De Amerikaanse schrijfster Lydia Davis is bekend van haar korte en ultrakorte verhalen. Ze vertaalde de verwante A.L. Snijders in het Engels. Haar vijf in het Nederlands vertaalde verhalenbundels zijn nu aangevuld met haar essays over het handwerk van het schrijven en het vertalen.

De Amerikaanse schrijfster Lydia Davis publiceert haar essays in het Nederlands onder de titel De schoonheid van weerbarstig proza. Dat is begrijpelijk omdat zij de vertaalster is van schrijvers die niet tot de makkelijkste behoren, zoals Maurice Blanchot, Michel Leiris, Flaubert en Proust. Ze moet de schoonheid in hun weerbarstigheid hebben gezien. Maar voor haar eigen proza wil zij die weerbarstigheid niet: ‘Wat je schrijft moet ongehinderd binnenkomen, je wilt geen verwarring zaaien of aarzeling teweegbrengen bij de lezer.’

Weerbarstigheid wil nu juist zeggen dat de lezer wel enigszins weerstand ondervindt, en daardoor juist ziet hoe mooi het is.

de geschiedenis van één zin

Dit is een typerende tegenstrijdigheid bij Davis: ze wil dat haar verhalen vloeiend lezen en tegelijk weerbarstig zijn. Haar essays gaan ‘over schrijven, lezen en kijken’ en komen uit de werkplaats van een schrijver. Zoals het gereedschap van een timmerman hangen hier de metaforen, vergelijkingen, bijzinnen, paradoxen, beginzinnen, connotaties, plot en komma’s aan haken boven de werktafel. Davis laat zien hoe hier wordt geschreven, herschreven, genoteerd, doorgestreept, nagedacht, bewerkt, weggelegd en teruggebladerd.

Ook letterlijk: ze schrijft een essay over het lot en de geschiedenis van één zin. Als een meubelmaker wordt daaraan gezaagd, geschaafd, geschuurd, geklopt en gelakt. Je zou denken dat zij dan aan die zin met enig vooroverleg begint. Dan hoeft ze niet meteen te veranderen of te schrappen, maar zo werkt het bij Davis niet: ‘Ik volg vooral mijn impulsen bij het schrijven, zonder mij af te vragen of wat ik doe verstandig, efficiënt, moreel verantwoord, enzovoort is.’

Als een meubelmaker wordt aan een zin gezaagd, geschaafd, geschuurd, geklopt en gelakt.

Het gaat bij Davis om die enigszins tegenstrijdige combinatie van het volgen van impulsen en het corrigeren, herschrijven en polijsten. De impuls is de ruwe steen, daaruit worden de perfecte zinnen gehakt. Dat volgen van impulsen zorgt voor haar originaliteit. Ze censureert ze niet eerst. Daardoor ontstaat een Fritzi Harmsen van Beek-achtige en Szymborska-achtige ongewoonheid. Zoals in het twee pagina’s tellende titelverhaal van de bundel verhalen Varianten van ongemak, over ongemakkelijke gevoelens in een familie. De ouders en kinderen steken elkaar met hun ongemakkelijke gevoelens aan, alsof het een besmettelijke ziekte is.

Dat zorgt voor Beckett-achtig gemeier: ‘Nu heeft mijn moeder in haar ongemakkelijkheid mij gebeld om me voor de ongemakkelijke gevoelens van haar en mijn vader over mijn broer te vertellen en heeft daarmee ook bij mij ongemakkelijke gevoelens veroorzaakt, zij het zwakker en anders dan de gevoelens die nu door haar en mijn vader worden ervaren en die door mijn vader werden voorzien en valselijk werden opgeëist door mijn moeder.’

showing overtreft telling

Davis weet met haar zogenaamde impulsiviteit (‘ik volg mijn instinct’) bij niet voor de hand liggende emoties en gevoelens te komen, zoals in het verhaal van een halve pagina Goed en fout. Het gaat over gelijk hebben. Wanneer zeg je dat je gelijk hebt en wanneer niet (om te voorkomen dat men je niet gelooft). Wanneer je zegt dat je gelijk hebt geloven mensen je meestal niet: juist dan klinkt het ongeloofwaardig. Het gelijk zou zelf zijn gelijk moeten laten zien, niet jij – waarmee we in het vaarwater van Wittgenstein en de verteltechniek terecht komen: showing is overtuigender dan telling. Helaas laat het gelijk zich zelden zelf zien.

Het gelijk zou zelf zijn gelijk moeten laten zien, niet jij.

