Wanneer Patrick Dassen het in zijn boek De Weimar republiek over de opmerkelijke bloei van kunst en cultuur in die wilde en gouden jaren heeft, stuit hij op een griezelig mechanisme: hoe meer het modernisme bloeide, hoe groter de weerstand het opriep. Het was de tijd van nieuwe stromingen in de schilderkunst (Die Brücke), de muziek (Schönberg), de architectuur en vormgeving (Bauhaus), literatuur (Alfred Döblin, Bertolt Brecht), van experimenten, van cabaret, satire en absurdisme (Dada). Maar hoe bloeiender die kunstvormen, hoe meer afkeer ze opriepen.
Er waren in de jaren twintig nationaalconservatieven uit de Eerste Wereldoorlog voortgekomen die de oorlog verheerlijkten en aan heldenverering deden. Aan de andere, meer linkse kant stonden de tegenstanders van die oorlog die er de waanzin en de vernietigende kracht van aantoonden. Kurt Tucholsky schreef in het linkse weekblad Die Weltbühne dat ‘de foto’s van de oorlogsverminkten tot de meest verschrikkelijke documenten’ behoorden die hij ooit onder ogen had gehad. Deze tegenstelling tussen conservatief en links, schrijft Dassen, ‘werd weerspiegeld in de kunst.’
Er ontstond een straffe haat tegen modernisme. In Weimar moest het door Harry Graaf Kessler geleide Museum voor moderne kunst sluiten door de weerstanden die het opriep bij de nog vooroorlogse elite van de stad. Op dezelfde manier moest Bauhaus verdwijnen uit Weimar bij gebrek aan steun en verhuisde naar Dessau. Er ontstond een polarisatie, een gestolde wederzijdse afkeer, een onverzoenlijkheid die de cabarets deed floreren, de satirische tekenaars (George Grosz) handen vol werk bezorgden, maar in Berlijn en steden als Dresden en Weimar voor een verharding van de sfeer zorgde. Er was een overvloed aan ‘materiaal’ voor de kunst en satire, zoals Dassen bondig samenvat. Door de tegenstellingen werd er zoveel losgewoeld en herijkt in de binnenwereld van mensen dat de kwalificatie ‘wild’ voor deze jaren maar al te zeer op zijn plaats was.
frisse haat
In die geest verscheen in 1929 de inventaris van alles wat Kurt Tucholsky in Duitsland woedend maakte: Deutschland, Deutschland über alles, geïllustreerd met de fotomontages van Helmut Herzfelde, die zijn naam voor alle zekerheid alvast verengelste naar John Heartfield. Tucholsky had toen al jaren met ‘heitere schizofrenie’ voor Die Weltbühne zijn kritische en ironische stukken geschreven over het gespleten Duitsland.
Naast zijn frisse haat ertegen bleef hij toch de taal en de landschappen koesteren. Tegen de overmacht aan conservatieven en opkomende Nazis zei hij ‘wij zijn er ook nog’, een schijnbaar bescheiden manier om op te komen voor zichzelf en zijn medestanders. ‘Wij’ dat waren schrijvers als Thomas en Heinrich Mann, Erich Kästner, Alfred Döblin, Robert Walser, Erich Mühsam, Alfred Kerr en Stefan Zweig die niets moesten hebben van ‘de orgiastische verloochening van de rede’ (Thomas Mann) door het zich steeds breder en gewelddadiger makende nationaal-socialisme.
In 1931, twee jaar na het grimmige Deutschland, Deutschland über alles, verscheen ook de ‘kasteelroman’ Gripsholm, na het ‘plaatjesboek voor verliefden’ Rheinsberg uit 1912, Tucholsky’s tweede knipogende en ironische roman. Gripsholm is zo’n roman waarin de schrijver volledig openheid geeft in wat hij aan het doen is: het schrijven van een quasi zorgeloos vakantieboek waarin alles, tot en met de vergeten komma’s, bedacht is voor verstrooiing.
Tucholsky doet het zo consequent dat hij de lezer ook inzicht geeft in zijn ingrediënten. Hij heeft zichzelf als hoofpersoon Kurt (die ook Daddy, Fritsje en Peter wordt genoemd), maar ook zijn geliefde Lydia, die meestal de prinses wordt genoemd en daarnaast de functie vervult van ‘minnares, opera buffa, moeder en vriendin’, in welke hoedanigheid zij van tijd tot tijd gebruik maakt van haar van huis uit meegekregen dialect.
Met de vrienden Karlchen en Billie bevinden ze zich ergens in een idyllische omgeving in Zweden, meer bijzonder in het gastvrije kasteel Gripsholm. Daar meenden de vrienden de tijd te kunnen ontlopen, er niet op rekenend dat de vijand zich ook naar alle plaatsen kan laten vervoeren. Zoals ‘de kleine burgerman onder wiens nette hemden een hart slaat, in de parademars.’ ‘Nee’, zegt Kurt of Fritsje, liggend in het gras met een grassprietje in zijn mond, ‘voor ons geen vakantie.’
