Had Mijn vaders hand ook Mijn eigen hoofd kunnen heten? Gedurende de vierhonderd pagina’s van Mijn vaders hand hangt de vraag boven het boek in hoeverre de speciale hersens van de hoofdpersoon Bart Chabot de losse handen van zijn vader uitlokken.

De vraag is met wat voor soort kwajongensstreken we hier te maken hebben: is het ondeugd of is het rottigheid, zit hij met zijn wonderlijke kop opgescheept of is hij eenvoudig een etter? Er zijn streken die zich makkelijk in de categorie ondeugd laten vangen, zoals de keer dat hij een stapel eierdozen omkiepert om te kijken of ze allemaal wel vol zijn. Maar heel iets anders is dat hij een bankenvelop van een lerares openmaakt en aan de klas meedeelt dat ze rood staat. Of ze niet wat geld willen lappen om haar nood te lenigen.

Er zit zonder meer iets kokets in deze autobiografie. Chabot kan over zijn ontsporingen met tevreden kwinkslagen vertellen, zichzelf verontschuldigend voor zoveel jeugdige onbezonnenheid. Er zit iets verlekkerds...