We weten nooit precies waarover we het hebben wanneer we het over de ziel hebben, maar het is wel zeker dat er zoiets is. Iets dat zich ergens diep in ons bevindt. Soms is het geen probleem: wanneer iemand op andermans ziel gaat staan is meteen duidelijk wat die voet aan het doen is.
Die gaat op iemands gekoesterde overtuigingen staan. Een toneelvoorstelling kan ‘ziel’ hebben wanneer er sprake is van een zinderende samenhang die er voor zorgt dat alle onderdelen optimaal tot hun recht komen. Ziel is een extract, een essence, het beste wat iemands geest aan élan, inspiratie en initiatief in zich heeft. Het is een combinatie van vitale eigenschappen en vermogens. En van de ambitie om iets verder te gaan dan men verwacht. Vandaar ‘bezield’. En toch, erg makkelijk gebruik je ‘ziel’ niet.
Roel Bentz van den Berg heeft het pas tegen het einde van zijn boek De straatwaarde van de ziel over de ziel als iets dat zich van de straat en de stad meester moet maken. Daarvóór heeft hij het in deze korte en langere essays meer dan tweehonderdvijftig pagina’s gehad over de ziel als iets dat vooral bij mensen voorkomt, ‘als symbool van een alle menselijke emoties samenpakkende, vitale dynamiek’.
De ziel van een stad is natuurlijk ook mensenwerk, maar in een meer afgeleide vorm. Een stad moet een ziel hebben om bezongen te kunnen worden, zoals gebeurd is voor Londen door William Blake, voor Parijs door Baudelaire, voor New York door F. Scott Fitzgerald. Zij zijn daarmee psychogeografen. Ze zorgen er voor dat we oog krijgen voor de ziel, geheime charme van een stad. Bentz van den Berg wil dat de stad ‘één groot organisch kunstwerk’ is, verlost van het dode gewicht van het filosofisch-theologische ‘de’ dat er zich aan de ziel heeft vastgezet: de stad heeft ziel, soul.
Zoals Bentz van den Berg op zoek is naar de ziel van een stad, en er ook voor pleit dat die terugkeert nadat hij er in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw zo uitbundig aanwezig is geweest, zo zoekt hij in alles naar dat bijna ongrijpbare fenomeen. Dit betekent voor hem dat hij zich afkeert van de rationalistische denktraditie die het Westen sinds Descartes heeft voorzien van het instrumentele denken.
Dat heeft zijn diensten bewezen voor wetenschappelijk onderzoek, voor de industrie en voor de handel, maar was te eenzijdig en ging ten koste van een meer verfijndere manier van denken, een die niet elk ding tot object maakte om meteen te exploiteren, maar om er de schoonheid, de bijzonderheid en de waardigheid van te zien. Of, om met de door Bentz van den Berg geciteerde Amerikaanse dichter Wallace Stevens te spreken, op zoek te gaan naar ‘the poem in the heart of things’.
het keurslijf van het egocentrische bewustzijn
Poëzie of ziel te willen zien in alle dingen is wat veel en ook niet altijd wenselijk aangezien er het nodige is dat helemaal geen poëzie in zich heeft. Dat is ook wel goed, dan zorgt het contrast ervoor dat we de poëzie beter onderscheiden wanneer daar wel sprake van is. Van dat contrast wil Bentz van den Berg juist verlost worden en dat weet hij vaak met de nodige metaforen precies onder woorden te brengen: hoe vager hoe scherper hij is.
Bentz van den Berg wil van tegenstellingen af. En van het ‘zelf’, dat is hem veel te autonoom en te zelfverzekerd, dat lijdt te veel aan zichzelf, dat wil maar groter, sterker, mooier, belangrijker worden door zich zo veel mogelijk te bevrijden van alle dagelijkse beslommeringen, ‘terwijl juist dát, de beautiful mess van persoonlijke hang-ups, relationeel gemodder en getob over van alles en nog wat, de voedingsbodem en arena vormt voor de ziel’.
