Het optreden van de latere dichter Jan Eijkelboom als begin twintigjarige tijdens de politionele acties in Nederlands-Indië getuigde van zoveel ‘koelbloedigheid en doortastendheid’ dat zijn ouders daarvan in kennis werden gesteld met een ‘tevredenheidsbetuiging’. Een heuse aanslag was door zijn handelen voorkomen.

De jonge Eijkelboom had zich in een opwelling als vrijwilliger voor het Nederlandse leger gemeld. Hij wilde na de oorlog weg uit Dordrecht, ‘Slauerhoff achterna’. Na zijn gymnasiumjaren wilde hij wel eens ‘wat fysieks doen’. Voor hij werd uitgezonden kreeg hij een opleiding tot ‘technisch klerk’ en scherpschutter. Hij werd ook vertrouwd gemaakt met grote en kleine gevechtswapens, zelfs met de Bren Carrier, een kleine wendbare tank voorzien van een mitrailleur.

Van politiek had Eijkelboom geen flauw benul, schrijft zijn biograaf Kees van ‘t Hof. Van Java ‘wist hij slechts de vulkanen’. De bevolking daar moest worden beschermd tegen ‘een kleine groep opstandelingen’. Het pakte allemaal anders uit. Er hadden gruwelijkheden plaats waar Eijkelboom zich niet aan kon onttrekken. Van het door hem geleide peloton van twaalf man sneuvelden er drie, twee gingen zwaar gewond naar huis, een werd blind, een was een been kwijt, vijf waren er mentaal slecht aan toe. Eijkelboom voelde zich gevangen in de situatie, er was niets anders mogelijk dan je te laten meedrijven. De soms dagenlange levensgevaarlijke konvooien waren ‘zenuwslopend’.

aardse geest

Dat Eijkelboom pas in 1979 debuteerde met Wat blijft keert nooit terug wil niet zeggen dat hij niet al lange tijd schreef. Het was zelfs zijn ‘meest begeerde levensvervulling’ liet hij zijn vriend en dichter Jan Emmens in 1947 weten. Na terugkomst uit Nederlands-Indië schreef hij op wat hij beleefd had, en publiceerde het, met weglating van de gruwelijkheden, onder de titel ‘De terugtocht’ in 1953 in het tijdschrift Libertinage.

Het woordje ‘ik’ komt bij Eijkelboom niet voor. Hij probeerde zich ‘impliciet’ aanwezig te laten zijn in wat hij schreef.

Dat het dit tijdschrift was, dat onder redactie stond van Hans Gomperts en Huyck van Leeuwen, was tekenend. Eijkelboom had geen romantische, maar een ‘wat nuchtere benadering’ tegenover de poëzie. Dat sloot aan bij Libertinage, dat als tijdschrift de aardse geest van Forum voortzette zoals Ter Braak, Du Perron en Vestdijk die hadden uitgedragen.

Een dichter of schrijver die zijn gemoed uitstortte was Eijkelboom niet. Bij zwaarbeladen onderwerpen, zoals zijn politionele belevenissen, wilde hij de redelijkheid niet uit het oog verliezen. Het woordje ‘ik’ komt bij Eijkelboom niet voor. Hij probeerde zich ‘impliciet’ aanwezig te laten zijn in wat hij schreef. Zijn ‘aangeboren terughoudendheid’ werd een poëticale instelling. Maar, zou hij later schrijven, ook al gingen zijn gedichten over de natuur of over zijn kinderen en niet over kommer en kwel, het moest zo te doen zijn ‘dat het de mensen toch bij de keel snoert of een traan laat wegpinken, liefst van vreugde en herkenning’. Hij noemde zichzelf ‘geen tragisch figuur’. Een probleem was wel dat hij zich geremd voelde door de furore die de Vijftigers in die tijd maakten. Ook al had hij waardering voor Remco Campert en Gerrit Kouwenaar (en later voor Lucebert), zoveel experiment paste niet bij hem.

Dat niet-tragische hoorde ook bij de dichters op wie hij gesteld raakte en die hij vertaalde, zoals John Donne, Philip Larkin en William Butler Yeats. Larkin kon bij het cynische af zijn, Yeats was, ondanks zijn belangstelling voor esoterische bewegingen, een heel concreet dichter. Er was bij Eijkelboom wel enige ruimte voor tragiek, aangezien hij een regelmatige en stugge drinker was. ‘De tocht naar het café’, schrijft biograaf Van ‘t Hof, ‘was het eerste teken dat Jan zijn oorlogstrauma, zijn literaire frustraties en toekomstangsten probeerde te verzachten.’ Dat deed hij bij voorkeur in café’s waar niemand hem kende.

Eijkelbooms ‘literaire frustraties’ betroffen vooral zijn mislukkende pogingen om literair proza te schrijven. Daar wist hij niet de goede toon in te vinden. Na een jaar in Amsterdam Engels gestudeerd te hebben stapte hij over naar politicologie. Maar ook daar wist hij zijn aandacht er niet bij te houden. Hij ging vermoeden dat hij geen studiehoofd had. Hij had te veel de neiging met zijn hoofd af te dwalen, zoals zich ‘gehypnotiseerd’ te laten raken door ‘het alledaagse leven’. Hij vond het fascinerend hoe de hoofdpersoon van Albert Camus’ La peste ‘uren naar buiten staat te kijken – daar komt een tram, daar gaat een tram, nu gaan de lichten aan, dat is een ster, dit is een hond’. De hoofdpersoon ‘laat zich meetrekken door de dingen’. Dat is al vroeg een trek van Eijkelboom die zich in zijn poëzie gaat nestelen: zich ‘laten meedrijven’.

