De onvolprezen Latijnse dichter Ovidius, de schrijver van de Metamorfosen en de Ars Amatoria, was in het prille jaar 8 van onze jaartelling net vijftig toen hij door keizer Augustus uit Rome werd verbannen naar een uithoek van het Romeinse rijk. Hij kwam terecht in Tomis (het huidige Constanta), een plaats aan de kust van de Zwarte Zee in wat nu Roemenië is.
Reden om er flink de pest in te hebben, zou je denken, maar Ovidius heeft zich nooit persoonlijk over Augustus beklaagd. Waarom hij werd verbannen is altijd onduidelijk gebleven. Het zou om een verkeerd gevallen gedicht zijn geweest en om iets dat hij had gezien en niet had mogen zien. Dat zegt hij zelf in de gedichten over zijn verbanning, zijn Treurzangen (Tristia). Hij was treurig omdat hij zich daar omgeven voelde door barbaren en zijn vrouw miste, die in Rome achter had moeten blijven.
Beroerd karakter
Het was een hard gelag voor de erudiete en vrolijke Ovidius. Hij had het er moeilijk mee omdat Augustus ook aan een soort morele herbewapening was begonnen. Daar moet zijn verbanning een onderdeel van zijn geweest. Maar het schrijven bleef hem heel goed afgaan, getuige een lang gedicht dat nooit veel aandacht heeft gekregen, maar dat wat betreft genre, inventiviteit en felheid zijn weerga niet kent: Ibis, een zo’n zeshonderd regels tellend gedicht dat je het best virtuoze agressie-poëzie kunt noemen. ‘Scheldpoëzie’ zou te banaal zijn. Het is genoemd naar de ibis, een Egyptische vogel met een even beroerd karakter als de persoon tot wie het gedicht is gericht. Het is nu in het Nederlands vertaald door Christiaan Caspers, nadat het voor het laatst in 1678 was vertaald door Abraham Valentyn. Het is jammer dat Gerrit Komrij er niet meer is, het lijkt voor hem geschreven.
Snijdende hexameters
Ibis is een gedicht waarin iemand frontaal wordt aangevallen met alle denkbare invectieven, van ‘schoft’ tot ‘hellegeest’ en ‘uitschot’: niemand laat om jou een traan, / de beul schopt onder algemene bijval je kop opzij en hangt je kreng aan de haak. Het hele gedicht is één ‘vervloeking’ en ‘verwensing’ gericht aan iemand die een vertrouwensbreuk op zijn kerfstok heeft. De persoon om wie het gaat, wordt zo veracht dat zijn naam niet eens genoemd wordt: Mijn haat, die is gereserveerd voor wie mij / in mijn afgang nog heeft nagetrapt.
Het is een persoonlijke afrekening, maar in beproefde stijl.
Pas als de dichter de rook van zijn crematie heeft gezien, dán pas kan ik vergeten wat je me aandeed / en verjaart mijn haat voor jou – jij schoft. Hij voert zijn oorlog tegen die figuur in snijdende hexameters: In de onderwereld woon je ver van de /zaligen, bij het uitschot, waar je hoort / (…)Daar zullen hellevegen je flanken kastijden / even zo vaak als jij je misdaad bekent, /addergebroed aan je striemen laten likken, / je smeulende wangen verhitten tot kokens toe, / duizenden folteringen zal Aeacus voor je / schim verzinnen, vindingrijk als hij is, / hij zal de zondaars van weleer ontlasten / en hun kwellingen overdragen op jou.
Afgesneden edele delen
In een alleraangenaamst ritme wordt hier iemands reputatie gewurgd. Ovidius laat een hele schare mythologische figuren met hun kwalen, ziekten en zorgen opdraven om er zijn vijand mee te belasten: die krijgt de steen van Sisyfus, de etterende wonden van Philoctetes, de val van Bellerophon van zijn paard, de blindheid van de loslippige Phineus, de afgesneden edele delen van Saturnus’ vader, tot en met de kwellingen van Tantalos. En mocht hij denken dat hij van Ovidius verlost zal zijn als die dood en begraven is, dan heeft hij pech: dan zal Ovidius zijn leven nog steeds komen vergallen, ‘als spook’. Hij zal hem nergens met rust laten.