De verhalen van Davis hebben alle denkbare lengtes, van één zin, twee zinnen, een halve pagina, één pagina, twee pagina’s, en drie, vier of tien pagina’s. Inhoudelijk gaan ze ook alle kanten op: anekdotes, dialogen, echte verhalen met plotwendingen, meestal zit er een existentieel motief in of neigt naar iets filosofisch. Het beste is om de verhalen van Davis af te wisselen met het lezen van haar essays over het schrijven. Dan zie je hoe ze te werk gaat.

gelukkige herinneringen

Davis houdt van eenvoud en van ingewikkeld, van simpel en gecompliceerd. Ze begeeft zich in Lees ook ons interview met Lydia Davis:‘Gender is vloeibaar, zeker voor een auteur’22 december 2019de wereld van gevoelens en emoties, maar gaat ermee om alsof het concrete voorwerpen zijn. Zoals in Gelukkige herinneringen. Ze [het hoofdpersonage dat niet speciaal Lydia Davis is, CP] vraagt zich af of ze wel gelukkige herinneringen zal hebben wanneer ze oud is, pijn zal hebben, haar ogen het niet meer goed doen en ze te zwak zal zijn om te lezen. Ze maakt zich zorgen of ze wel voldoende prettige momenten zal kunnen terughalen. ‘Ik weet niet eens zeker wat een herinnering gelukkig maakt.’

En wat ze nu prettig vindt, zal ze zich dat herinneren als aangenaam? Zo maalt ze in haar gedachten maar voort. Ze wil van herinneringen tastbare dingen maken. Dat malen is een bewustzijnsstroom die ook op papier een stroom is: het verhaal heeft geen enkele alinea, het is één blok compacte tekst.

De figuren voor wie Davis in de verhalen en verhaaltjes de tolk is, leven en denken vanuit hun impulsen, net als zijzelf. Dat zorgt voor de originaliteit en de vreemdheid van haar verhalen. Davis maakt alle gevoelens tot zo concreet mogelijke dingen. Er heeft een zekere ‘verdinglijking’ plaats, om het maar eens op zijn fenomenologisch te zeggen. In het verhaaltje Hoe je het doet van een halve pagina gaat het over ‘het’ zoals het beschreven wordt in een natuurwetenschappelijk boek. Dat is de vorm waarin Davis er graag over leest, zo concreet en zo fysiek mogelijk, ‘helemaal vanaf het begin’ met ‘de genegenheid tussen een man en een vrouw’ tot en met het ‘gezellig en genoeglijk’ bewegen van de geslachtsdelen tot man en vrouw een orgasme bereiken, ‘niet per se op hetzelfde moment.’

En wat ze nu prettig vindt, zal ze zich dat herinneren als aangenaam? Zo maalt ze in haar gedachten maar voort.

En eindigend met de waarschuwende correctie of het al dan niet goed is dat mensen tegenwoordig ook wel de liefde bedrijven zonder genegenheid voor elkaar te voelen.

Observeer, luister, proef, kijk en ruik

Naast de verhalen, verzameld in Bezoek aan haar man, Het eind van het verhaal, De taal van de dingen in huis en Varianten van ongemak, komen de essays van Davis echt uit de werkplaats van de schrijver. Hier geldt niet dat de lezer ‘ongehinderd’ door de tekst moet glijden. Daarvoor zijn de schrijvers of kunstenaars over wie ze het heeft te weinig vertrouwd, zoals Edward Dahlberg, Osama Alomar, Alan Cote, Lucia Berlin, Rae Armantrout – wat niet wil zeggen dat ze niet interessant zijn. Over bekendere schrijvers als Thomas Pynchon, Roland Barthes, Jane Bowles, Michel Butor, Maurice Blanchot schrijft ze op een huiselijke manier.

Ze heeft als vertaalster met ze geleefd.

Dat is ook af te lezen aan het essay over Flauberts Madame Bovary, dat ze ook in het Engels heeft vertaald. Davis begrijpt Flaubert. Ze heeft gezien dat Flaubert met Madame Bovary een groteske heeft geschreven waarin ernst, kitsch en ironie in elkaar overlopen: dat Emma tragisch is, maar ook een zekere allure heeft: ‘Het ironische en het aandoenlijke zijn prachtig met elkaar vervlochten,’ zoals Nabokov zei. Davis houdt ook van dat andere meesterwerk van Flaubert: Bouvard et Pécuchet, het boek over de twee amateurgeleerden die op een Laurel-en-Hardy-achtige of Beckettiaanse manier meer kennis willen verwerven, op alle denkbare gebieden.

In de Dertig aanbevelingen voor goede schrijfgewoonten valt het op hoezeer Davis de nadruk legt op het gebruik van de zintuigen door een schrijver. Observeer, luister, proef, kijk en ruik. ‘Blijf in contact met de fysieke wereld,’ wat er toe lijdt dat Davis de wereld in zijn concrete vorm beschrijft, alsof alles uit afzonderlijke dingen bestaat. ‘Je moet goed op de hoogte zijn van onderwerpen als het weer, biologie, botanie, de menselijke natuur, geschiedenis, technologie; onderwerpen als kleurenspectra en het gedrag van lichtgolven enzovoort.’ Niet minder. Een schrijver moet dus een Bouvard of een Pécuchet zijn, ook al maakt hij niet direct gebruik van alle kennis die hij heeft ingeslagen. De wereld wordt er lichtelijk exotisch van.

Davis lezen betekent de wereld lezen alsof je hem voor het eerst onder ogen hebt.

De schoonheid van weerbarstig proza. Over schrijven, lezen en kijken door Lydia Davis is vertaald door Nico Groen en Nicolette Hoekmeijer en uitgegeven door Atlas Contact.