Het verzoek van zijn oude school om ter gelegenheid van het veertigjarig bestaan te spreken over zijn ervaringen op de school brengt Sinan Çankaya in een lastig parket. Zijn hele jeugd en opvoeding, zijn positie als emigrantenzoon, zijn gelukkige en frusterende tijd op school bespringen hem. Wat moet hij daar, als iemand die ‘over grenzen heen is gaan kijken’, gaan vertellen? ‘Wat willen jullie dat ik zeg?’

Wat de vraag bij hem losmaakt vertelt Çankaya in de loop van Mijn ontelbare identiteiten. Hij schrok ervan omdat de scbool een ambivalent onderdeel is van zijn transformatie van arme emigrantenzoon naar docent culturele antropologie aan de Vrije Universiteit. Hij zit vol mixed feelings, over de school, over zijn Nederlanderschap en de mate waarin hij ‘allochtoon’ is. Misschien is wat hij gaat vertellen wel niet erg flatterend, er komt het nodige in voor over discriminerende Nederlanders, over institutionele discriminatie, over etnisch profileren en leraren die...