‘Wat is een schrijver nog vandaag de dag?’ vroeg Nelleke Noordervliet zich af als een van de sprekers tijdens de presentatie van Romantici en revolutionairen, het boek van Rick Honings en Lotte Jensen over Literatuur en schrijverschap in Nederland in de 18e en 19e eeuw. Dat was geen kleine vraag en die werd dan ook niet beantwoord, behalve door Nelleke Noordervliet zelf. De schrijver is niet veel meer vandaag de dag omdat we leven ‘in de nadagen van de literatuur als kunstvorm die ertoe doet, die ook door mensen die niet lezen als wezenlijk wordt gezien voor de beschaving van een land, een taal, een samenleving.’
Ondanks de toevallige uitbarstingen van aandacht voor een enkel boek ‘dooft de belangstelling voor en kennis van de literatuur uit’. De zegen van de digitale revolutie heeft een waaier aan bijwerkingen in zijn kielzog meegenomen: ‘Als stervende vliegen zoemen wij schrijvers heftig rond in de vensterbank, het is over en uit.’
Een kneedbaar soort marmer
Noordervliet vroeg zich af: wat was de schrijver toen de koningin nog op het Boekenbal verscheen? De schrijvers waren het waard dat de koningin naar het Boekenbal kwam en dat ze aan haar werden voorgesteld. Zoals er ook een tijd was dat de P.C. Hooft-prijs werd uitgereikt door de minister van cultuur. Dat het de minister was betekende dat de waardering afkomstig was van de Nederlanders en hun cultuur, namens wie de minister de prijs uitreikte. En niet, zoals nu, door de voorzitter van de jury van de P.C. Hooft-prijs. Dat wil zeggen: door een sigaar uit eigen doos.
Noordervliet is te pessimistisch. Het is al verbazingwekkend dat de literatuur standhoudt tegenover de invasies van nieuwe vormen van cultuur die sinds de tweede helft van de negentiende eeuw hebben plaatsgevonden: de fotografie, film, radio, muziek, televisie, computer, games, internet, Netflix. Dat waren een soort vriendschappelijke overnames. Elke keer werd een aanslag gedaan op de tijd van het lezen. Er is zoveel naast de literatuur gekomen dat verleidelijker en makkelijker is om je aan over te geven, dat je als literatuur van een kneedbaar soort marmer moet zijn wil je daar weerstand tegen hebben.
Er is zoveel naast de literatuur gekomen dat makkelijker is om je aan over te geven, dat je als literatuur van een kneedbaar soort marmer moet zijn wil je daar weerstand tegen hebben.
De aandacht gaat naar andere vormen van cultuur en vermaak dan naar literatuur. De consequentie is dat de geletterdheid in Nederland achteruit holt. Steeds meer mensen kunnen niet meer goed spellen en schrijven, zelfs studenten van pedagogische academies die kinderen moeten leren spellen, schrijven en lezen krijgen een diploma zonder behoorlijk Nederlands te kunnen schrijven. Wat allemaal niet wegneemt dat de literatuur zelf, gegeven deze voortdurende aanslagen op haar bestaan, tamelijk weerbaar is gebleken en hardnekkig in zichzelf is blijven geloven.
Kenmerkend voor de periode waarover Rick Honings en Lotte Jensen het hebben is dat zich tussen 1750 en 1900 steeds weer een revitalisering in de literatuur voordeed wanneer de zaak dreigde in te zakken. In de tweede helft van de achttiende eeuw werd de in tevredenheid wegzakkende genootschapsliteratuur verdrongen door de Sturm und Drang die zich over Europa verspreidde.
