Wanneer Maria van Rysselberghe de biografie van Jef Last had mogen schrijven zou hij daaruit te voorschijn zijn gekomen als een opwindende, amusante, ironische en altijd jeugdige jongeman die in onmogelijk Frans op de juiste momenten de verfrissendste toespraken wist te houden over de penibele culturele en politieke toestand van Europa in het midden van de jaren dertig.

Maria van Rysselberghe was de echtgenote van de Belgische schilder van pointillistische schilderijen Théo van Rysselberghe. Hij overleed in 1926. Na zijn dood ging Maria een appartement bewonen aan de rue Vaneau in Parijs, direct naast dat van de schrijver André Gide. Ook al was Gide homoseksueel met een voorkeur voor jonge jongens: ze werd zijn intieme vriend, kreeg een dochter van hem en was dagelijks om hem heen. Ze werd bekend als ‘La Petite Dame’ die in duizenden pagina’s verslag heeft gedaan van Gide’s dagelijks leven, na haar dood gepubliceerd als Les Cahiers de la Petite Dame.

briljante wervelwind

Volgens de biografie Bestaat er een raarder leven dan het mijne? van Rudi Wester treedt Jef Last geregeld in de Cahiers op en steevast in bewonderende termen. Een briljante wervelwind door wie Gide, toen hij hem tijdens een congres in oktober 1934 voor het eerst hoorde spreken, meteen zo in de ban raakte dat hij twee weken bij hem bleef logeren en hem de sleutel gaf van zijn zolderverdieping.

‘Wat een bijzondere jongen!’, schreef Gide aan Claude Mauriac, ‘Wat een toewijding! Wat een vuur! Wat een generositeit! Hij heeft nooit een cent, hoewel zijn boeken in Nederland goed verkopen, omdat hij altijd kameraden zonder onderdak om zich heen heeft aan wie hij te eten geeft en die hij onderdak brengt. Hij heeft alle beroepen uitgeoefend. Hij kent alle talen.’

Wanneer Last drie jaar later even de Spaanse Burgeroorlog ontvlucht om bij Gide op bezoek te gaan noemt La Petite Dame hem ‘moreel excellent’ en is hij ‘voortreffelijker dan ooit.’

bordenwasser in NEw York

Maria van Rysselberghe zag niet zoveel kanten van Jef Last als biograaf Rudi Wester. Die portretteert hem door de jaren heen in alle gedaanten, van hemelhoog gelukkige tot wanhopig wrak. Maar de Dame zag wel bepalende kanten. Jef Last werd het prototype van de bereisde, overal thuis zijnde schrijver in de geest van A. den Doolaard en Ernest Hemingway.

‘Thuis’ was in de wereld zijn, niet ergens twee hoog in Holland. Last kon je Chinees studerend in Leiden aantreffen, als scheepsmaat op boten, als in Amerika teleurgestelde bordenwasser in New York, als mijnwerker onder de grond in Limburg, als schrijver die in de Sovjet-Unie niet in de modder mocht werken, ook al wilde hij dat graag. Als spreker door het hele land en daar buiten. Dit soort schrijverschap meent dat je mijnwerker moet zijn geweest als je over mijnwerkers wilt schrijven. De verbeelding is voor watjes.

Zo zag Last het in 1935 toen hij ter gelegenheid van de Boekenweek het essay ‘Hoe ik tot schrijven kwam’ schreef: ‘Niet schrijven is onze eerste taak, maar strijden en leven en alleen uit die strijd en dat leven kan een waarachtige literatuur groeien.’ Dat strijden betekende dat hij zijn leven met het proletariaat ging delen en dat het niet de bedoeling was met het schrijven ‘kunst’ te geven, maar ‘agitatie’.

Hoe proletarisch Last ook wilde zijn, hij kwam uit een welgestelde familie, sprak bekakt en gedroeg zich nog steeds als het verwende jongetje dat hij als kind was geweest.

Hij bracht dat in de praktijk met romans als Marianne (1930), waarin de titelheld een moderne heilige is die aan het leven van de proletariër zin geeft en opduikt in het leven van een machinebankwerker, een boer, een ambtenaar, een hoer en een beroepsrevolutionair: ‘Allen stijgen boven zichzelf uit als ze in aanraking komen met Marianne en warm lopen voor een maatschappelijke revolutie’.

