor consequenties verbindt u aan die vaststelling?

‘Ik vind dit echt superinteressant. Het uitsluitsel dat zij begrijpelijkerwijs zoeken, kunnen juridische procedures hun zelden geven, terwijl daar best ruimte voor kan zijn. Dat geldt voor het hele strafrecht, niet alleen voor het internationale. Alleen de dader weet het antwoord op zulke vragen, en hoewel die vaak wel in de zittingszaal aanwezig is, komen die antwoorden zelden boven tafel.’

spreekrecht

De Hoon ziet dat het voor slachtoffers vaak niet voelt alsof het proces van hen is, alsof ze niet meer zijn dan toeschouwers in een zaak van de staat tegen de dader. De afgelopen vijftien tot twintig jaar zijn er grote stappen gezet in het slachtofferrecht, maar dat blijft ingewikkeld, zegt ze. ‘Als juristen leerden we altijd dat als we ons door een emotioneel verhaal laten beïnvloeden, er niet langer sprake is van een eerlijk, neutraal proces. Inmiddels denk ik dat spreekrecht uiteindelijk juist de eerlijkheid van het proces vergroot. En dat is wat ik wil, ik ben altijd op zoek naar manieren om het gevoel van rechtvaardigheid te vergroten.’

De Hoon heeft geen kritiek op de MH17-rechtbank, benadrukt ze. Sterker nog, ze heeft nog niet eerder een rechtbank gezien die zo goed communiceerde met de nabestaanden. ‘Dat was echt indrukwekkend. Maar stel nou dat de rechters in het vonnis expliciet hadden gezegd: “We zullen nooit weten wat in de daders is omgegaan, maar dit weten we wél….” Was daarmee dan beter ingespeeld op de belevingswereld van de nabestaanden?’

Dit voorbeeld raakt voor u aan ‘de kern van het recht’. Hoe dan?

‘Als we teruggaan naar hoe het recht is ontstaan, stel ik me een kring voor waarin alle leden van een gemeenschap mogen vertellen wat ze hebben meegemaakt en wat ze daarvan vinden. Een groepje gezaghebbende individuen uit die groep zoekt dan naar een oplossing waarmee iedereen kan leven, waarmee de verhoudingen worden gerepareerd. Zulk recht draait om herstel en is gericht op de toekomst van die samenleving.’

Inmiddels hebben we het recht op staatsniveau georganiseerd, waarbij voor iedereen dezelfde regels gelden. ‘Dat is eerlijker, maar misschien zijn we daarin doorgeschoten, zijn we het besef kwijt van wat het recht allemaal nog meer is dan alleen een veroordeling met een dader in de gevangenis.’

‘We moeten echt creatiever nadenken over hoe het recht tot meer gerechtigheid kan leiden.’

Bij grootschalig geweld, waar haar vakgebied, het internationale strafrecht, zich bij uitstek over buigt, geldt dat misschien nog wel het meest. Na dergelijk geweld is het eigenlijk nooit mogelijk om voor alle slachtoffers gerechtigheid te bereiken, zegt ze. Ze somt op: ‘Een land in puin, zo veel doden, zo veel trauma, en mensen krijgen hun overleden geliefden sowieso nooit terug.’

Zelfs dat kleine beetje gerechtigheid dat je met een strafproces zou kunnen bewerkstelligen, is maar moeilijk voor elkaar te krijgen. Het is in zo’n situatie immers lastig om bewijs te verzamelen, zegt ze, dus mensen aansprakelijk stellen lukt maar moeizaam. En áls dat al gebeurt, krijg je de persoon in kwestie bijna nooit te pakken. Dus zelfs als ze, ondanks al die obstakels, straf krijgen, zitten ze die maar zelden uit.

Er kan dus veel niet. Maar, zegt De Hoon, je hebt wél te maken met een samenleving die door moet, en ze wil weten welke rol het recht daarbij kan spelen. Ze vraagt zich bijvoorbeeld af wat er gedaan kan worden met alle informatie die tijdens het proces verzameld is. Informatie die dus niet volstond om een dader te straffen, maar wel meer kan doen dan stof vangen in het archief.

Waar denkt u dan aan?

‘Bijvoorbeeld waarheidscommissies. Ik wil niet suggereren dat aanklagers die zelf moeten gaan opzetten, maar ze kunnen wel kijken hoe het bewijs dat ze verzameld hebben zo’n commissie van dienst zou kunnen zijn.’

