Het menselijk tekort is een van de sterkste titels uit de wereldliteratuur. Hij werd in 1933 door E. du Perron gegeven aan zijn vertaling van de roman La condition humaine van André Malraux. Daarin worden de belangrijkste personages met zichzelf geconfronteerd in situaties waarin ze hun twijfel en eenzaamheid moeten overwinnen om helse beslissingen te kunnen nemen.

‘Het menselijk tekort’ is een eigen leven gaan leiden door het gebrek aan zekerheid over de juistheid van beslissingen. Mensen krijgen te maken met dilemma’s waar eigenlijk niet uit te komen is behalve door geforceerd een besluit te nemen. Dat is de menselijke conditie: op cruciale momenten niet veel zeker te weten.

Kees Vuyk, die vorig jaar met Oude en nieuwe ongelijkheid de Socratesbeker kreeg voor het beste filosofieboek, heeft zijn nieuwe boek De feilbare mens genoemd, een titel verwant aan Het menselijk tekort.

Het mag van grote wijsheid getuigen te beseffen dat de mens gedoemd is te falen, het is niet erg bemoedigend om dan aan iets te beginnen.

Kun je bij ‘het menselijk tekort’ nog denken dat de mens niet altíjd tekort schiet, bij Vuyk is de mens ‘gedoemd tot falen.’ Alle menselijke vermogens, schrijft hij, ‘zijn immers beperkt, zowel zijn vermogen de wereld te begrijpen en te kennen als zijn vermogen om in te grijpen en haar te veranderen.’

Dat falen heeft zijn grenzen, lijkt mij. Gegeven al zijn beperkingen slaagt de mens er toch geregeld in om iets tot stand te brengen dat een duidelijke verandering teweegbrengt die door de bank genomen positief uitwerkt. Te denken valt aan de uitvinding van de trein of van de antibiotica.

succes is de norm

Voor Kees Vuyk is het falen ‘een grondconditie.’ Die grondconditie is de hedendaagse mens aan het vergeten omdat ‘succes nu de algemene norm is, falen de afwijking.’ Dat mag zo zijn, en ik zal het niet tegenspreken, maar waarom moet Vuyk, en met hem vele anderen, op één grondconditie uitkomen? Waarom bestaat die grondconditie van de mens, gegeven het feit dat hij elke dag wakker wordt om door te leven, niet óók uit het verlangen en de ambitie om te slagen, om iets tot stand te brengen, iets dat blijft?

‘Inzien van de eigen grenzen, en leren daarmee om te gaan, is de eeuwen door de kern van alle wijsheid geweest’, schrijft Vuyk.

Het mag van grote wijsheid getuigen te beseffen dat de mens gedoemd is te falen, het is niet erg bemoedigend om aan iets te beginnen in het besef dat je gedoemd bent te falen. Er moet ook een impuls bestaan die dat falen wil voorkomen. ‘Inzien van de eigen grenzen, en leren daarmee om te gaan, is de eeuwen door de kern van alle wijsheid geweest’, schrijft Vuyk.

De kern van de wijsheid misschien, maar zeker niet van de nieuwsgierigheid en de ontdekkingszucht. Degenen die daarvan zijn voorzien kennen hun grenzen niet zo, beseffen zelfs nauwelijks dat er grenzen zijn. Ze stijgen boven zichzelf uit omdat ze zich niet zo bewust zijn van grenzen.

het kind met het badwater weggooien

Het is natuurlijk uitermate sympathiek om tegenover zoveel alomtegenwoordig ostentatief uitgedragen succes de andere kant te laten zien. De breeduit lachende gezichten op bijna elk glossy tijdschrift zijn niet over het hoofd te zien. Volgens die lachende gezichten leven we in de beste van alle werelden.

Vuyk neemt het op voor de mensen die niets anders dan een bescheiden ambitie kunnen hebben omdat hun talenten niet verder reiken. Maar Vuyk maakt dat ostentatieve succes tot norm, terwijl dat maar voor een bepaald soort mensen de norm is. Het is een soort succes waar je liever uit te buurt blijft. Er zijn nog andere manieren waarop men kan slagen. Vuyk gooit het kind met het badwater weg. Ergens naar streven, wat heel legitiem is, gaat niet goed samen met het besef dat je gedoemd bent te falen.

De zorgelijke toon van De feilbare mens overschaduwt een reeks interessant ideeën en observaties. Zoals zijn verklaring voor het ongenoegen en de onrust van laagopgeleiden mensen die zich aansluiten bij populistische partijen: de kloof tussen hoog- en laagopgeleiden.