Bentz van den Berg wil ‘achter dat oude zelf vandaan komen’ en een ruimte betreden ‘waarin je geest weer alle kanten op kan waaien’, bevrijd van het keurslijf van het egocentrische bewustzijn zodat er plaats komt ‘voor de anderen die je ook nog bent’. Die ruimte, ‘vóór ons bewustzijn’, daar moeten we de ziel situeren, daar ligt nog niets vast. ‘De ziel trekt ons voortdurend terug in de woelige baren van de tienduizend indrukken’. In een van zijn vorige boeken, Engelen in regenjas, schrijft hij dat hij juist daar ‘en nergens anders’, in die woelige baren, ‘altijd thuis heeft willen zijn, in het diepe van de wereld’. Daar bevindt zich nog ‘onze innerlijke veelvoudigheid’.
‘In het diepe van de wereld’: daar heeft Bentz van den Berg sterk de neiging zich op te houden. De ziel moet iets zijn dat, buiten het bereik van het ego, dingen ‘oplost’, verlossing biedt. Er moet schoon schip gemaakt worden. Maar daar is hij niet consequent in. Bentz van den Berg wil zich ook weer niet aan de wereld onttrekken, zich bepaald niet in een wereldverzakende de verstilling terugtrekken, ook al duikt het taoïsme van tijd tot tijd op. Hij is ambivalent. Vandaar die ‘beautiful mess’, de voedingsbodem en arena, waarin zich alles bevindt dat niet direct voor ‘peace of mind’ zorgt. De ziel is voor Bentz van den Berg een bende én een warm bad.
Waar de ziel bij Bentz van den Berg meer wordt dan een onvermijdelijke aanduiding van iets subliems waar je geen ander woord voor weet, krijgt de ziel iets dat toch vastligt, iets structureels, niet meer zo flexibel. Bentz van den Berg krijgt te maken met de paradox van de vrije, alle kanten opwaaiende geest en de vaste plaats die de ziel in gaat nemen. Dan wordt het te veel een dogma om het leven op de zen-manier ‘te nemen zoals het komt’, en niet in te grijpen als het nodig is.
Hoe vaak Bentz van den Berg ook wegzeilt naar plekken waar hij los gelaten moet worden, hij blijft het begenadigd onder woorden brengen. Muziek speelt hierbij een grote rol. De teksten en de muziek van Bob Dylan, Neil Young, John Lennon en vele anderen worden voortdurend als illustratie gebruikt. De intro van ‘Going back’ van Carole King en Gerry Goffin maakt dat hij wegzeilt naar ‘die mysterieuze plek waar tijd geen rol speelt (…), een plek, net onder het hart maar groter dan jezelf, waar je iets kunt gaan missen wat je nog niet kwijt bent, waar de pijn van verlies de bijsmaak kent van vers verlangen, en waar alles wat er in je leven als water door je vingers is geglipt in alle onschuld bewaard blijkt in de grote stroom der dingen zelf. John Lennon kende het als “Strawberry Fields”, Neil Young noemde het “Sugar Mountain” – en het is dé plek voor als je asiel zoekt voor je ziel’.
gefascineerd door alles wat ‘diep’ is
In de kortere essays van De straatwaarde van de ziel is goed te zien hoe Bentz van den Berg zich graag laat meeslepen, zonder de koers helemaal uit handen te geven. Dat hij gefascineerd wordt door alles wat ‘diep’ is betekent dat hij op zoek is naar de ‘mytho-poëtische patronen’ waarin zich ‘deep down’ ‘de taal van de ziel’ bevindt. De naam van Carl Jung en zijn collectief onderbewuste valt hierbij makkelijk. Dan komen er formuleringen vrij als ‘de krachten die achter de schermen ons leven bepalen’, waarmee de menselijke autonomie en individualiteit in één keer worden weggevaagd. Of hij voelt de ‘diepgewortelde hulpeloosheid ten aanzien van het lot’.
‘Individualiteit’ en ‘autonomie’ zijn bij Bentz van den Berg gepasseerde stations, geassocieerd als ze door hem te veel worden met de eigengereide versie van de westerse beschaving. Geen autonomie: er liggen voor hem in het mensenleven juist veel ‘patronen’ vast. Dat contrasteert enigszins met zijn ‘straatwaarde van de ziel’ die het toch moet hebben van een patroonloze vrijzinnigheid, de gevarieerde vrije ruimte, van de tienduizend indrukken, van de beautiful mess.
Het zich thuis voelen in het diepe van de wereld gaat Roel Bentz van den Berg goed af. Het is vage materie, maar hij weet er glashelder over te schrijven.
De straatwaarde van de ziel door Roel Bentz van den Berg is uitgegeven door Uitgeverij Augustus en Atlas Contact.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.