Het zou een geruststellende gedachte zijn als een roman of een verhaal niet echt is, maar zo maar bedacht: ‘fictie’. Dan gaan al die enge verhalen je niet echt aan. Maar zo geruststellend is het niet, aangezien dat fictieve, dat bedachte, heel betrekkelijk is. Een grof gevecht tussen twee mannen mag in een roman bedacht zijn, door de manier waarop het verteld wordt kan het je alles behalve onberoerd laten. Sterker, het wordt misschien wel zo plastisch verteld dat je het maar al te levendig voor je ziet, zo beeldend dat het niet snel uit je gedachten gaat. Er zijn natuurlijk verschillen tussen lezers: op de een maakt dat gevecht niet zo veel indruk, hij neemt het niet zo zwaar, de ander krijgt het niet uit zijn gedachten. De een lacht erom, de ander is het lachen vergaan.

Als Arnon Grunberg íets wil van de literatuur in de meer dan zeventig essays die hij in Waarheidsliefde en biefstuk heeft verzameld dan is het dat ze impact heeft, dat het lezen ‘consequenties’ heeft en geen ongevaarlijke fictie is die het ene oor in, het andere oor uit gaat. In het boek staan zes verspreid afgedrukte essays over de Zuid-Afrikaanse schrijver J. M. Coetzee. Dat wil zeggen dat Grunberg hem een schrijver vindt zoals een schrijver zou moeten zijn, een schrijver met impact. Coetzee ontleent ‘zijn enorme kracht als schrijver’ volgens Grunberg vooral aan de ernst waarmee hij in onze behoefte aan ‘waarheid en hartstocht’ voorziet. Coetzee legt in zijn romans pijnlijke zaken bloot. Het gaat bij hem om de onomwonden waarheid (denk aan In ongenade). ‘Costello [een personage van Coetzee] én Coetzee wijzen erop dat het vertellen van verhalen geen frivole aangelegenheid is, dat die verhalen consequenties hebben,’ schrijft Grunberg streng.

Het werk van Coetzee is voor Grunberg een speciale morele en literaire toetssteen. Maar de consequenties die aan het lezen kleven gaan op voor elke roman van enig gehalte: ‘Fictie verandert de wereld,’ zover gaat Grunberg. Ik denk daarbij aan Time’s Arrow van de deze week overleden Martin Amis, een roman waarin de tijd door de ogen van een soort Mengele achterwaarts gaat, van het heden terug naar het verleden van Auschwitz. Die roman zorgde in 1991 voor heftige reacties, maar gaf wel een onverwacht en snijdend inzicht in de geesteswereld van die ‘Mengele’.

Of denk aan De steppewolf van Hermann Hesse, een roman waar Grunberg zelf als puber aan verslingerd was. Het is wat hem betreft ‘een boek dat iedereen in zijn puberteit zou moeten lezen’. Het was een boek met consequenties. Harry Haller, een vereenzaamde jonge intellectueel, iemand met de habitus van een zelfmoordenaar maar ‘zonder te sterven’, dringt het jonge brein zo binnen dat het zich persoonlijk aangesproken voelt en er een antwoord op moet verzinnen. Dat antwoord draagt aanzienlijk bij aan zijn of haar persoonlijke ontwikkeling.

De wereld door de ogen van de literatuur

Aan de essays in Waarheidsliefde en biefstuk is goed te zien dat het lezen van literatuur de afgelopen vijfentwintig jaar voor Grunberg gevolgen heeft gehad. Het lezen greep in op zijn leven, zoals hij het zelf noemt, het kleurde zijn oordelen, het stoffeerde zijn bestaan, riep ideeën op, liet hem standpunten bepalen, vormde zijn wereldbeeld, bracht hem in het nauw, zette zijn moraal onder druk, leerde de literatuur te zien binnen de nieuwe verhoudingen in de samenleving. En vooral: hij verslond het werk van de ene na de andere grote schrijver en deed inspiratie bij ze op.

Als romanschrijver heeft Grunberg te maken met concrete personages, met de situaties waarin hij ze brengt en met waar ze voor staan, wat ze willen in het leven.

