Rüdiger Safranski, de Duitse filosoof en biograaf van Nietzsche, Goethe en Heidegger, is doorgaans niet zo geneigd algemene cultuurkritiek te leveren wanneer hij een poging doet een diagnose te stellen voor de huidige cultuur. Hij doet het bijna terloops. In zijn nieuwe boek Eenling zijn ziet hij de mens niet als een wezen in een collectief, maar als iemand op zichzelf, als een eenling. Dat wil zeggen: de mens allereerst als individu. Dat, de mens allereerst als individu zien, is niet meer zo vanzelfsprekend in een tijd waarin eerder structuren, verbindingen, groepsidentiteiten en de paradox van het collectieve-individualisme worden erkend als typerend voor onze tijd.
Het is nauwelijks kritiek en eerder een onvermijdelijke constatering wanneer Safranski schrijft: ‘Nooit eerder zat de maatschappij de eenling zo op de huid als vandaag de dag, ze dringt met haar digitale spoken door tot in ieder hoekje van de ziel’. Los van of die digitale spoken niet ook voor veel voordelen en genot hebben gezorgd, de constatering dat de digitale wereld in elk hoekje doordringt, is moeilijk te weerleggen. De digitale interventie dreigt voortdurend uit de hand te lopen.
Het ‘eigene’, dat wat aan kennis, gevoelens, ervaring en weten in iemand zit, wordt verdrongen door het grote verstrooiende aanbod.
Safranski’s boek gaat over de wenselijkheid van het beschermen van een ‘eigen domein’ in je hoofd, in je binnenste, in je ziel, of hoe de ruimte ook maar te noemen waar je rustig met jezelf alleen kan zijn. Door de vele mogelijkheden om afgeleid te worden, door de zich hardnekkig aandienende verleidingen, raakt het innerlijk, het eigen geestelijke domein, gekolonialiseerd, in beslag genomen. Er is, zoals het heet, geen of weinig ruimte meer voor de eigen belevingswereld. Door het grote aanbod, schrijft Safranski, ‘loopt het eigene gevaar gedevalueerd te worden’.
Het ‘eigene’, dat wat aan kennis, gevoelens, ervaring en weten in iemand zit, wordt verdrongen door het grote verstrooiende aanbod, raakt uit zicht. Met het gevaar dat men, met een archaïsch woord uit de jaren zestig en zeventig, ‘vervreemd’ raakt van zichzelf, het contact verliest met de eigen gedachtewereld, voorkeuren, passies en emoties.
Een achterkamer in het hoofd
Deze algemene opmerkingen over de rol van ‘eigenheid’ (een lelijk woord) in de samenleving maakt Safranski in de intermezzo’s tussen de hoofdstukken waarin hij de specifieke ‘eigenheden’ behandelt van Luther, Montaigne, Rousseau, Diderot, Stendhal, Kierkegaard, Stirner, Arendt, Heidegger, Sartre en Ernst Jünger. Het woord ‘eigenheid’ is makkelijk neergeschreven, maar in werkelijkheid hebben we het over iets waar deze denkers en schrijvers hun hele leven mee hebben geworsteld. Het was de bron van waaruit ze leefden. Het was de vrije ruimte waar zich hun creativiteit bevond.
Montaigne werd het genie van het denken op eigen houtje.
Om zich af te sluiten, te kunnen denken en zijn essays te schrijven moest Montaigne ervoor zorgen dat hij een ‘achterkamer’ in zijn hoofd kreeg waar hij ongestoord zijn gedachten los kon laten, vrijzwevend. Fysiek werd dat zijn vermaarde torenkamer die tot symbool werd van de zich afzonderende denker zonder wereldvreemd te worden. Montaigne wilde goed onderdak vinden bij zichzelf. Hij werd het genie van het denken op eigen houtje.
