Over de Franse schrijver Valery Larbaud schreef E. du Perron dat hij ook typisch lettré-werk had geleverd, ‘waarvoor geen Larbaud nodig was.’ Een mooie zin waarmee in één keer duidelijk is dat er onderscheidingstekenen zijn die iemand al dan niet tot een schrijver maken.

Er is het waarmerk Larbaud voor nodig om het verschil te maken. Dat ‘lettré-werk’ is het doen van een soort literaire administratie, het maken van bloemlezingen, het schrijven van overzichtwerkjes, uittreksels maken, recensies schrijven voor bibliotheken.

Larbaud was daar meer dan goed in, want hij was een polyglot, ontdekte schrijvers en vertaalde onbekend werk. Du Perron roept ook de rondzingende vraag te voorschijn of Larbaud niet ‘meer intelligent dan artistiek’ was. Hij wil van geen onderscheid weten. Hij wil niets afknibbelen van Larbauds artisticiteit: ‘hij is kunstenaar tot in zijn vingertoppen.’

Wat wil ‘artistiek’ hier zeggen, en wat maakt het verschil tussen intelligentie en artisticiteit uit? Literaire intelligentie zorgt voor enige abstrahering, legt verbanden, tilt een situatie iets op, zoals iemand in een van de verhalen in Larbauds Kinderscènes zegt: ‘Mijn belachelijke, onvergeeflijke gebrek is dat ik volwassen ben.’ Hij heeft zichzelf van een afstandje bekeken en heeft gezien dat hem het fijne inzicht ontbreekt om de kinderwereld te snappen. Hij heeft iets van zichzelf leren kennen.

En hoe maakt artisticiteit het verschil? Artisticiteit wil zeggen in staat zijn zo min mogelijk te abstraheren, niet in formules te denken, woorden niet te laten stollen in begrippen, de verleiding weerstaan: artisticiteit zit hem in de nuance, het detail, in de verfijning, de complicatie, het geraffineerde, de subtiliteit (zonder precieus te worden). Dat ‘zonder precieus te worden’ moet er wel bij, anders wordt het al te subtiel. Aan die nuance is te zien dat Du Perron (die ook een geducht polemist was), niet graag grof werd.

de binnenwereld van kinderen

In de Infantines, de negen verhalen die Katrien Vandenberghe onder de titel Kinderscènes heeft vertaald, krijgen we te maken met de binnenwereld van kinderen, zelfs met hun ‘innerlijk leven.’ Zoals in het ‘Portret van Eliane op haar veertiende’. Eliane zit ‘zwijgzaam en in de ban van haar dromen’ op een stoel bij haar breiende moeder. Die heeft niet veel gevoel voor haar (ze had nooit een meisje gewild ‘met zulke ogen’). Ze heeft geen idee wat er in Eliane omgaat.

In de binnenwereld van kinderen heerst de pure fantasie.

Het contrast tussen het timide op de stoel zitten en wat er zich in haar hoofd afspeelt, kan niet groter. We leren hoe ze de wereld van jongens en mannen leert kennen. Door te doen alsof ze met een sprookjesprins hoog aan het schommelen is op Fragonards schilderij De schommel. Door in het geheim de pagina’s over de Naakte Man in Le Petit Larousse Illustré te bekijken. Door naar halfnaakte druivenplukkers en knappe worstelaars te kijken, maar niet lang, want ze kreeg snel oog voor ‘een soort subtiele schoonheid.’

Middelmatigheid sprak haar niet aan, ze zocht het in het Hooglied en van nederigheid en gehoorzaamheid, waar haar moeder zo aan hechtte, had ze een afkeer.

Het gaat in deze verhalen niet om een kinderachtige wereld. In de binnenwereld van kinderen heerst de pure fantasie, zoals in het lange verhaal ‘Het Grote Tijdperk’ waarin de hele geschiedenis wordt doorlopen alsof alle gebeurtenissen rekwisieten zijn, alles vervangbaar is, alles kan.

bizarre vereenzelviging

In de innerlijke wereld van kinderen (dat is psychologisch iets dieper) spelen lastige drijfveren een rol, zoals in het verhaal ‘Rose Lourdin’ waarin Rose zegt dat ze het fijn vindt om te worden berispt. Ook geniet zij van haar verdriet dat ze niet in contact kan komen met Röschen, het meisje dat ze van een afstand aanbidt. Rose verzint ook graag rampen.