Waarheidscommissies kennen we onder meer uit Zuid-Afrika. Nadat het apartheidsregime was gevallen, moesten die commissies de feiten boven tafel krijgen. Ze waren gericht op de gebeurtenissen, op collectieve geschiedbeleving, en niet op het strafrecht. Vandaar dat De Hoon voor de aanklagers geen rol in die commissies ziet. Maar dat ontslaat hen niet van verantwoordelijkheden. ‘We moeten echt creatiever nadenken over hoe het recht tot meer gerechtigheid kan leiden.’

Hulpstuk voor erkenning en waarheidsvinding

Voor De Hoon is het internationaal strafecht meer dan het achter tralies zetten van een dader. Ze vertelt over een rapport dat ze onlangs maakte over Belarus. Over dat land verschijnen al jaren stapels rapporten over mensenrechtenschendingen, ook van de Verenigde Naties. Die constateren dan dat er mogelijk sprake is van misdaden tegen de menselijkheid, maar ook dat het onderzoek daarnaar niet onder hun mandaat valt. Daarom kreeg De Hoon de vraag om al die rapporten door te wroeten en te kijken of het beeld dat daaruit oprees voldeed aan de criteria van misdaden tegen de menselijkheid: grootschalig of systematisch staatsbeleid tegen de burgerbevolking. Dat bleek het geval.

‘Dan kun je denken: lekker boeien, dictator Loekasjenka trekt zich daar niks van aan. Dat klopt, natuurlijk. Toch is zo’n onderzoek niet nutteloos. Een land als Litouwen heeft bijvoorbeeld veel Belarussische vluchtelingen. Dit geeft Litouwen handvatten om te vervolgen. Als iemand “alleen maar” schuldig is aan foltering of aan gedwongen deportaties, kan dat niet, omdat zijn misdaden niet zijn gepleegd op Litouws grondgebied. Maar wanneer die foltering of deportaties gebeuren in de context van misdaden tegen de menselijkheid, dan kan dat wel. Ook andere buitenlandse rechtbanken of het Internationaal Strafhof kunnen de mensen die daarvoor verantwoordelijk zijn, gaan vervolgen.’

‘Als je erfgoed vernietigt, kun je vervolgd worden door het Internationaal Strafhof.’

Daarnaast is zo’n rapport een hulpstuk voor erkenning en waarheidsvinding, zegt ze. Nog een rol van het recht die soms onderbelicht blijft. ‘Het kan een vorm zijn om desinformatie tegen te gaan. In een juridische procedure wordt op de meest nauwkeurige manier onderzocht wat er gebeurd is, en dat komt in de geschiedenisboeken. Dat maakt de kans dat mensen over honderd jaar nog steeds in een alternatief narratief geloven net een beetje kleiner.’

Rechtszaken hebben volgens De Hoon bovendien een normstellend effect. De samenleving of de internationale gemeenschap toont wat al dan niet acceptabel is. De ene rechtszaak biedt bouwstenen voor een volgende. De Hoon: ‘Er was een zaak bij het Internationaal Strafhof over vernietigd erfgoed in Mali. Een kleine zaak, die in de context van alle andere problemen niet zo belangrijk leek. Maar iedereen wist dat die zaak tegelijkertijd ging over de verwoesting van cultureel erfgoed in andere oorlogen, zoals boeddhabeelden in Bamyan in Afghanistan en de triomfboog in Palmyra in Syrië. Het was een duidelijk signaal: als je erfgoed vernietigt, kun je vervolgd worden door het Internationaal Strafhof.’

Signaal

Voor De Hoon is het internationaal strafrecht niet iets van hoogdravende idealen. Ze is pragmatisch: ‘Het internationaal strafrecht gaat echt niet kumbaya wereldvrede brengen. Het is ook niet zinloos. Ergens daartussen zit een constructieve ruimte waarin je de kans dat mensen met grote misdaden wegkomen kleiner kunt maken. Ik kijk naar wat wél kan.’

Die benadering doet steeds meer opgeld, stelt ze vast. En Nederland loopt daarin voorop. ‘We hebben hier het strafhof en verschillende tribunalen. International Peace and Justice is deel van ons Nederlandse merk. We zijn een klein land, zonder middelen om onszelf politiek en militair te beschermen. Juist aan kleine landen biedt de internationale rechtsorde bescherming. In onze Grondwet staat daarom zelfs dat we de internationale rechtsorde moeten bevorderen. Als je die internationale instellingen niet gebruikt, laat je zien dat je niet overtuigd bent van hun normstellende rol en verliezen ze geloofwaardigheid.’