In het begin van de negentiende eeuw gaf de Romantiek weer een impuls aan de literatuur, waarna Multatuli, Busken Huet en de Tachtigers voor een levendige tweede helft van de eeuw zorgden. In de twintigste eeuw werd deze periodieke revitalisering voortgezet met het expressionisme en vitalisme in de jaren twintig en met de Vijftigers in de jaren vijftig.
revolutionaire omwentelingen
Honings & Jensen wilden een boek over deze periode schrijven omdat tussen 1750 en 1900 het moderne Nederland en de moderne Nederlandse literatuur zouden zijn uitgevonden. Het was ‘een cruciale periode’ waarin van alles voor het eerst ontstond. Nederland werd voor het eerst een democratie. De grondwet van 1798 was een voorloper van de huidige.
In de tweede helft van de achttiende eeuw ontstond de roman als literair genre, werd de historische roman een serieus genre en zorgde de naturalistische en realistische romans in de tweede helft van de negentiende eeuw voor een opleving. Er hadden zelfs ‘revolutionaire omwentelingen’ plaats in deze periode, zoals de patriottenbeweging, de katholieke emancipatie, de ondergraving van het kolonialisme en de emancipatie van de vrouw.
‘Mijn aandoeningen overstelpen mij; de tranen biggelen langs mijn wangen.’
Het lijkt erop dat met de opsomming van deze ontwikkelingen de ‘revolutionairen’ in de titel van het boek worden verantwoord. Maar dat zou al te mooi zijn. Er zit veel leven in de achttiende en negentiende eeuw, maar minstens zoveel pruiken, pijpjesrokende tevredenheid, sentimenteel zuchten en ijle zelfverheffing. De sentimentalist Rhijnvis Feith (‘mijn aandoeningen overstelpen mij; de tranen biggelen langs mijn wangen’) was alomtegenwoordig.
Schrijvers en dichters moesten de burgerlijke cultuur bevorderen, steeds op deugd en plicht wijzen, ‘nutte en aangename kundigheden inboezemen’, zich een ‘menschenvriend’ en een ‘godsdienstvriend’ betonen. De stoffigheid zat al in de titels van de tijdschriften, zoals Vaderlandsche Letteroefeningen. De ‘moraal’ zat in elke zin. Zo was het in de genootschapsliteratuur in de achttiende eeuw, zo was het in de negentiende eeuw in de domineesliteratuur.
Het eerste wat de Tachtigers deden bij monde van Willem Kloos was de kunst om de kunst propageren (l’art pour l’art), waardoor de moraal vanzelf uit de poëzie verdween.
god tuchtigt om te louteren
Afgezien van de sentimentalisten en de domineesdichters was er ook een overdosis aan orthodoxe, nationalistische, burgerlijke, huiselijke en conservatieve dichters en schrijvers als Willem Bilderdijk, Hendrik Tollens, Isaäc da Costa, Nicolaas Beets en J.J. ten Kate die de godsdienst, de eigen haard, de geboortegrond en het ‘Onvergetelijke Oranjehuis’ verheerlijkten.
Ten Kate zei dat de cholera het werk van God was omdat ‘God tuchtigt om te louteren’. Deze dichters domineerden wel de literatuur in het midden van de negentiende eeuw, maar ze gingen niet vrijuit. Ze kregen een satirische behandeling. In de 1798 werden de sentimentalisten in De modern Helicon belachelijk gemaakt met een winkel waar afschrikwekkend poëtisch taalgebruik en metaforen werden verkocht.
Ten Kate zei dat de cholera het werk van God was omdat ‘God tuchtigt om te louteren’.
Voor de echt gevoelige dichters waren er naar keuze liefdestranen, vreugdetranen, rouwtranen en tranen voor berouw te koop. Een kleine eeuw later waren de domineesdichters aan de beurt in Grassprietjes waarin de Tachtigers bij monde van Frederik van Eeden onder het pseudoniem Cornelis Paradijs hun allerindividueelste poëzie zonder moralistische bedoelingen opeisten, en zonder gezegend te worden door de Heer.
Het valt wel op dat Honings & Jensen schrijven dat we de domineedichters niet alleen door de bril van de Tachtigers moeten beoordelen. Dat zou ze te kort doen.