Om zichzelf te kwellen zoekt ze contact met een meisje waar ze weerzin tegen voelt. Ze sluipt Röschens kamer binnen om even een kledingstuk van haar aan te trekken. Juist wanneer Röschens niet in de buurt is is ze voor Rose ‘het meest dichtbij.’

Bizarre vereenzelviging doet zich ook voor in het ‘Het hakmes’, een verhaal waar Larbauds tijdgenoot Marcel Proust niet graag aan terugdacht. Dat is te begrijpen aangezien de hoofdpersoon, de achtjarige Emile, beter bekend als Milou, een onzichtbare wereld met zich meedraagt waarin veel kan gebeuren.

Zo komt hij tijdens de vakantie op het land op het idee het leven van het herderinnetje Justine ‘tot een hel te maken’, alleen maar om zijn zusje ‘te amuseren.’ Milou wil Justine ‘nóg ongelukkiger maken.’ Hij wordt door haar gefascineerd omdat ze al ongelukkig is vanwege een grote snee in haar hand die ze heeft opgelopen toen ze met het hakmes steunplaatjes voor de wijnstokken maakte. De volgende dag wil Milou haar al niet meer pesten en heeft hij spijt. Hij pakt in de keuken het hakmes en laat het op zijn vinger vallen. Het bloed gutst in het aanrecht.

Larbaud vertolkt de originele binnen- en innerlijke wereld van kinderen van acht tot veertien jaar.

Dit is anekdotisch en psychologisch al interessant, maar waar het niet minder om gaat is de textuur van Larbauds proza. Du Perron kan het niet beter zeggen: ‘Ondanks zijn Franco-Italiaanse gevoeligheid voor de lenige en welluidende zin, weet Larbaud er bijna altijd de bekoring van de primitieve opwelling in te houden.’

dicht op hun gedachten

Larbaud vertolkt de originele binnen- en innerlijke wereld van kinderen van acht tot veertien jaar. Het is alsof hij de innerlijke monoloog toepast, zo dicht zit hij op hun gedachten.

In het verhaal ‘Vakantietaken’ wordt het gedachteleven van een jongen gevolgd die bij het begin van de vakantie geweldig veel zin heeft nu eens eindelijk zijn eigen studies te gaan verrichten, niet uit de schoolboeken, maar zijn nieuwsgierigheid volgend. Hij bewapent zich met nieuwe pennen, verse kleurpotloden en maagdelijke schriften: ‘We werden zo met vrijheid en genot overvoerd dat we spontaan het opperste genot zochten: zuivere, belangeloze geestesarbeid.’

De werken van Descartes, Bacon en Kant moeten mee, zelfs Leibniz’ Monadologie. Wanneer neef Mathieu het ziet legt hij het terzijde en zegt ‘Je zult er niks van snappen, maat. Kom, pak de rackets, we gaan naar buiten.’

De meeste lezers van de Kinderscènes zullen Larbauds meesterwerk A.O. Barnabooth. Dagboek van een miljardair wel gelezen hebben, of moeten dat doen zodra die noodzakelijke nieuwe editie verschijnt. Het is het dagboek van iemand die rond 1910 lijdt aan embarassment of riches, aan het onbehagen van de overvloed in zijn portemonnee. Hoe lukt het je nog iets van jezelf over te houden met zoveel geld?

Het is alsof Larbaud in Kinderscènes een antwoord heeft gezocht en de rijkdom van de innerlijke kinderwereld heeft willen vastleggen, het ‘paleis van de kindertijd’. De ongemakkelijke en schuldige wereld van de miljardair komt tegenover de onschuld te staan die nog om zichzelf geliefd is.

Kinderscènes door Valery Larbaud is vertaald door Katrien Vandenberghe en uitgegeven door De Arbeiderspers.