Zo begon Nederland samen met Canada een zaak tegen folteringen door het Syrische regime. De Hoon weet dat deze zaak dictator Assad niet ten val gaat brengen, maar ze is er toch blij mee. ‘Dit is ook een signaal naar Syrische vluchtelingen. Namelijk: we kunnen bijna niets voor jullie landgenoten doen, maar dit wel, en dat gaan we voor jullie doen.’

Oorlog en geopolitiek

Een academische loopbaan in het internationaal recht was voor De Hoon geen meisjesdroom. ‘Hoe oud ben je als je de krant gaat lezen? Tien? Ik vond eigenlijk alleen de buitenlandpagina interessant. Oorlog vond ik toen al boeiend. Ik denk omdat oorlog complex is, en complexiteit trekt me aan.’

Ze begon met een studie internationale betrekkingen, en ook daarin boeide oorlog haar, al zag ze niet hoe ze daar als sociaal wetenschapper iets concreets mee kon. Ze zocht nog. In die tijd was ze ook voorzitter van de bewonerscommissie van haar studentenflat. Dat was een van de duwtjes in haar tegenwoordige richting. ‘We hadden een conflict met de verhuurorganisatie over een verbouwing die dramatisch verliep. Omdat onze klachten genegeerd werden, beet ik me er met bevriende juristen in vast. Dat vond ik zo ontzettend leuk dat ik dacht: ik ga rechten studeren.’

Ze genoot van álle vakken, vertelt ze. Voor haar bestond die studie niet uit haar hoofd volstampen met kennis – haar hoofd werkt naar eigen zeggen associatiever – maar uit een zoektocht. ‘Ik wilde antwoord op de vraag: waarom besloten we de maatschappij zo te ordenen en noties van gerechtigheid op deze manier in wetten te vertalen? Dat zag ik in alle vakken terug. Daarom was rechten voor mij de meest fascinerende studie ever.’

Het volgende duwtje richting haar huidige loopbaan kwam toen ze als eerstejaars werd gevraagd om als student-assistent een summer school te organiseren voor twee Amerikaanse law schools. ‘Ik had de vakken strafrecht en internationaal recht toen nog helemaal niet gehad, maar die zomer, de zomer van 2006, heeft mijn leven veranderd. Ik mocht zeven weken lang samenwerken met de grootste namen uit mijn vakgebied, en vierentwintig uur per dag met hen over internationaal strafrecht praten. Vanaf dat moment wist ik: dit past. Internationaal strafrecht is complex, het gaat over oorlog en geopolitiek, en het heeft betekenis.’

‘Als het internationaal recht Poetin niets kan schelen, waarom spreekt hij dan steeds over die speciale militaire operatie en wringt hij zich in allerlei bochten om te doen alsof het legaal is?’

Uw enthousiasme valt op. Als ik u app of u op de radio iets wil zeggen over de genocidezaak tussen Rusland en Oekraïne, krijg ik meteen een appje terug: ‘Geweldig leuke zaak, daar vertel ik graag over.’ Bij andere experts spat het er minder vanaf. Hoe komt dat, denkt u?

‘Ik vergelijk mezelf eigenlijk nooit zo met anderen. En het ís toch ook een superleuke zaak? Als iemand dat niet snapt, ga ik uitleggen waarom. Ik denk dat alle wetenschappers gepassioneerd zijn over hun vakgebied, misschien uiten ze dat alleen anders.’

Die genocidezaak, waaraan nu in Den Haag wordt gewerkt, is bijzonder. Hij grijpt terug op het genocideverdrag, waarin staat dat de internationale gemeenschap genocide moet voorkomen. Poetin rechtvaardigde de inval in Oekraïne met het verhaal dat hij de Oekraïners wilde beschermen tegen genocide op Oekraïners door de Oekraïense regering. Onzin natuurlijk, daar wil De Hoon duidelijk over zijn. Daarom is Oekraïne nu een zaak tegen Rusland begonnen. Het land noemt Poetins uitspraken ‘een schending van het beginsel dat je recht te goeder trouw moet interpreteren’. Wat Oekraïne van het Internationaal Strafhof wil weten, is of je het woord genocide zomaar mag gebruiken. En of je op eigen houtje mag beslissen dat ergens genocide wordt gepleegd, en daarom vervolgens een oorlog mag beginnen.

