De dood is zo prominent aanwezig in de tekeningen van Pieter Hermanides dat je je af gaat vragen hoe zich dat verhoudt tot de techniek die hij meestal gebruikte om contrast tussen donker en licht aan te brengen: de stippeltjes. Iets dat donker moet zijn bestaat uit dicht bij elkaar zittende stippels, maar ze raken elkaar uitdrukkelijk niet. Iets dat grijs moet zijn bestaat uit verder uit elkaar liggende stippels.
De vlakken met stippels hebben de functie van rasters of van arceringen bij andere tekenaars, zoals bij Peter van Straaten. Dat stippelen is een monnikenwerk en moet zorgvuldig en met vaste hand gebeuren anders plakken de stippen aan elkaar en ontstaan er vlekken. Je moet ruim in de tijd zitten voor zo’n techniek, de dood moet je niet op de hielen zitten. Maar dat is wel wat gebeurt op zijn tekeningen.
een elegante dode
Een contrast vormen ook de lijn en de kleur bij Hermanides. De paniek, het geweld, de verwarring, de dood, de angst en de droefenis waar zijn tekeningen vol mee zitten worden niet in krassende lijnen of felle kleuren gegoten, maar in vriendelijke aquareltinten en getekend met de dunste klare lijn. Hier wordt men met de fijnste fineliner tot lijk getekend. Door dat contrast ontstaat op zijn tekeningen het voor Hermanides zo kenmerkende beschaafde absurdisme. Je kunt op zijn tekeningen een elegante dode zijn, uitgestrekt op een vlekkeloos blauw-wit betegelde vloer.
Hermanides maakte delicate lijntekeningen waar de menselijke komedie op een enigszins absurde manier werd uitgebeeld.
Pieter Hermanides (1932-2019) was een tekenaar die zich op de achtergrond hield. Hij voelde er niets voor om zelf het initiatief te nemen om zijn werk meer bekendheid te geven. Aan de hand van zijn nagelaten tekeningen hebben vrienden een jaar na zijn dood nu het boek Pieter Hermanides. Tekenaar samengesteld.
In de jaren zeventig en tachtig was Hermanides iets minder terughoudend en was hij lid van De keerkring, de kunstenaars die jaarlijks exposeerden in de Sandbergvleugel van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Hij was ook lid van de kunstenaarsvereniging Arti et Amicitiae en zelfs van 1988 tot 1992 met Wim Compier redacteur van De maatschappij, het maandblad van Arti.

Daarvoor maakte hij tekeningen onder het pseudoniem van toom. Eerder, van 1983 tot 1986 gaf hij met Karel Meijers vijftien afleveringen uit van een blaadje dat passend dilettantistisch De kunstliefhebber heette. Daar stonden tekeningen in zwart-wit in, getekend in een ironisch nonchalante stijl, alsof ze zo uit de losse pols waren gekomen. Naast gedichten van Kees Winkler en Ed Leeflang tekenden Peter Vos, Thomas Koolhaas, Pieter Hermanides, Charlotte Mutsaers, Karel Meijers, Wim Compier, Henri Plaat, Frits Woudstra, Aart Clerkx en Jaap Hillenius erin.
Het laatste nummer van mei 1986 was een dubbeldik Krokodillennummer. Daarvoor interviewde Yvonne Kroonenberg de krokodillenoppasser van Artis Fred Buurman, die dat toen al vijfentwintig jaar deed. Nadat De Kunstliefhebber ter ziele was gegaan ontstond even later ineens in dezelfde geest de Bovenkamer, waarvan maar een paar nummers verschenen.
de menselijke komedie
Het was door de De Kunstliefhebber, dat in het Athenaeum Nieuwscentrum op het Spui in Amsterdam te koop was, dat ik de tekeningen van Pieter Hermanides voor het eerst zag. Ik was in 1984 voor de Boekenbijlage van Vrij Nederland op zoek naar iemand die elke week een illustratie kon maken bij de nieuwe rubriek van Gerrit Komrij, een ‘encyclopedie van het gevoel’ onder de titel Humeuren en temperamenten.
De tekenaar moest affiniteit hebben met de hele en halve abstractie van die humeuren en temperamenten, zoals Ambitie, Haat, Banaliteit, Drift, Eigendunk, Lafheid, Verbijstering, Wanhoop. Het leek me wel iets voor Hermanides. Die maakte delicate lijntekeningen waar de menselijke komedie op een enigszins absurde manier werd uitgebeeld. De betekenis lag er niet meteen bovenop. Die indirecte manier van tekenen zou goed kunnen voldoen. Het moest zowel concreet als suggestief zijn. Jammer dat het nog niet in kleur kon en dat de tekeningen uiteindelijk niet in de boekuitgave van Humeuren en temperamenten terecht kwamen.
Bij het lemma ‘Liefde’, waarin Komrij schrijft dat je pas echt verliefd bent als je jezelf kwijt bent en de ander bezit van je heeft genomen, verwees Hermanides in zijn tekening naar de beroemde cynische scene uit Gevaarlijk spel met de liefde van Choderlos de Laclos waarin Valmont op de blote rug van zijn minnares een zogenaamd hartstochtelijke brief schrijft naar de preutse Madame de Tourvel die hij wil veroveren. Maar bij Hermanides zit de briefschrijver erbij alsof hij strafwerk moet maken.
Humeuren en temperamenten maakte in Komrij en Hermanides het beste los. Ze lieten zich allebei kennen.
Bij ‘Intellectualisme’ tekende Hermanides de Denker van Rodin, maar dan in de vorm een opblaaspop waar met een fietspomp lucht in wordt geblazen. In het prachtige lemma over ‘Romantiek’ varieert Komrij op het bekende gedicht ‘Ballade van de katholiek’ van Anton van Duinkerken. Daarin eindigt elke strofe met ‘Daarom, mijnheer, noem ik mij katholiek.’ Die mijnheer was de NSB’er Mussert, die het over de ‘zich katholiek noemende Van Duinkerken’ had gehad.
Komrij heeft het over de verschillende, helse en idyllische kanten van de Romantiek. Door ze allebei te erkennen kan hij op zijn beurt zeggen ‘Daarom, mijnheer, noem ik mij romanticus.’ Hermanides tekent een idyllisch bos met aanminnige naakte meisjes, maar ook een man die wordt doodgestoken. Een andere man strooit zout of peper over een doodskop om die weer tot leven te wekken, met naast hem een Joker met een doodskop en een zeis.

