Elk jaar gaat de filosoof Hans Achterhuis naar Zuid-Frankrijk om aan het Centre Erasme een cursus filosofie te geven. Zijn vrouw, die hem gezelschap houdt, zoekt steeds een route uit die hen langs menige abdij, kerk of kathedraal voert. Dat brengt hen in plaatsen als Pontigny, Fontenay of Vézelay waar ze de basiliek Sainte-Marie-Madeleine bewonderen. Als veteranen waren ze natuurlijk al in Cluny geweest voor de kathedraal der kathedralen, de opmaat om alle andere aan te spiegelen.
Elk jaar raakt Achterhuis weer onder de indruk van de culturele rijkdom waarvoor het christendom heeft gezorgd. Door deze afdaling in de geschiedenis, gecombineerd met de lectuur van Larry Siedentops deels in de middeleeuwen spelende boek Inventing the Individual, dringt het nog eens tot hem door hoezeer hij zijn ontstaan als modern individu te danken heeft aan, wat hij noemt, ‘de doorwerking van de Bijbelse boodschap’.
god, breng de zondaars om
De Bijbelse boodschap is het tegendeel van gewelddadig, schrijft Achterhuis in Geloof in geweld, zijn boek over het aandeel van het geweld in het christendom, de islam, het jodendom, boeddhisme, hindoeïsme en in politieke religies als communisme en fascisme. Die boodschap wordt kernachtig samengevat in de woorden ontleend aan Jesaja: beoefen gerechtigheid, help de verdrukten, bevrijd de gevangenen, deel brood en kleding met de armen en neem vluchtelingen op. Dit is zonder twijfel een boodschap van de Bijbel. Maar niet de enige. In Psalm 139 lezen we de aansporing: ‘God, breng de zondaars om’.
Niet voor niets huivert elke lezer bij de passage over Abraham.
In de Bijbel is ook te lezen dat Abraham bereid was het bevel van God op te volgen om zijn zoon Isaak te offeren. De Israëlische schrijver Amos Oz vond dat Abraham dit had moeten weigeren. Hij ‘faalde’. Volgens Achterhuis had Abraham geen keus. Hij behoorde tot een religieuze groep waarin het ondenkbaar was dat hij God niet zou gehoorzamen. Bepaalde gedragingen zouden in die groep moreel vanzelfsprekend zijn. Zit het zo? Als het vanzelfsprekend was geweest zou het offeren voor Abraham geen ‘beproeving’ zijn geweest. Dan werd hij niet door God ‘getest’. Er zou al voor hem beslist zijn. Niet voor niets huivert elke lezer bij deze passage en hebben we hier te maken met een vroeg, misschien wel het eerste geval van religieus geweld.
zondebokken, heksen en ketters
We zijn omgeven door zoveel geweld dat inspiratie ontleent aan religies dat het is alsof er al lang en breed een boek is waarin dat wordt beschreven. Maar zo’n boek was er tot Geloof in geweld van Achterhuis niet in het Nederlands. Wel waren er de brede en grondige achthonderd pagina’s van Met alle geweld (2008) van Achterhuis zelf, maar daarin werden de religies niet afzonderlijk behandeld.
In Geloof in geweld waaiert Achterhuis breed in de geschiedenis uit, van kannibalisme, mensenoffers en martelaren naar zondebokken, heksen en ketters. Die kregen allemaal te maken met religieus geweld. Het is een misdadig doopceel waarbij hele beschavingen als de Inca’s en de Azteken ten onder zijn gegaan aan de bloeddorst en arrogantie van avonturiers met weinig hersens. Er hebben aan de lopende band godsdienstoorlogen plaats en de Spaanse Inquisitie staat zelfgenoegzaam klaar om elke geloofsafwijking af te straffen.
De ogen van vroeger
Interessant en het boek extra boeiend makend, is dat Achterhuis veel van literatuur gebruik maakt. Hilary Mantel, Margaret Atwood, Fjodor Dostojevski, Amos Oz, Michel Houellebecq, Thomas Mann, Albert Camus, Guus Kuijer, Isaak Babel, J.M. Coetzee en een reeks anderen zorgen voor inzicht vanuit de literatuur. Je ziet in hun romans het thema van Achterhuis’ boek geleefd worden, het zijn beeldende illustraties bij zijn geschiedenis en zijn theorie.
Achterhuis wil begrijpen hoe religies die beweren het beste met de mensheid voor te hebben kunnen ontsporen, wat daarvoor in een geloof de ruimte biedt. Grote religies als het christendom en de islam geloven in één God en één waarheid. Is dat het geval dan is het conflict en het geweld ingebakken. Aan die ene waarheid zitten regels, geboden en gewoonten vast die op gespannen voet staan met de regels en geboden van anderen. Die zeggen dat je als vrouw binnen moet blijven. Die zeggen dat je zondags twee keer naar de kerk moet.
Monotheïstische religies die echt op hun strepen gaan staan, zoals het geval is met de fundamentalistische takken van de islam, zijn een scherp contrast gaan vormen met de tolerantie en het pluralisme in het Westen. Hier is het waterbed aan het werk. Wordt de religieuze inspiratie in het Westen minder, dan wordt hij in het Midden-Oosten groter. Met veel bloedig geweld eist de Pakistaanse radicaal islamitische partij TLP nu van de regering van Imran Khan dat heel Frankrijk wordt geboycot vanwege de cartoons die vorig jaar in Charlie Hebdo hebben gestaan. President Macron verdedigde die toen als vrije meningsuiting.
‘Veel “gewone” gelovigen wilden zich verbonden voelen met een levende, persoonlijke God, en deel uitmaken van een gemeenschap van betrokken belijders.’