De Hoon: ‘Geweldig vind ik dat. Dat staten creatief zijn en bedenken: die instellingen voor internationaal recht, die bestaan, hoe kunnen we die inzetten om iets te bereiken? Niet om het recht te misbruiken, dat gebeurt natuurlijk ook, maar echt om rechters in een positie te brengen dat ze tegen onrecht kunnen vechten. Ik zie helemaal voor me hoe dat Oekraïense juridische team bij elkaar zat, dat iemand pitcht om het genocideverdrag hiervoor te gebruiken, dat iedereen dan eerst denkt: maar dat kan toch niet, en dan: waarom eigenlijk niet? Dat ze dan samen zeggen: let’s do it.’

Mensen zeggen vaak dat internationaal recht geen zin heeft bij de oorlog in Oekraïne, omdat Poetin zich er toch niets van aantrekt. U bestrijdt dat. Waarom?

‘Als het Poetin niets kan schelen, waarom spreekt hij dan steeds over die speciale militaire operatie en wringt hij zich in allerlei bochten om te doen alsof het legaal is? Waarom haalt hij het genocide-argument aan? Waarom praat hij over het zelfbeschikkingsrecht van de mensen op de Krim? Dat zijn allemaal juridische termen.’ De Hoon beantwoordt haar eigen vraag. ‘Hij doet dat, omdat hij zijn daden met het internationaal recht wil legitimeren. Hij gebruikt het recht om desinformatie te verspreiden. Daardoor gaan mensen denken: o, ze zijn allebei slecht, daar gaan wij niet tussen zitten. Zijn taal heeft invloed op de bereidheid tot wapensteun. Daarom is deze Oekraïense zaak enorm belangrijk.’

Veel meer bewijs

Ook De Hoons wetenschappelijke onderzoek is toekomstgericht. Ze kijkt naar de gevolgen van technologische ontwikkelingen bij internationale strafprocessen. Om precies te zijn, bestudeert ze het aanklagersperspectief bij ‘voortdurende gewapende conflicten’, met Oekraïne en Syrië als casestudies.

Wat heeft technologie met internationaal strafrecht te maken?

‘Door technologische ontwikkelingen is er veel meer bewijs – iedereen kan met z’n smartphone filmpjes maken en die in een online database uploaden. Open source onderzoekers koppelen die beelden dan aan elkaar en kijken ook naar satellietbeelden of bijvoorbeeld weergegevens om zo nog meer informatie uit die filmpjes te halen. Inmiddels houden allerlei nieuwe ngo’s zich daarmee bezig. Ook commerciële partijen spelen een rol, zij stellen bijvoorbeeld technologie beschikbaar. Zo ontstond een veld met superveel nieuwe actoren die informatie met elkaar uitwisselen, uit verschillende landen en dus met verschillende regels en jurisdicties. Hoe vind je daar je weg in, terwijl je strafrechtelijke principes hooghoudt, zoals het recht van de beschuldigde om zich te verdedigen?

De technologie zelf leidt ook tot nieuwe vragen. In een bewijsdatabank zit tegenwoordig soms zo veel informatie dat je onmogelijk alles kunt overzien. Alleen met algoritmes kun je er grip op krijgen. Je weet daardoor eigenlijk niet precies wat er gebeurt, of je bijvoorbeeld al het ontlastende bewijs uit zo’n database te pakken hebt. Hoe vind je in deze complexe situatie met al die ontwikkelingen en nieuwe actoren je weg? Dat onderzoek ik.’

Het perspectief van de praktijk

Sinds 1 oktober werkt De Hoon ook als plaatsvervangend advocaat-generaal. ‘Ik ga beroepszaken voor de rechter brengen. Dit is een pilot, om te zien hoe wetenschappers kunnen worden ingezet bij het Openbaar Ministerie. In eerste instantie zal ik natuurlijk geen internationale misdrijven doen; voor ik aan complexere zaken toe ben, moet ik eerst veel leren. Uiteindelijk hoop ik wel dat dat ervan komt. Dat ik ook het perspectief van de praktijk ervaar, is natuurlijk erg nuttig voor mijn onderzoek.’

‘Wat zij documenteren draagt bij aan waarheidsvinding, erkenning, geschiedschrijving. En hopelijk ook aan een concretere vorm van gerechtigheid: in rechtbanken, waar ook ter wereld.’