Criticus Anthonie Donker schreef naar aanleiding van deze roman: ‘Het is ontegenzeggelijk het werk van een belangrijk schrijver. Er wordt in ons land op het ogenblik vrijwel geen ander proza geschreven van zo doorleefde overtuiging en sobere aanschouwelijkheid als dit.’

Jef Last
Biograaf Rudi Wester. Foto: Maartje Geels/ANP
‘revolutionaire literatuur’

Er zat duidelijk enige reserve in de formulering ‘ontegenzeggelijk een belangrijk schrijver’ want Last wilde onomwonden dat er tendensromans werden geschreven, liefst door een collectief van ‘arbeidersschrijvers’. Daarvoor richtte hij in 1931 met wat ‘kameraden’ de Bond Links Richten op voor ‘arbeiders en schrijvers tot productie van revolutionaire literatuur’.

In het beginselprogramma schreef hij: ‘Kameraden, de tijd is rijp, de burgerlijke literatuur sterft aan haar eigen rotheid, het proletariaat hunkert naar beter geestelijk voedsel.’ Medestanders waren onder meer Geert van Oorschot, Jac. van Hattum, Joris Ivens, Gerard Vanter (de vader van Karel en Gerard van het Reve, met wie hij later in de clinch zou liggen toen hij, na vijf jaar communist te zijn geweest, door Van het Reve als ‘deserteur’ wordt beschouwd).

Dat deze revolutionaire literatuur met scepsis werd bekeken door critici die niet veel op hadden met literatuur die zo simplistisch eenzijdig was stak Last: ‘de hele kritiek is in handen van een klein vijandig groepje’. Maar het stak hem ook omdat hij wilde dat het als literatuur werd beschouwd. Hij was tenslotte een ‘revolutionaire’ schrijver die uit de bourgeoisie afkomstig was. En daar golden literaire criteria. Hoe proletarisch Last ook wilde zijn, hij kwam uit een welgestelde familie (zijn vader was Inspecteur van de Arbeid), sprak bekakt en gedroeg zich nog steeds als het verwende jongetje dat hij als kind was geweest. Altijd in de contramine.

belijdend communist

Het verhaal van Lasts leven dat Rudi Wester in solide chronologie (en prozaïsche hoofdstuktitels met jaartallen en al) vertelt is allerminst zelf prozaïsch. Het is een leven als een opera, inclusief de daarbij horende groteske overdrijvingen, de hoogtepunten in gezelschap van de groten der aarde, en de dieptepunten in de armoedigste omstandigheden.

Lang verwachtte Last het heil van collectieve actie en verdedigde de Sovjet-Unie nog in het openbaar terwijl hij er innerlijk al niet meer in geloofde.

Jef Last zou zijn hele leven een dualist worden nadat hij was opgevoed door een strenge, burgerlijke en conventionele vader en een onbezonnen, creatieve, flierefluitende moeder. Na hun scheiding brak hij met zijn burgerlijke wortels, maar daar bleef altijd iets van hangen. Hij werd wereldverbeteraar, bleef een intellectueel en was een zwerver onder de idealisten. Hij was egocentrisch, trouwde met Ida Verstijnen (zijn redster op de voorgrond en achtergrond, oprichtster van Circus Elleboog), kreeg drie dochters en was parttime en vaak voltijds homoseksueel.

Hij was een individualist die, toen hij afscheid had genomen van de ‘laffe’ sociaaldemocratie, belijdend communist werd. Lang verwachtte hij het heil van collectieve actie en verdedigde de Sovjet-Unie nog in het openbaar terwijl hij er innerlijk al niet meer in geloofde. Later, nadat hij een paar keer in de Sovjet-Unie was ontvangen, vreesde hij zelfs ‘de lange arm van Moskou’.

dominerende ambiguïteit

Rudi Wester is terecht huiverig hem te eenzijdig voor te stellen. Hij had een complex karakter waarin ambiguïteit domineerde. Ook al waren er tijden dat hij onvoorwaardelijk gelukkig was, zoals tijdens de Spaanse Burgeroorlog toen hij als commandant een compagnie leidde in de geest van de broederschap zoals hij die zich voorstelde in het ware socialisme.