Bij het traceren van geweld in het verleden van religies wordt Achterhuis geconfronteerd met het onder historici bekende en beruchte verschijnsel dat hij niet met een moderne bril, een bril van nu, naar de geschiedenis wil kijken. Achterhuis worstelt ermee, maar is sterk geneigd met de ogen van vroeger te kijken, zoals in het geval van Abraham.
Wanneer Guus Kuijer het verhaal over Daniël hervertelt die in de leeuwenkuil wordt gespaard, maar voor wie collega’s, vrouwen en kinderen in de plaats in de kuil worden gegooid, laat hij Daniël vragen ‘Waarom greep God niet in?’. Achterhuis noemt dat een vraag van een modern mens wiens maag omdraaide bij het zien van de gillende vrouwen en kinderen in de kuil. Maar in de Bijbel wordt het gewoon gevonden, ‘daar lijkt God juist verheerlijkt te worden om de dood van onschuldigen’.
Dat Achterhuis zijn moderne gevoel niet op de Bijbel wil projecteren moet te maken hebben met het krediet dat hij religies en met name het christendom wil laten behouden als een weldadig geloof dat zich weet te vernieuwen en al die gewelddadigheden in de Bijbel beschouwt als iets van vroeger, niet meer van deze tijd. Door zijn grote vertrouwdheid met de verhalen in de Bijbel is goed te merken dat Achterhuis ooit is opgeleid tot theoloog. Hij is zelf niet meer religieus, maar neemt wel de verdediging op zich van de weldadige kanten van de religie. Al was het alleen maar door zich af te zetten tegen de ‘toch wel elitaire aanhangers van de secularisatietheologie’. Die miskenden met hun blijde boodschap van de dood van God ‘hoezeer veel “gewone” gelovigen zich verbonden voelden met een levende, persoonlijke God, en deel wilden uitmaken van een gemeenschap van betrokken belijders.’
het fatale jaar 1979
Achterhuis is het eens met Hans Boutellier, de schrijver van Het seculiere experiment, dat onze moderne seculiere maatschappij, vergeleken met meer traditioneel religieuze samenlevingen, zeker niet aan misdaad en geweld ten onder gaat. Maar daar staat hij ook weer niet bij te juichen. Hij juicht niet dat grote groepen mensen hun religieuze zekerheden verloren. Ze hadden letterlijk geen vaste grond meer onder hun voeten. De slinkende kerken brachten de boodschap van medemenselijkheid en naastenliefde steeds minder. Dit werd een onbetaalde rekening die de leeglopende kerken werd gepresenteerd in de vorm van fundamentalismen, die reikten wél de verlangde antwoorden aan.
Achterhuis’ zorg voor de ‘gewone gelovigen’ neemt niet weg dat hij ‘verbijsterd’ is over het feit dat de religie en God de politiek in het groot en het klein weer mee aan het bepalen zijn. In Rusland, Turkije, Polen, Frankrijk, Indonesië, Amerika en India: ‘God is niet dood, hij leeft meer dan ooit,’ schrijft Achterhuis in zijn laatste hoofdstuk. Maar die terugkeer van de religie in de gedaante van het fundamentalisme maakt onze wereld ‘meer en meer kapot’ leert Achterhuis van een schrijver op wie hij zich in Geloof in geweld vaker beroept: Amin Maalouf, de Frans-Libanese schrijver van Le naufrage des civilisatons (Schipbreuk der beschavingen).
Achterhuis volgt de levensloop van Maalouf en stuit daarbij op ‘het fatale jaar 1979’, het jaar waarin het geweld escaleerde en alles verkeerd begon te gaan: Khomeini komt aan de macht in Iran, Carter bewapent het moslimverzet tegen de communisten in Afghanistan, moslimjongeren bezetten de Grote Moskee in Mekka, Margaret Thatcher begint haar conservatieve revolutie en president Bhutto wordt opgehangen in Pakistan.
Maar hoe onontkoombaar het jaartal 1979 en deze feiten ook de geschiedenis hebben bepaald, Achterhuis heeft als bewonderaar van Hannah Arendt altijd een uitweg die hem hoop geeft. Arendt heeft het begrip ‘nataliteit’ gemunt, dat er steeds weer geboren wordt zodat de wereld met elke geboorte weer opnieuw kan beginnen. Achterhuis wijst er op dat er altijd keerpunten in de geschiedenis zijn waarop de richting niet vastligt, dat het aan de goede keuze ligt hoe er verder gegaan wordt. Er is geen dwang van de geschiedenis zoals Hegel dacht. Een richting kan een nieuw begin inhouden.
Met Ivan Illich, een van zijn leermeesters, vindt Achterhuis dat de christelijke religie ‘het beste’ is dat de mensheid ten deel is gevallen. Deze ontboezeming is onderdeel van de betrokkenheid waarmee Achterhuis zich in het religieuze geweld heeft begeven. Geloof in geweld is geen koel exposé, Achterhuis laat openlijk zien hoe hij aan zijn kennis komt, wat hij ervan nodig heeft, wat hij gebruikt en of het adequaat is om een ontwikkeling of verschijnsel te beschrijven of te verklaren. Achterhuis ‘worstelt’ geregeld met zijn kennis en inzicht en zegt dat ook. De lezer participeert bijna in zijn kennisverwerving.
Ondertussen is de conclusie: overal waar religie en politiek verbonden worden is de kans op pervertering, op bederf en geweld, groot. Kerk en staat moeten gescheiden zijn, anders zit de worm van meet af aan in de appel.
Geloof in geweld door Hans Achterhuis is uitgegeven door Lemniscaat.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.