Bij Sartre ontstond die vrije ruimte in de begintijd van het existentialisme (begin van de jaren veertig, nadat hij uit krijgsgevangenschap was gekomen). Hij was alleen goed ‘in het niet’, dat wil zeggen wanneer er niets meer in zijn hoofd zat en hij helemaal vanuit het niets kon scheppen, wat het bijhouden van zijn dagboek betekende. Vanaf dat lege punt kon de existentie beginnen. De krijgsgevangenschap veranderde Sartre van een individualistische eenling in een geëngageerde schrijver en filosoof, iemand die bereid is niet minder dan het gewicht van de wereld te dragen. Maar zonder de vrijheid prijs te geven.
denkend tweegesprek
Elke denker en schrijver moet onvermijdelijk op een of andere manier op zichzelf gericht zijn om te kunnen denken. Safranski stuit daardoor op de verschillende manieren waarop men dat deed. Psychologie en filosofie gaan door elkaar lopen: de manieren waarop men op het eigen denken en gevoelens betrokken is krijgen namen als narcisme (Stefan George), egoïsme, egotisme (Stendhal), amour-propre (Rousseau), eigenliefde (amour de soi). Maar er zijn ook vormen die minder met iets negatiefs geassocieerd worden, zoals bij de politicoloog Max Weber die had te worstelen met een ‘innerlijke demon’, een opspelend geweten dat hem lastig viel.
Egotisme is op een onvermijdelijke manier aan zichzelf gekluisterd zijn.
Of door zakelijker naar ‘het leven van de geest’ te kijken, zoals Hanna Arendt in een gelijknamig boek deed. Arendt beschrijft heel plastisch de dualistische aard van het denken: denken bestaat uit een werkzame twee-eenheid: het ik is met zijn zelf in gesprek. Het zijn twee instanties. Het is een denkend tweegesprek, een innerlijk gesprek, waarvan de een niet alleen het karakter van een geweten heeft, maar ook klankbord is, criticus, controleur, fact checker en, wat Safranski noemt, ‘de verinnerlijkte maatschappelijke moraal’.
De manier van omgang met het eigen innerlijk werd door de Franse schrijver Stendhal zijn ‘egotisme’ genoemd, niet te verwarren met het ordinaire egoïsme. Egotisme is op een onvermijdelijke manier aan zichzelf gekluisterd zijn. In het geval van Stendhal om bij het schrijven van zijn autobiografie Het leven van Henry Brulard zo eerlijk mogelijk tegenover zichzelf te zijn, niets ontziend (‘Ik probeer die waarheid te bereiken die mij steeds weer ontsnapt.’) Iets dergelijks wilde Rousseau ook in zijn Bekentenissen, maar bij hem liep het uit op een vergoelijking van zijn slechte daden.
God waard
Safranski begint zijn boek met Luther als degene die alle kerkelijke conventies wegschoof en zichzelf alleen tegenover God opstelde. Hij moest God waard worden. Helaas bedacht hij ook dat de mens zijn eigen uitverkiezing niet kon beïnvloeden, maar afhankelijk was van de genade die van boven kwam. Het blijft absurd om te lezen dat zo’n van zichzelf vervuld iemand als Luther zich zo afhankelijk maakte van de grillige genade.
Tussen de filosofen en schrijvers die Safranski behandelt bevindt zich ook de intrigerende figuur van Max Stirner, de schrijver van het boek met de verbeeldingsrijke titel Der Einzige und sein Eigentum (1844). Het interessante aan die titel is dat ‘eigendom’ niet Stirners landgoed, bankrekening, kunstcollectie betrof (die had hij niet), maar zichzelf. Heel het boek gaat er over dat Stirner zich bevrijdt uit de burgerlijke samenleving en niet wil dat hij in beslag genomen wordt, geestelijk onteigend wordt: hij wil eigenaar van zichzelf blijven. Het was ook de tijd waarin grote massa’s opkwamen. Daar wilde hij geen onderdeel van worden. Hij wilde een eenling zijn. Daarom heeft hij ‘zijn zaak op niets gesteld’. Dat was de voorwaarde voor ‘scheppende vrijheid’. De complete vrijheid van Stirner bezorgde Karl Marx hoofdpijn. Stirner was dan wel omgeven door het aura van de ‘verstotene’, maar hij was wel soeverein.
Je valt van de ene denkwereld in de andere in Eenling zijn, waardoor de ene denker de neiging heeft de ander uit te wissen. Niet iedereen zou ik, anders dan Safranski, een eenling noemen. Stendhal en Diderot hebben te veel sociale talenten naast hun vermogen contact te houden met hun ‘innerlijk’, dat ze naast pure eenlingen als Kierkegaard en Stirner buiten mededinging raken. Dat de eenling niet eerder zo op zijn huid wordt gezeten door de maatschappij toont Safranski overtuigend aan.
Eenling zijn. Een filosofische uitdaging door Rüdiger Safranski is vertaald door Wil Boesten en uitgegeven door Atlas Contact.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.