In deze vijfhonderdvijftig pagina’s wordt de wereld door de ogen van de literatuur gezien. Grunberg beoefent niet louter literaire kritiek, het is essayistiek waarbij, als het ware, de hele wereld betrokken wordt. Grunberg geeft wat hij leest betekenis door in menselijk gedrag gevoelens te herkennen als schaamte, schuld, botheid, barbaarsheid, verfijning, macht, liefde, het paradijs, de ironie, valsheid, frivoliteit, vervreemding, rancune, finesses, nuances, weemoed, beschaving, angst, waanzin – allemaal zaken waar literatuur van wordt gemaakt. Dit alles zorgt voor romans met substantie, met hartstochten en denkbeelden, liefst met een extreem kantje, buiten de lijnen, obsessioneel, grenzen opzoekend.

Als romanschrijver heeft Grunberg te maken met concrete personages, met de situaties waarin hij ze brengt en met waar ze voor staan, wat ze willen in het leven. Je ziet aan zijn essays dat hij het daar niet bij wil laten, hij onderzoekt (Socrates en Kellendonk indachtig) het leven via de literatuur. Hij wil er een laag in aanbrengen die het verhaal optilt, een perspectief verleent waardoor er diepte en betekenis ontstaat. Zo’n ‘verdieping’ is Grunbergs idee dat de roman geboren is om ‘ondermijnend’ te zijn, om de heersende waarden en moraal onder druk te zetten, om vastgeroeste ideeën te ondergraven, om beweging in het denken te brengen. Dat ziet hij dan ook gebeuren in het werk van Coetzee, en in heel wat andere schrijvers waar hij het over heeft. Multatuli, Hermans, Dostojevski, Kundera, Isaak Babel, Stefan Zweig, Karel van het Reve, Heinrich Heine en Jan Wolkers voldoen aan zijn criteria. Veel Europese schrijvers ook: W.G. Sebald, Peter Handke, Simenon, Kafka, Nabokov, Nietzsche, Proust, Natalia Ginzburg, Amos Oz, Joseph Roth en de Amerikanen Saul Bellow en Philip Roth.

Aan de Nederlanders waar hij het over heeft, is te zien dat Grunberg er niet voor voelt om over zijn collega’s en generatiegenoten te schrijven, hij maakt een heel eigen keuze: Slauerhoff, Willem Elsschot, Piet Paaltjens, Judith Herzberg, Marga Minco, Frans Kellendonk, Maarten Biesheuvel, Marieke Lucas Rijneveld en Guus Kuijer. Mijn lieve gunsteling van Rijneveld leest hij op zo’n manier dat ik de roman nauwelijks herken.

essayistische schijnwerper

In elk essay probeert Grunberg recht te doen aan wat hem zelf interesseert, maar ook aan de schrijver. Hij gaat niet impressionistisch te werk, ook niet echt analyserend of ontledend, maar met een essayistische schijnwerper. Hij is duidelijk op zoek naar wat hem aan de hand van zijn eigen wereldbeeld in de schrijver aantrekt en bevalt. In principe wil hij een schrijver annexeren, inlijven, ook al blijft hij altijd kritisch. Multatuli kan niet veel fout doen bij Grunberg, maar hij vindt hem wel te wijdlopig. Interessant is dat Grunberg het wel uitvoerig over Multatuli heeft, maar het hem toch niet lukt te zeggen wat Multatuli tot een schrijver maakt die boven alles en iedereen uitsteekt. Grunberg gebruikt Multatuli om te illustreren dat men bij grote schrijvers altijd op zoek moet gaan naar de duistere kant. Dat is ook de bron van de creativiteit. Ambivalentie beschouwt Grunberg als de kern van Multatuli’s schrijverschap. Multatuli moest niets hebben van het beroepsschrijverschap, dat was hoererij. Dan moest je dingen schrijven die niet de waarheid waren en die moest je dan ook nog ‘kleuren, opsieren, aankleden.’

Diep in de rede, in het hart van de rationaliteit, woont de waanzin volgens Grunberg.

Het mensbeeld dat uit Grunbergs essays naar voren komt is paradoxaal en ambigu. De mens is voor Grunberg, in de woorden van een van zijn favoriete schrijvers, Babel, ‘een beest met principes’. Alles heeft twee kanten. Grunberg heeft natuurlijk geen afgerond wereldbeeld, en geen enkele waarde is absoluut voor hem, maar hij noemt zich wel pesterig of schertsend graag een ‘nihilist’. Maar dat wil hij het niet fulltime zijn. Dit betekent dat hij zich in het vaarwater van Hermans’ poëtica van het ‘scheppend nihilisme’ maneuvreert.

