Van één ding ben je zeker bij een geschiedenis: dat het niet om een herhaling van gebeurtenissen gaat, maar om steeds weer iets nieuws. Dat maakt het tot een geschiedenis: een opeenvolging van nieuwe voorvallen. Wanneer John Carey, de Engelse criticus van The Sunday Times, nu A Little History of Poetry schrijft kun je er zeker van zijn dat daarin, hoe beknopt ook, de rijkdom en de variatie van de poëzie te vinden is, van het Gilgamesj-epos tot Sylvia Plath, van Sappho tot Seamus Heaney.
Zo’n geschiedenis van poëzie is een bloemlezing van uitzonderlijke geesten, totaal verschillend, maar ook verwant in de ambitie. Hun verschil maakt de geschiedenis en zorgt ervoor dat je bij elke nieuwe dichter verrast opkijkt.
een traditie van het nieuwe
Vandaar mijn ongemak wanneer ik in Rumoer, het boek van Florette Dijkstra met ‘teksten’ over kunst, literatuur en filosofie, lees over Maurice Blanchot, de Franse schrijver met een hermetische inslag. Dijkstra is zijn tolk wanneer ze namens hem schrijft dat schrijvers of dichters zichzelf moeten ‘ontkennen, of liever “doden”’, willen ze literatuur bedrijven. Ze moeten in een andere werkelijkheid treden, zich begeven in ‘een stil en duister oord waarin de woorden zich bevinden.’
Daar vinden ze niet hun eigen woorden. Dichters vinden niet hun poëzie zelf uit. ‘De woorden die ze gebruiken zijn er al, bestaan al ergens in de wereld. Dichters hebben ze van horen zeggen, van wat hen door eerdere generaties is doorgegeven en wat ze zich herinneren. Nooit komen ze met iets nieuws. Dat is ook het belang van hun werk: dat ze herzeggen wat al eerder is gezegd.’
‘Dat is het belang van het werk van dichters: ze herzeggen wat al eerder is gezegd.’
‘Nooit komen ze met iets nieuws.’ Zou het? Het verrassende aan literatuur en poëzie is dat het nu juist wél steeds iets nieuws is. Het sterke, krachtige en duurzame is dat in kunst, literatuur, poëzie een traditie van het nieuwe aan het werk is. Niet alleen zorgt dat voor vernieuwing, afwisseling, opeenvolging en verrassing, maar ook voor een geschiedenis, voor reliëf, voor opleving, voor voortzetting. Dichters ‘herzeggen’ niet wat eerder is gezegd, ze proberen te zeggen wat ze zelf te zeggen hebben.
nergensland
In de ‘tekst’ over Blanchot staan nog meer van zulke kokette en elliptische zinnen die van de literatuur en de poëzie een fantoom willen maken: de schrijver of dichter ‘creëert een eigen wereld’ die volkomen buiten het leven ligt, ‘ook buiten het “ik” van de schrijver. Hij treedt terug, zijn persoon “sterft” in het schrijven. (…) Een schrijver spreekt om te zwijgen, om de leegte en het niets uit te drukken.’
En wanneer de lezer leest ‘sterft’ ook hij, althans hij ‘verliest zichzelf’: hij wordt ‘een niemand in nergensland.’ Daarmee is de cyclus rond en had er helemaal geen literatuur bedreven hoeven te worden want we worden uiteindelijk toch ‘een niemand in nergensland.’
beginnen en opnieuw beginnen
Het wonderlijke is dat deze even diepe als lege visie op literatuur en poëzie in tegenspraak is met de overwegende strekking van de andere teksten in Rumoer. Daarin zit ook wel een rode draad die zegt dat de hele geschiedenis van de oertijd af mee resoneert in het heden, maar het meest terugkerende motief is dat van ‘de eerste’, het ‘beginnen’ en ‘opnieuw beginnen’. Hoewel dat beginnen langzamerhand aardig modieus begint te worden omdat het zo’n prominente rol speelt in het veel besproken werk van Hannah Arendt (wat zij ‘nataliteit’ noemt). Het blijft, niet tegenstaande, een sterk, dynamisch en existentieel motief.
Dijkstra neemt in haar ‘teksten’ steeds een idee van een kunstenaar, filosoof of schrijver als uitgangspunt, met ‘beginnen’ als terugkerend motief. In de zestig stukken komen wel zo’n zestig grote geesten langs, van de beeldhouwer Praxiteles tot de dichter Pessoa, van Cézanne tot Heidegger, Susan Sontag, Rilke, Musil en Virginia Woolf.
In Rumoer zit een rode draad die zegt dat de hele geschiedenis van de oertijd af mee resoneert in het heden, maar het meest terugkerende motief is dat van ‘de eerste’, het ‘beginnen’ en ‘opnieuw beginnen’.
En Aspasia, de geliefde van Pericles, die zelf een ‘salon’ zou hebben gehouden waar Socrates als een van haar volgelingen kwam. Zij zou de Grieken hebben geleerd wat ‘een dialoog voeren’ is. Dat deed ze al wandelend, niet een meter achter de man aan, maar naast hem. Daar begon ze als eerste mee. Aspasia zou ook de eerste zijn geweest die Socrates heeft leren spreken en naar wie hij luisterde.