de dood het nakijken geven
Humeuren en temperamenten maakte in Komrij en Hermanides het beste los. Ze lieten zich allebei kennen. Komrij onthulde zonder clownerie wat hij over een scala aan gevoelens dacht en legde daarmee de basis voor zijn moraal van tegenstrijdigheden: ‘een gevoel, een gedachte bestaat voor mij pas écht wanneer ik er tegelijkertijd exact het tegenovergestelde bij kan voelen of van kan denken.’
Hermanides leefde zijn gedachteleven op de teksten van Komrij uit, zodat al zijn preoccupaties in de tekeningen zijn terug te vinden. Hermanides bleef zijn levensmotto trouw: ‘Het bestaan is een onoplosbaar probleem.’ Op de verstilde, mooi gecomponeerde tekening met die titel ondersteunt een man met gesloten ogen zijn sombere hoofd. Naast hem zit zijn verre voorouder, de aap, die in een spiegel kijkt. Aan de wand hangt een schilderij van een incomplete legpuzzel waarop nog een afbeelding van een doodskop te zien is. In de kamer liggen een man en vrouw in een kuil te vrijen, wellicht om de dood het nakijken te geven.
De onoplosbaarheid van het bestaan verbeeldt Hermanides in terugkerende situaties: talloze malen duiken de problematische hersenen op. Er wordt vertwijfeld naar gekeken. Of er wordt jacht op gemaakt door mannen die hun hersens kwijt zijn. Scherp zien is ook een probleem. Er liggen her en der brillen. Er hollen heel wat mannen vluchtend weg van het onoplosbare bestaan. Er staat menige verjaardagstaart met brandende kaarsjes verlaten in een kamer. Het leven loopt bij Hermanides op een beschaafde manier ernstig uit de hand.
De stelselmatig weerkerende naakte meisjes of jonge vrouwen moeten in het licht van Hermanides’ onoplosbare probleem van het bestaan het restant aan probleemloosheid vertolken. Ze zijn zo ideaal van leeftijd en vorm dat het bijna kitsch zou zijn als andere figuren of voorwerpen niet voor het noodzakelijke harde contrast zouden zorgen. Net zoals bij Komrij bestaat alles uit contrasten.
In zijn argeloosheid denkt een lezer van Komrij dat hij in het lemma ‘Burgerlijkheid’ een pleidooi zal houden tegen het burgerlijke. Maar Komrij doet nooit het voor de hand liggende. Hij steekt zich in het kostuum van de vijand om hem van binnenuit te verslaan: hij poseert als een tactische burgerman in driedelig pak. Hermanides tekent die burgerman met een houten kop naast de drie gratiën.

bemoeizucht van de dood
Hermanides laat de voor het nieuwe leven staande meisjes en jonge vrouwen minstens zo vaak optreden in zijn tekeningen als de dood. De dood kan de gedaante van een geraamte aannemen of van een doodskop op een levend lichaam (het leven en de dood inéén). Ook prijkt de doodskop vaak op schilderijen of als De dood van Pierlala in Iemand die alles geneest, de tekening waarop de Dood een theedrinkend stel in een idyllisch landschap de bekende weg wijst.
Komrij heeft ook altijd iets met de dood gehad. Al in zijn tweede dichtbundel uit 1969 dook hij op: Alle vlees is als gras, of Het knekelhuis op de dodenakker. De boekuitgave van Humeuren en temperamenten uit 1989 zet de traditie voor. Op het omslag staat het louter uit doodskoppen bestaande vanitasstilleven van Aelbert Jansz. van der Schoor: Stilleven met schedels.
In het hoofdstuk ‘Vanitas’ gaat Komrij dit keer helemaal niet mee met de alles-is-ijdelheid-school en zet hij zich krachtig af tegen een oude man die doet alsof de jeugd maar een vluchtige en snel voorbijgaande tijd is. ‘Vooral jonge, onstuimige liefde’ zou extra vergankelijk zijn. Dat doet hij uit afgunst, zegt Komrij, ‘geloof hem niet, die oude man’.
Of Pieter Hermanides uiteindelijk ook zo sceptisch was over de bemoeizucht van de dood valt te betwijfelen gezien de laatste tekening in het boek: een man met een gekleurd doodshoofd zit geknield op een frisse tegelvloer. Een aap houdt de man een papier voor. In de deuropening ligt een gesloten envelop. Een baby houdt een kleurige parasol omhoog. Buiten staan twee mannen in uniform. Er hangt een doodshoofd aan de muur, er liggen er drie naast de man. Het is een tekening die zijn geheim niet makkelijk prijsgeeft, maar om de dood kan je niet heen. Dat hier een of meer meisjes ontbreken is een slecht teken. Zeker is dat Hermanides met dit boek aan de vergetelheid is ontrukt.
Pieter Hermanides, Tekenaar is te bestellen via [email protected] en kost € 20,-.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.