Aan alles zit bij Grunberg zowel een frivole als een ernstige kant. Er zit een kleine Machiavelli in hem. Die komt niet meer tevoorschijn omdat hij milder is geworden. Met Camus denkt hij zich op gelijke voet te bevinden, maar met Nietzsche niet, die noemt hij ‘onontbeerlijk’. Als romanschrijver houdt Grunberg er rekening mee dat ‘het spel der hartstochten krachten in mensen losmaakt die groter zijn dan het fatsoen.’ Als kind kreeg hij door zijn moeder Der Struwwelpeter en Max und Moritz voorgelezen. Dat betekent volgens de consequentie-theorie van het lezen dat Grunberg van geen enkel geweld of sadisme meer opkijkt. Literatuur is bij gevolg niet iets voor ‘moraalridders’.

Tot zijn verzameling apodictische uitspraken behoort ‘Leven is een machtsstrijd’. En het paradoxale: ‘Kapitalisme is creatieve destructie’. Grunberg wil veel open en ambigu houden, maar tegelijkertijd krachtige, ondubbelzinnige uitspraken doen. Hij weet zelfs hoe de ideale roman eruitziet: ‘Het pure idee dat de gedaante heeft aangenomen van het meest aardse. Het slijk der aarde verrijkt met mystiek en metafysica.’

Bildungsbürgertum

Al zou je het gezien zijn productiviteit niet zeggen, Grunberg staat zelf ook ambivalent tegenover het schrijverschap. Hij is het eens met wat de Poolse filosoof Leszek Kolakowski zegt over hedendaagse filosofen: het zou wel heel oppervlakkig zijn als die filosofen zichzelf niet ook als charlatans zagen. Het gevaar van ontmaskering moet aanwezig zijn. Diep in de rede, in het hart van de rationaliteit, woont de waanzin volgens Grunberg.

Er zit zelfs een burgerman in Grunberg, opgelopen door het ‘verrukkelijke vergif’ dat de opvoeding was die zijn ouders hem hebben gegeven. Van hun Bildungsbürgertum, hoe makkelijk ook te ridiculiseren, wil hij toch niet zo gauw afscheid nemen. Dat geldt ook voor het ‘humanisme’, waar hij herhaaldelijk op afgeeft. Daar wil hij, als het erop aankomt, ook niet zonder. Grunberg heeft een onbedwingbare neiging alles op zijn kop te zetten. Hij is gek op omkeringen: goed kan bij hem heel makkelijk hetzelfde als het kwade worden. Maar daar moet toch niet mee gesjoemeld worden, zou Karel van het Reve zeggen. Grunberg vraagt zich graag af of liefde niet een oefening in onthechting is. In het boek komen regelmatig van deze omkeringen voor en dat betekent dat Grunberg zich vast aan het redeneren is en de onleesbaarheid nadert. Hij heeft een neiging tot hermetische duisterheid.

Waarheidsliefde en Biefstuk is een vol boek zou Kees Fens zeggen, waarin de literatuur ernstig wordt genomen en waarover met gretigheid wordt geschreven door Grunberg, alsof hij iets te winnen, te veroveren heeft. De biefstuk in de titel slaat op een favoriete passage van Grunberg in een brief van Multatuli aan zijn eerste vrouw Tine. Daarin schrijft hij dat het meisje waarop hij verliefd is, Fancy, niet antwoordt op zijn brief. Dat vindt hij niet al te erg: ‘Dan heb ik een ongelukkige liefde’. Dat ongeluk kan hij dan gaan beschrijven en dat zorgt voor biefstuk (‘verliefdheid vermaalt tot biefstuk’). De consequentie van het lezen van Waarheidsliefde en biefstuk is minstens de aanschaf van een of meer boeken die Grunberg in het voorbijgaan aanprijst.

Waarheidsliefde en biefstuk. Essays over lezen en schrijven door Arnon Grunberg is uitgegeven door Nijgh & Van Ditmar.