Die verstoorde vakantie neemt de vorm aan van mevrouw Adriani, een barse gezette dame die onder veel gescheld een in de buurt van kasteel Gripsholm liggend meisjesinternaat leidt. Op een dag komen ze tijdens een wandeling een groep timide kleine meisjes tegen onder leiding van die vrouw. Elk uit de pas lopend kind wordt door haar uitgefoeterd. De kinderen mogen niet praten. ‘Ze vergalde hun wandeling waar ze maar kon.’ Aan het eind van de stoet loopt een huilend meisje.
Een paar dagen later zal ze uit het huis vluchten en bij het picknickende gezelschap van Kurt belanden. Daar komt mevrouw Adriani verhaal halen: waar bemoeien ze zich mee door zich te ontfermen over dit ‘misbaksel’ van een kind? Zij is hier de baas. Het meisje roept ondertussen om haar mammie. Die bevindt zich in Zürich. Ze sturen haar een brief nadat het meisje haar adres op een papiertje uit het internaat heeft gegooid. Het meisje moet bevrijd worden.
Er moest in deze kasteelroman iets gebeuren dat de lezer deed huiveren en een idee gaf van wat Duitsland de komende tijd te wachten stond van de rechtsconservatieven en de nationaalsocialisten.
Door het ruime landhuis raasde de woede van mevrouw Adriani. Het was haar ‘soevereine rijk’, háár wereld, waarin ze veertig kinderen kneedde en boetseerde. Ze speelde ‘een levendig, een pijnlijk, een lustvol spel’ waarin ze de meisjes sloeg en uitschold. Terwijl de vrienden proberen vakantie te houden sluipt ongemerkt mevrouw Adriani als type mens in het Weimar van de jaren twintig hun leven binnen. Deze mevrouw denkt dat ze uniek is, schrijft Tucholsky, ‘en toch had ze veel broers en zusters’ in de steeds verder oprukkende autoritaire figuren en bewegingen als de SA en SS die zwaar gelaarsd door de stad marcheerden. In zijn ‘pareltjes’ (Patrick Dassen) voor Die Weltbühne wilde Tucholsky het wel onomwonden hebben over ‘de terreur, dictatuur en onbeschoftheid’, maar in Gripsholm mocht het wat omfloerster en indirecter zijn.
Maar dat hield Tucholsky niet vol, er moest toch iets in deze kasteelroman gebeuren dat de lezer deed huiveren en dat een idee gaf van wat Duitsland de komende tijd te wachten stond van de rechtsconservatieven en de nationaalsocialisten. Aan het einde van het derde hoofdstuk krijgt Kurt een aanval van blinde woede als hij denkt aan de terreur van mevrouw Adriani. De sadistische manier waarop ze de meisjes behandelt krijgt bij hem plotseling de vorm van een visioen van een Romeinse arena waarin mensen worden verscheurd door leeuwen, terwijl het gegil van het publiek de beesten aanmoedigt: ‘bloed, wanhoop, gekerm en gebrul – mensen, lijdend, levend vlees, stuiptrekkend, in het zand zich dood spartelend.’ Het hele circus ‘baadde in wreedheid en verrukking.’ ‘Hier vloeide weg wat aan misdadige lust in de mens zat.’ Het was de wellust van het negatieve.
Zelfmoord
De lezer van Gripsholm schrikt wanneer hij ineens midden in het visioen van Kurt terecht komt. Maar hij weet, en zeker de lezer van bijna honderd jaar later die bekend is met wat er van de oplevende Weimarcultuur is geworden, dat Tucholsky er zijn motieven voor had. Dat hij in 1935 zelfmoord pleegde, was omdat hij in de jaren ervoor dagelijks was geconfronteerd met de autoritaire gruwel van Hitler en zijn aanhangers. Het waren Tucholsky’s vriend en hoofdredacteur van Die Weltbühne Carl von Ossietzky, Erich Maria Remarque en hijzelf die expliciet werden genoemd toen op 10 mei 1933 in Berlijn de boekverbranding plaatshad.
In Februari 1933, het boek van Uwe Wittstock waarin hij beschrijft wat per dag in de winter en voorjaar van 1933 in Duitsland plaatshad, citeert Wittstock wat er werd geschreeuwd toen de boeken van Ossietzky, Remarque en Tucholsky in de vlammen werden gegooid: ‘Ik geef de geschriften van Erich Maria Remarque prijs aan de vlammen. Tegen het duistere verderf van de Duitse taal, voor het behoud van het kostbare goed van ons volk! Ik geef de geschriften van Alfred Kerr aan de vlammen. Tegen de brutaliteit en de aanmatiging, voor het respect en de eerbied voor de voortreffelijke Duitse volksgeest! Verslind, vlammen, ook de geschriften van Tucholsky en Ossietzsky.’ Dit is geen kasteelroman meer.
Gripsholm. Een kasteelroman door Kurt Tucholsky is vertaald door Ard Posthuma en uitgegeven door Van Oorschot.
De Weimar republiek 1918-1933. Over de kwetsbaarheid van de democratie door Patrick Dassen is uitgegeven door Van Oorschot.
Februari 1933. De winter van de literatuur door Uwe Wittstock is vertaald door Michel Bolwerk en uitgegeven door Cossee.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.