De Hoons kijk op het internationaal strafrecht komt glashelder naar voren bij een PILPG-project in Bangladesh, waar ze begin dit jaar was. Ze trainde er Rohingya die uit Myanmar zijn gevlucht. ‘Zodat ze zelf kunnen documenteren, zodat ze in hun eigen taal, in hun eigen kamp, statements kunnen gaan opnemen. Die audiobestanden stoppen ze in een database die ze nog aan het bouwen zijn en die ze later met aanklagers zullen gaan delen. De verklaringen moeten ze dus goed coderen: om wat voor soort misdrijf of schending gaat het? Alleen dan is die database straks goed doorzoekbaar. Ze halen geen volledige getuigenverklaringen op, maar door die verklaringen kan wel een patroon zichtbaar worden dat misschien zinvol is voor een rechtszaak in de toekomst. Wát ze er uiteindelijk mee gaan doen is aan hen. We hebben daarom lang en uitgebreid met hen besproken wat de mogelijkheden zijn. Ik vind het fijn dat niets over hun hoofden heen wordt besloten, dat we echt samenwerken. Dat is een ontwikkeling die ik gelukkig steeds meer zie in het internationaal recht.

Dit project biedt empowerment, ze hebben hiermee zelf de regie in handen. Ze ontvluchtten Myanmar na de vreselijkste gebeurtenissen en kwamen aan in Bangladesh, een arm land waar ze eigenlijk niet welkom zijn. Ze leven in onmenselijke omstandigheden in een vluchtelingenkamp waar niets is, geen stromend water, nauwelijks elektriciteit. Nu hebben ze werk dat nuttig is voor hun eigen gemeenschap, dat erkent wat er met hen is gebeurd. Ze hebben een kantoor waar ze mogen werken. Ik vind het ook onze taak te voorkomen dat zij enorme verwachtingen hebben over wat het recht voor hen kan doen. Dat is een moeilijk gesprek, want dat willen ze natuurlijk niet horen. Maar het werkt wel: hun verwachtingen zijn niet zó hoog dat ze zeker teleurgesteld zullen raken. En tegelijkertijd denk ik net als zij dat wat zij documenteren bijdraagt aan waarheidsvinding, erkenning, geschiedschrijving. En hopelijk ook aan een concretere vorm van gerechtigheid: in rechtbanken, waar ook ter wereld. Dat is misschien niet veel, maar wel meer dan niets.’

Onrecht op onrecht

Het internationaal recht kan ook aanknopingspunten bieden bij de situatie in Gaza, denkt De Hoon, maar daarvoor is politieke wil vereist waarvan op dit moment nog geen sprake is.

Israël is niet aangesloten bij het Internationaal Strafhof, Palestina wel. En Palestina heeft het hof uitgenodigd om zich te buigen over wat er speelt in Gaza. Oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en genocide kunnen voor het strafhof worden gebracht. Dat geldt ook voor misdaden die buiten Gaza worden gepleegd, zoals die van Hamas. De Hoon denkt dat het Strafhof zich daarop zal gaan richten, en op het belemmeren van humanitaire hulp en het afsnijden van de toevoer van drinkwater voor Palestijnse burgers in Gaza. Of het Strafhof daar inderdaad mensen voor kan vervolgen, is nog maar de vraag – daar zijn arrestaties voor nodig en dat is lastig. Het Strafhof heeft geen oneindige begroting, en ook de handen al vol aan de oorlog in Oekraïne. Bovendien kunnen landen die het niet met zo’n vervolging eens zijn het hof hard ondermijnen door bijvoorbeeld sancties of door rechters en aanklagers te vervolgen.

Ook het Internationaal Gerechtshof, dat dus niet over strafzaken gaat, buigt zich over deze materie. Op verzoek van de Verenigde Naties onderzoekt het wat de door de VN afgekeurde Israëlische bezetting van Palestijnse gebieden betekent voor de mensenrechten van Palestijnen en welke consequenties dat heeft voor andere landen. De Hoon: ‘Ik hoop dat dit advies een streep kan zetten onder de geweldsspiraal en het stapelen van onrecht op onrecht.’ Maar ze betwijfelt of dat daadwerkelijk zal gebeuren. ‘Dat kan alleen wanneer andere landen hun verantwoordelijkheid nemen en beide partijen dwingen om zich aan het internationaal recht te houden. Internationaal recht kan de taal en de richting geven, maar alleen politieke wil kan het afdwingen en realiseren.’