Veel vrouwelijke schrijvers deden aan dat conservatisme van Tollens c.s. mee. In 1829 schrijft Petronella Moens wat er gebeurt wanneer een talentvolle dichteres te veel tijd aan haar gedichten besteedt: dan loopt het huishouden in de soep. Een man die op zijn maaltijd moet wachten. Kinderen die gaan jengelen. Dit eindigt ‘met de volkomen ondergang van het gezin’. Wie bij de keuze tussen dichteres of moeder de dichteres kiest moet moedig zijn: ‘beschouw je dan als paria der maatschappij.’
vrouwvijandigheid
In de achttiende eeuw waren schrijvende vrouwen zo vanzelfsprekend als Betje Wolff en Aagje Deken met hun brievenroman Sara Burgerhart. In de eerste decennia van de negentiende eeuw was er sprake van uitgesproken vrouwvijandigheid. Volgens Honings & Jensen kwam dat door Jean-Jacques Rousseau die het verschil tussen mannen en vrouwen had aangescherpt met de bekende rolverdeling dat mannen rationeel en vrouwen emotioneel waren. Dat zouden ‘aangeboren eigenschappen’ zijn.
Maar later in de eeuw verdween die vijandigheid en baarden schrijvers als Mina Kruseman en Geertruida Bosboom-Toussaint opzien met romans waarin vrouwen een emanciperende rol speelden. Denk aan Toussaint met Majoor Frans (1875) en Kruseman met Een huwelijk in Indië (1873). Majoor Frans is ‘een van de meest intrigerende personages uit de negentiende-eeuwse literatuur’: een opstandige vrouw die zich als een man gedraagt en kleedt. Het was de criticus Busken Huet, een van de interessantste figuren (met Multatuli en Jacob Bellamy) in het boek, die de kwaliteiten van Toussaint wist te zien.
De vrouwvijandigheid zou komen door Jean-Jacques Rousseau, die het verschil tussen mannen en vrouwen had aangescherpt met de bekende rolverdeling dat mannen rationeel en vrouwen emotioneel waren.
Ook al ontbreekt het nodige in Romantici en revolutionairen, toch maakt het boek geen onvolledige indruk. Door de veelheid aan schrijvers, thema’s en illustraties lijkt alles aan bod te komen. Er is een evenwichtige en goed leesbare verhouding tussen overzicht, parafrasen, details en interpretatie. Er ontstaat geen revolutionair andere kijk op de periode, maar de vorm waarin alles wordt gepresenteerd (aan de hand van het type schrijverschap) zorgt ervoor dat de schrijvers minder als individu worden gezien. Ze zijn eerst ‘Realist’, ‘Genootschapsdichter’, ‘Koloniale idealist’ of ‘Byroniaan’.
Ook al gaat het in de titel van het boek over romantici en revolutionairen (die er in pure vorm weinig in voorkomen), orthodoxe conservatieven als Bilderdijk en Da Costa blijven je speciaal bij vanwege de hardnekkigheid en het ‘systeem’ in hun standpunten.
Wanneer ze de slavernij goedpraten kun je er zeker van zijn dat de koning niets slechts kan doen, dat de publieke opinie niks te zeggen heeft, dat inenten fout is, dat zwarten witten moeten dienen, dat de wetenschap zich niet over religie mag uitlaten, en dat er geen vrijheid van drukpers zou moeten zijn. Zo ontstaat een conservatief wereldbeeld. Busken Huet placht kritieken te schrijven van wel dertig pagina’s. Hij ‘executeerde’ Bilderdijk en zijn werk in negen achtereenvolgende afleveringen.
‘Kom daar nu nog eens om,’ zou Nelleke Noordervliet kunnen zeggen.
Romantici en Revolutionairen. Literatuur en schrijverschap in Nederland in de 18e en 19e eeuw door Rick Honings & Lotte Jensen is uitgegeven door Prometheus.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.