Hij was ambigu omdat hij autoritair en slaafs was, meevoelend en lomp, conventioneel en burgerlijk, homo en hetero, hoge toppen bereikte en in diepe dalen afdaalde. Hij was zich daar tot op zekere hoogte van bewust: ‘Mijn continuïteit is de weg van de zelfverwerkelijking in tegendelen, de moeizame weg van de systematische twijfel. Ook ik, als Gide, durf mij een wezen van de tweespraak te noemen.’ Hij hield zich tamelijk consequent aan zijn motto: ‘Een werkelijk levend mens moet voortdurend in conflict met de maatschappij zijn.’

Hij schreef alsof de duivel hem op de hielen zat, maar er waren perioden waarin hij zich totaal leeg voelde. Hij schreef de beschamendste boeken, zoals zijn verheerlijking van de Sovjet-Unie in Het stalen fundament, maar ook het algemeen bewonderde De Spaanse tragedie. En het onuitgegeven ‘aangrijpende’ Dagboek van een veroordeelde uit de Tweede Wereldoorlog waarvan Wester zegt dat Last daarin ‘imponeert door een verbluffende beheersing en ontleding van ideeën van grote filosofen en schrijvers als Spinoza, Erasmus, Henri Bergson, Frederik van Eeden, Aldous Huxley, José Bergamín, André Gide, Meester Eckhart, Nietzsche enzovoort.’ Alles opgediept uit zijn geheugen omdat hij tijdens de oorlog op de fiets van adres naar adres trok, met zijn schrijfmachine achterop. ‘Jef zwijnde overal doorheen’.

Last constateerde na de oorlog dat er geen ‘algemeen geldende utopie’ meer bestond.

Hoe gecompliceerd ook, zijn ambiguïteit maakt Last interessant. Maar Rudi Wester ziet ook zijn minder gelukkige kanten niet over het hoofd. Hij wilde altijd bewonderd worden, net als zijn tegenstanders Koos Vorrink en Henk Sneevliet. Hij was naïef, geloofde in de goedheid van mensen en zag vaak genoeg niet dat ze achter zijn rug op zijn ondergang uit waren. Hij was irritant ijdel en gauw verongelijkt. Hij was een chronische klager. Hij kon flink drammen als hij zijn zin niet kreeg.

Altijd gedoe over geld, terwijl geld er voor de ware socialist toch niet toe deed, zoals zijn vrouw Ida zei. En hij riep tegenstand op met zijn wisselingen van standpunt. Hij had lang hoog opgegeven over de arbeidersklasse, alsof ze een religieuze grootheid vertegenwoordigde. In de arbeidersklasse kon de waardigheid van de mens gevonden worden. Maar hij maakte een ommezwaai en ging de arbeidersklasse nog slechts zien als een collectief van slaafse consumenten.

‘mensheid-socialisme’

Hoezeer Jef Last zijn hooggestemde overtuigingen ook moest bijstellen, echt gedesillusioneerd raakte hij niet. In de oorlog had hij het illegale, ‘dwarse en onafhankelijke’ blad De vonk geredigeerd (met als motto ‘Uit de Vonk zal de Vlam opslaan’), na de oorlog werd het inderdaad De Vlam genoemd.

Zijn socialisme kreeg een algemeen, internationaal accent, werd een ‘mensheid-socialisme’, niet gebonden aan enige partij, maar wel tegen dictatuur, chauvinisme, kolonialisme en antisemitisme. Hij wilde niet in termen van ‘haat en wraak’ aan Duitsland denken. Hij constateerde dat er geen ‘algemeen geldende utopie’ meer bestond. In de geest van de slogan ‘Eenheid in liefde’ schreef hij het essay Socialistische renaissance. 

De rijke biografie van Rudi Wester dompelt je onder in een geëngageerd tijdperk waarin je in het leven voortdurend te maken had met ‘gewetenskwesties’ van literaire en politieke aard, waarin denken er op aan kwam om gemotiveerd in het leven te kunnen staan. Je moest voor je idealen betalen met precaire standpunten, zoals Du Perron tegen Last zei.

Last vergiste zich een paar jaar behoorlijk, maar had het ook vaak genoeg bij het rechte eind. Hoe belachelijk Last zich soms ook gedroeg, tussen de honderd boeken in allerlei genres die hij schreef (en de ongelooflijke hoeveelheid vertalingen uit het Japans, Chinees, Russisch, Frans, Duits en Engels), licht wel degelijk het een en ander op dat het nog waard is om ons bij te lichten. Dat had Maria van Rysselberghe snel gezien.

Bestaat er een raarder leven dan het mijne? Jef Last (1898-1972) door Rudi Wester is uitgegeven door Prometheus.