Volgens Vuyk loopt alles wat succes heeft uiteindelijk uit op een ramp. Zo zou het ook gegaan zijn met de Verlichting en de daarbij horende emancipatie van de mens tot zelfstandig en mondig individu. Dat proces van emancipatie is geslaagd als het gaat om mensen met een gemiddelde of meer dan gemiddelde intelligentie. Die zijn tot de bovenste laag van de bevolking gaan behoren. Dat is mooi, maar ze hebben geen contact met mensen met een bescheidener intelligentie. Die voelen zich in de steek gelaten, ‘verweesd’ zegt Vuyk, aan hun lot overgelaten en hebben hun heil gezocht bij populistische partijen die zeggen dat ze voor hen opkomen, wat in de praktijk nogal meevalt.

De emancipatie wilde dat de mens mondig werd, maar zelfstandigheid en mondigheid is volgens Vuyk niet voor iedereen weggelegd.

De ongelijkheid tussen mensen is dus helemaal terug en dat is funest voor de maatschappelijke samenhang. Als we niet oppassen krijgt Margaret Thatcher alsnog gelijk toen ze zei: ‘there is no such thing as society.’ Er zal ‘rapport’ moeten ontstaan tussen de verschillende bevolkingsgroepen.

ambacht en handwerk

Volgens Kees Vuyk moeten hoogopgeleiden worden geschoold in het omgaan met laagopgeleiden. Ze moeten, zoals bijvoorbeeld Amerikaanse socioloog Richard Sennett in zijn boeken heeft gedaan, meer waardering opbrengen voor andere vermogens dan denken. Het ambacht, het handwerk en allerlei functionele beroepen zijn overvleugeld door de computer en de digitalisering, maar kunnen ongebroken aantrekkelijk en maatschappelijk van niveau zijn.

Lees ookWolkenkrabbers? Fallische competitie, zegt Richard Sennett22 januari 2019

Onderdeel van de emancipatie van de mens tot zelfstandig individu waren de ‘gelijke kansen’ voor iedereen. Dat is een nobel uitgangspunt, maar onbedoeld gevolg is dat niet ieder kind even intelligent blijkt. De kansen zijn dus niet gelijk. Volgens Vuyk zijn gelijke kansen ‘een leugen’ gebleken, wat mij overdreven lijkt omdat de intentie zuiver was, en is.

De vraag is of Vuyk de laagopgeleiden niet te makkelijk ziet als mensen die niet in staat zijn zelfstandige individuen te worden.

Op dezelfde manier kan meritocratie niet zaligmakend zijn omdat de verdiensten heel anders uitpakken als je met een voorsprong begint door in een ontwikkelde familie geboren te zijn, relaties te hebben en goed te kunnen leren.

een hoop gestuntel

Meer dan in zijn vorige boeken beschouwt Vuyk in De feilbare mens het menselijk leven als een hoop gestuntel. Door het ‘onloochenbare’ verschil in kracht, macht en talent ‘modderen alle mensen meestentijds maar wat aan in het leven.’ Omdat er zoveel gestunteld wordt is er des te meer reden om samen te leven. Om die reden is het zelfstandige individu niet bij Vuyk in de gratie. De emancipatie wilde dat de mens mondig werd, maar zelfstandigheid en mondigheid is volgens Vuyk niet voor iedereen weggelegd. Veel mensen werden ‘gedwongen in de rol van onafhankelijk individu.’

De vraag is of Vuyk de laagopgeleiden niet te makkelijk ziet als mensen die niet in staat zijn zelfstandige individuen te worden. Vereist het een speciale intelligentie om te beseffen dat je een onafhankelijk individu bent dat zich kan redden en zijn stem kan uitbrengen? Het lijkt mij terecht dat Vuyk voor hen opkomt, maar het is alsof hij ze laat berusten in hun bescheiden rol. ‘Mensen kunnen niet zonder gemeenschap’, schrijft hij, maar ze moeten ook niet alleen afhankelijk zijn van de gemeenschap.

Vuyk drukt het individu helemaal op de achtergrond wanneer hij schrijft dat mensen door zich te interesseren voor politiek, kunst of wetenschap ‘leren dat ze geen unieke individuen zijn die het zelf moeten maken, maar feilbare mensen, in vele opzichten beperkte en kwetsbare dieren, die zich echter van hun feilbaarheid bewust kunnen worden en inzien dat ze elkaar nodig hebben.’ Het lijkt me treurig om geen ‘uniek individu’ te mogen zijn.

De feilbare mens door Kees Vuyk is uitgegeven door Uitgeverij Ten Have.