Wie zien hier een staaltje gestileerde woede uit de klassieke oudheid. Zo onomwonden kom je het niet vaak tegen. Het is een persoonlijke afrekening, maar in beproefde stijl. Dat in de literatuur over Ibis is gesuggereerd dat het hele gedicht niet meer dan een stijloefening is geweest en dat ‘Ibis’ de naam is van een niet bestaand iemand, laat ik aan de latinisten. Hoe dan ook is het een scherp getande poëtische filippica waarin woede een sterke vorm heeft gekregen: de aarde braakt je kadaver uit, / aaseters houwen hun klauwen in je weke / delen, gulzige honden scheuren je vlees, / wilde beesten, laat dat je eer zijn, / zullen strijden om een hap van je lijk.’
Huiverig voor emoties
Ovidius (43 v.Chr.-17 n.Chr.) was iets te oud om nog een tijdgenoot van Seneca (4-65 n.Chr.) te kunnen zijn. Die laatste schreef een traktaat over woede (Ira) dat haaks staat op de animo waarmee Ovidius zijn woede in Ibis uitleeft. Ovidius en Seneca zijn tegengestelde karakters. Ovidius is de onbeschaamde epicurist, Seneca is de stoïcijn der stoïcijnen. Hij vond woede iets van onderontwikkelde zielen met te weinig zelfbeheersing.
Woede is nu door de Historische Uitgeverij samen met Clementie (een ander traktaat van Seneca) uitgegeven en vertaald door Piet Schrijvers. Het is een honderd pagina’s tellende analyse van het verschijnsel, vol nuances, anekdotes, voorbeelden en persoonlijke terzijdes. Seneca mag iemand zijn geweest die emoties stoïcijns buiten de deur wilde houden, maar dat is niet ten koste gegaan van de levendigheid van zijn traktaat.
Controle, beheersing, matiging, geestkracht: dat waren de uit mensen zelf voortkomende eigenschappen waarmee je woede te lijf kon gaan.
Seneca draaide er niet omheen: mensen waren onberaden slaven van de hartstochten. Niet de geboden van een religie moesten daartegen in het geweer worden gebracht, maar zelfkennis, eigen stuurmanskunst, zelfbeheersing en geestelijke vermogens. Aristoteles vond woede onontbeerlijk omdat woede het hart vervulde en de geest van vuur voorzag, maar Seneca weet je woede aardig tegen te maken. Hij vindt het een onaangenaam gezicht iemand de controle te zien verliezen, te zien sidderen, hijgen, tanden te horen knarsen, ogen te zien flakkeren, gewrichten te horen piepen, haren te berge te zien rijzen. Woede maakt kwetsbaar. Controle, beheersing, matiging, geestkracht: dat waren de uit mensen zelf voortkomende eigenschappen waarmee je woede te lijf kon gaan.
Dat mensen het bij Seneca allemaal met hun eigen verstand moeten doen en niet ‘samen’, verleent hem voor mij aardig wat krediet. Maar Seneca is wel erg huiverig voor emoties. Het is bij hem een droge boel. Het verstand is alles bij Seneca. Het kan bij hem meedogenloos zijn. Het is een soort burcht, onneembaar voor elk gevoel. Een gevoel heet al snel ‘heetgebakerd’ en wordt vanaf de kantelen zonder meer in de slotgracht gedumpt: ‘Emotie valt snel weg, verstand is gelijkmatig.’
Tijd van woede
Met het officiële recht op demonstratie hebben woede en boosheid inmiddels een vaste plaats gekregen in de samenleving. Maar als psychologisch fenomeen blijft het behelpen. Wat leren Ovidius’ Ibis en Seneca’s Woede ons nog na tweeduizend jaar?
Seneca ging niet slapen voordat hij met zichzelf de dag had doorgenomen, zijn woedegehalte had vastgesteld en zichzelf zo nodig ernstig had toegesproken. Dat is niet iets wat je in deze ‘tijd van woede’ veel ziet, daarvoor is de hele samenleving te verhit geraakt door cruciale conflicten, van Black Lives Matter tot de soevereiniteit van Hongkong, van de clashes in Wit-Rusland tot de boze boeren.
Woede is een unieke maar vergeefse poging iets te elimineren dat zich niet laat marginaliseren. Het gedicht van Ovidius laat zien dat na een staaltje gestileerde woede ‘de hemel opgelucht weer opklaart’.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.