Op zijn beurt was Socrates de eerste die zei dat het geschreven woord minder was dan het gesproken woord. Dat was een mening pro domo omdat hij zelf nooit iets op heeft willen schrijven, dat deed Plato voor hem. Het geschreven woord leidde volgens Socrates een leven op vliegende vellen waarvan je niet wist bij wie ze terecht kwamen. Las iemand wat je geschreven had verkeerd dan kon je je niet verdedigen als je er niet bij was. Nee, dan de echte levende spreker: ‘die deed de woorden steeds opnieuw geboren worden.’
een kat voor een muizenhol
Er komen in Rumoer nogal wat kunstenaars voor die opnieuw willen beginnen, die terug willen naar af, schoon schip willen maken. In zijn jonge jaren had Robert Musil het idee dat hij met elk te schrijven verhaal helemaal opnieuw moest beginnen – en dat idee heeft hem nooit verlaten, ook niet bij het schrijven van De man zonder eigenschappen. Hij bevond zich vaak in een stemming die verwant is aan die ‘van een kat die al drie dagen voor een muizenhol zit’.
Op zoek naar ‘het eeuwige worden’ en ‘de zuivere duur’ zocht de filosoof Henri Bergson in de diepste lagen van zijn binnenste naar de stroom waarin alles van de wereld was vervat. Daar zou hij eindelijk ‘durend’ zichzelf zijn. Mocht hij het vinden, dan moest hij er ook nieuwe woorden voor hebben, ‘heel andere dan hij gewoonlijk gebruikte.’
Met het schilderen van het Zwarte vierkant had Kazimir Malevitsj het nulpunt van het schilderen bereikt. Hij had er alles in geïnvesteerd. Nu kon alles opnieuw beginnen. Volgens de Italiaanse kunstenaar Luciano Fabro leed de kunst aan ‘een fundamentele vorm van futloosheid’. Om daar verandering in te brengen moesten de kunstenaars terugkeren naar de kunst zelf, de kunst van het verleden, ‘om alles van voren af aan opnieuw te beginnen’.
de wereld begint
Dit motief van beginnen en opnieuw beginnen staat voor een sterk existentieel mechaniek. Maar Dijkstra laat het verwateren door het niet te blijven zien als een dynamisch, steeds opnieuw door mensen tot leven te wekken motief, maar het te beschouwen als iets dat al tot ‘de wereld’ behoort.
‘De wereld is altijd aan het beginnen’, schrijft ze in het stuk over de beeldhouwer
Brâncuși. Dat is natuurlijk helemaal niet zo: niet ‘de wereld’ begint steeds opnieuw, mensen beginnen opnieuw als ze het tijd vinden om te vernieuwen. Volgens Luciano Fabro is de kunst zo fundamenteel futloos dat er helemaal niets vernieuwd wordt, al helemaal niet door ‘de wereld’.
De wereld begint niet steeds opnieuw, mensen beginnen opnieuw als ze het tijd vinden om te vernieuwen.
Even nietszeggend is het dat ‘elk jaar, op nieuwsjaarsdag’, de kosmos opnieuw geboren zou worden en ‘de wereld’ zich zou hernieuwen, zoals Dijkstra in navolging van de mytholoog Mircea Eliade schrijft. Dan wordt de kunst ineens afhankelijk van een of andere metafysica.
rizoom
Gegeven al die kunstenaars, schrijvers, filosofen en ideeën die ter sprake komen zou je Rumoer een interessant en prikkelend boek kunnen noemen. Maar daar moet toch het nodige aan afgedongen worden. Wat al die kunstenaars etcetera hebben bedacht en beleefd vertelt Dijkstra wel erg veel na. Dat is meestal wel aardig om te lezen, maar gaat voorbij aan de ontwikkeling van eigen ideeën. Die zijn er nauwelijks, of ze zijn te vaag. Dat zou wel eens te maken kunnen hebben met het concept van het ‘rizoom’ van Gilles Deleuze waar Dijkstra veel in ziet.
Het rizoom staat voor een manier van denken waarin geen sprake is van centrale gedachten, waarin geen sprake is van hiërarchie, waarin vaste betekenissen onbestaanbaar zijn en waarin alles bepaald wordt ‘door een circulatie van toestanden’. Een rizoom leidt, letterlijk, nooit tot iets, bestaat alleen uit eindeloze vertakkingen. In een rizoom wordt nooit iets gefixeerd, ook niet tijdelijk. Hier voelt Dijkstra zich kennelijk bij thuis, net als bij het concept van het ‘raster’. Het raster kun je ook ‘eindeloos doordenken, in alle richtingen’. Een kunstwerk met zo’n raster wordt ‘een inwisselbaar deel van een grenzeloos geheel: even grenzeloos als het universum.’
Een kunstwerk als een inwisselbaar deel van een grenzenloos geheel, ‘even grenzeloos is als het universum’. Ik vrees dat dit bij mij tot een acute en grenzeloze universumvrees zal leiden. In ieder geval zorgt het er voor dat van Rumoer weinig in het geheugen achterblijft.
Rumoer. Over het begin van kunst door Florette Dijkstra is een publicatie van Uitgeverij IJzer.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.