oblomov-ziekte

In de jaren vijftig werd Eijkelboom samen met Joop Goudsblom redacteur van Propria Cures, waar later ook Renate Rubinstein en Aad Nuis bij kwamen, evenals Theo Sontrop, Peter Vos en Pierre Vinken. Men wilde PC aanvankelijk danig opschudden tot een ‘militant moralistisch tijdschrijft’, maar Goudsblom voelde zich daar bij nader inzien toch ‘te relativistisch’ voor en Eijkelboom had last van gebrek aan ambitie. Hem werd door zijn ‘verloofde’ Martha Emmens lethargie en Oblomov-ziekte verweten, iets waar ook haar broer Jan aan zou lijden. Maar die had vooral veel last van depressies. Ze waren wel allemaal tegen ‘halfzachtheid’, een mentaliteit die bij uitstek werd vertegenwoordigd door de katholieke professor F.J.J. Buytendijk, schrijver van De vrouw. Haar natuur, verschijning en bestaan. De vrouw was volgens de professor vooral ‘helend en bemoedigend’ en haar moederlijke rol was vrij van seksuele drift.

Na het schrijven van een aantal artikelen over de toestand in Polen werd Eijkelboom redacteur van Vrij Nederland. Hij had Propria Cures gebruikt als stilistisch oefenterrein. Hij ging nu een ‘omgekeerde carrière’ tegemoet. Hij ging vrij snel een bepalende rol spelen in Vrij Nederland, met veel aandacht voor de kunsten: hij schreef over Wim T. Schippers, Bewogen Beweging, Provo, Gerard Reve, Marcel Duchamp en Jean Tinguely.

Aan de buitenkant was Eijkelboom een alerte en succesvolle journalist, maar van binnen ‘een getraumatiseerde Indiëganger’. Met Fritzi Harmsen van Beek kreeg hij in die tijd kort een verhouding. Die werd door haar in een prachtige brief beëindigd: ‘Eigenlijk is er niets verdrietigs aan om verwoesting en wanorde weg te houden van kleine kinderen en mensen waar je werkelijk van houdt’.

Kees van ‘t Hofs biografie geeft een zorgvuldig en geschakeerd beeld van Eijkelbooms toch niet-tragische leven.

Na acht jaar nam hij tamelijk abrupt ontslag bij Vrij Nederland. Omdat hij inmiddels een gezin had moest er toch geld in het laatje komen. Dat gebeurde toen hij voorlichter werd van de gemeente Dordrecht, zijn geboorteplaats. Dat kon niet lang duren omdat hij er maar niet achter kwam wat hij precies moest doen. Hij werd buitenlandredacteur van Het Vrije Volk, daarna een jaar hoofdredacteur van De Dordtenaar. Deze banen zorgden voor wat men ‘de minder gelukkige jaren’ van Eijkelboom is gaan noemen. Zijn drankgebruik ging ontwrichtende vormen aannemen, ook in zijn huwelijk.

jezelf vernieuwen

Kees van ‘t Hof weet door zijn biografische excursies het nodige inzicht in Eijkelbooms poëtische ontwikkeling te vlechten. Eijkelboom wist de nuchterheid van Philip Larkin vast te houden. Maar grote gevoelens wisten bij Eijkelboom wel door het pantser heen te breken, soms in treffende beknoptheid:

‘Mijlen leg ik soms af
snachts in dit grote huis

(…)

het meest nog in mijn hoofd
dat maar niet thuis wil raken.

Het lukte Eijkelboom om te voldoen aan zijn eigen ‘ouderwetse criterium’ voor de waarde van een gedicht: dat er geschreven wordt wat de dichter werkelijk denkt, ‘niet wat acceptabel is, niet wat mijn favoriete intellectueel in zulk een situatie zou denken, niet wat ik wou dat ik voelde. Alleen maar dat waarvan ik het niet kan helpen dat ik het denk’.

Jan Eijkelboom behoort tot de school Ed Leeflang, Rutger Kopland, Judith Herzberg, Jan Emmens en Hanny Michaelis, dichters die dicht bij de aarde proberen te blijven en ruimte maken voor het verrassende van dagelijkse dingen. Hoe ouder hij ook werd, Eijkelboom behield het vermogen ‘om mensen en dingen buiten de tijd te plaatsen’. Zoals in deze evocatie van jezelf vernieuwen:

als de man in de herfst die zichzelf
op een te lange schaduw betrapte
en die achter zich liet door gewoon
op het licht af te stappen.

Eijkelboom wilde ‘de tijd overwinnen’, reden waarom hij nog laat een nieuw gezin stichtte. Zijn gelukkige jeugd was zijn goudmijn, daar vergeleek hij alles mee. Zijn jaren in Nederlands-Indië waren een stoorzender, die zorgden voor zijn gevoel mislukt te zijn, voor zijn ongedurigheid, voor snel verveeld te zijn, voor niet tegen ‘grijs’ te kunnen, voor nerveus worden van regelmaat, voor behoefte aan ‘chaos’ op zijn tijd.

Maar hij wist zich altijd weer met zijn haren uit het moeras te trekken (‘we zijn onze eigen therapeuten’), zijn redelijkheid terug te krijgen en, zoals de Amerikaanse dichter Robert Lowell zei, zijn ‘skill and trained concentration’ terug te vinden. Hij werd uiteindelijk bijna bedolven onder eerbetoon. Kees van ‘t Hofs biografie geeft een zorgvuldig en geschakeerd beeld van Eijkelbooms toch niet-tragische leven. Hij ontkwam aan een etiket: hij was geen vernieuwer en geen traditionalist. Hij was Eijkelboom.

Nooit het hele hart. J. Eijkelboom. Een biografie door Kees van ‘t Hof is uitgegeven door De Arbeiderspers in de reeks Open Domein.