Het station heeft één perron en dat perron komt uit op een landweg en op die landweg komt in de verte een oranje auto aanrijden. Uit die oranje auto stapt Jay Griffiths, de schrijver voor wie ik acht uur in de trein zat, van het midden van Rotterdam naar het midden van Wales. Ze duwt me een bosje narcissen in handen en zegt: ‘Ik dacht dat je wel een bloemetje kon gebruiken.’

Onderweg moeten we twee keer stoppen om de motor af te laten koelen en koelvloeistof bij te vullen, de heuvels zijn net te steil voor de staat van de auto, maar we redden het tot aan haar deur. Op de zolder van dit vier eeuwen oude huis boetseert zij iedere ochtend haar zinnen, zoals ze de beelden van klei boetseerde die in de woonkamer staan. We zullen er twee avonden lang bij het haardvuur zitten. ‘Ik schrijf met zacht potlood, zodat de zinnen kneedbaar blijven, op papier ziet alles er langzaam, veranderbaar en beweeglijk uit.’

Ze gaat de deur uit om een fles wijn te kopen. Ik blijf achter in de keuken met haar oude kat Otter. Aan de wand heeft ze kleine papiertjes met citaten geplakt. Boven het lichtknopje hangt ‘Do nothing that crushes your soul’. Het citaat past haar als een jas. Ze doet niets wat haar ziel zou kunnen vermorzelen. Ze komt in verzet tegen alles wat haar vrijheid inperkt en niet alleen haar eigen vrijheid, maar de vrijheid van wie dan ook. 

Met dat tomeloze verzet kwam ik vorig jaar voor het eerst in aanraking toen ik haar boek Why Rebel las. Actievoerders van Extinction Rebellion blokkeerden voor de zoveelste keer de A12 in Den Haag om te protesteren tegen fossiele subsidies. In Why Rebel las ik een vurige rechtvaardiging voor de acties. Direct daarna bestelde ik bijna al haar andere boeken. Steeds is er een urgente ondertoon van verzet tegen de gang van zaken in de wereld en tegen de bedreiging van de vrijheid om het leven naar eigen inzicht vorm te geven.

In Why Rebel schetst ze wat er op het spel staat: niets minder dan ‘de ineenstorting van beschavingen, de uitsterving van soorten en het voortbestaan van de mens’. Ze haalt schattingen van de VN aan over het aantal doden wereldwijd door klimaatrampen, 315.000 per jaar, en constateert dat de boodschap nog altijd niet doordringt. Niet tot de politiek, niet tot het bedrijfsleven, niet tot de massa. ‘De rebellie kwam op om de normale gang van zaken te blokkeren’, schrijft ze in Why Rebel, omdat wat doorgaat voor normaal helemaal niet normaal is. Zolang de wals van onze huidige levensstijl ons platwalst, zolang staat Extinction Rebellion in de weg.’

VRIJ NEDERLAND VERNIEUWT

Er gaat veel veranderen bij Vrij Nederland. Zo gaan we de redactie uitbreiden, de website en het blad opnieuw vormgeven en ons meer richten op onze oorspronkelijke missie. Benieuwd? Lees hier meer.

brandende paraplu

Ze komt terug met een fles chianti. We zitten bij de haard, zinken weg in de kussens op de bank. Dit is niet zomaar een interview, maar het weerzien met een geestverwant, al ken ik haar alleen maar uit haar boeken. We blijken allebei een bewonderaar van Isabelle Eberhardt, een Zwitserse avonturier van wie ik het spoor volgde voor mijn boek Vagebond. Verkleed als man reisde Isabelle Eberhardt door de Sahara toen Algerije nog een Franse kolonie was. Jay Griffiths trok net als zij de wijde wereld in, ver weg van ons geregelde leven in het Westen. Gevaar en ontberingen namen zij voor lief.

De haard speelt een centrale rol in haar nieuwste boek Nemesis, My Friend. Journeys Through the Turning Times. Ze schreef het boek in coronatijd, afgesloten van de buitenwereld. Op de voorkant een jonge vrouw in een witte doorschijnende jurk, tot aan haar billen in het water, donkere wolken pakken boven haar samen. Ze draagt een zwarte paraplu waar de vlammen naar alle kanten uitslaan. De paraplu staat voor de dampkring, de vlammen voor de broeikasgassen. De boeken van Jay Griffiths staan vol met dit soort metaforen, die vleugels geven aan haar verhalen over de benarde toestand van onze planeet. 

In haar vaders boekenkast stond op een onbereikbare plank Seven Years in Tibet, waar ze elke dag naar staarde, tot ze de moed vond om de boekenkast in te klimmen en het te pakken. ‘Dat boek wakkerde mijn honger naar de wereld aan. Ik kon niet wachten om mijn benauwde sociale omgeving achter me te laten en begreep niet dat je niet nieuwsgierig kon zijn naar de bergen en de woestijn. Daar kwam bij dat ik al jong het gevoel had dat veel dingen in de wereld niet klopten. Ik kon slecht tegen onrecht, zoals zo veel jonge mensen.’

Toen haar moeder haar als klein kind voorlas, dacht ze dat boeken bestonden zoals de bomen in het bos, tot zij vertelde dat ze door iemand geschreven waren. Dat moest wel een soort god zijn, dacht ze. Het was het begin van haar schrijverschap, maar het verlangen om te schrijven hield ze nog jarenlang voor zich. ‘Ik wil schrijver zijn’ bleef klinken als ‘ik wil god zijn’. Na haar studie Engelse literatuur in Oxford schreef ze vier jaar aan een roman die maar niet tot leven wilde komen. ‘Het was een draak van een boek, nooit gepubliceerd, maar zo leerde ik dat ik op de verkeerde plek zat en meer om de ideeën in het boek gaf dan om de personages en de plot.’

de wereld herschrijven

Griffiths noemt haar werk niet graag non-fictie, omdat het dan een ontkenning is van iets anders: het niet-zijn van fictie, blijkbaar de standaard. De fictieschrijvers zouden met een betere term voor hun werk moeten komen, vindt ze, want schrijven is schrijven. ‘Voor mij is het verlangen om de wereld te herschrijven het belangrijkste. Het is mogelijk om een betere wereld voor te stellen, al is het maar tussen de twee kaften van een boek, een wereld waarin de mens en de natuur op elkaar zijn afgestemd.’ 

Het herschrijven van de wereld gaat met een woekerende woede gepaard over wat zij – met hoofdletters – de Dominante Cultuur noemt. Die brengt in haar ogen alles van waarde in gevaar en laat een spoor van verwoesting achter op de meest kwetsbare plekken van de planeet. ‘In een wereld waar mens en natuur op elkaar zijn afgestemd’, zegt Griffiths, ‘staan wij niet tegenover de natuur, maar zien we in dat we uiteindelijk onszelf vernietigen als we de natuur blijven vernietigen. Dat betekent niet dat we onze cultuur moeten afschaffen, maar dat we met al onze culturele verfijning de menselijke natuur in harmonie moeten zien te brengen met de rest van de natuur.’ 

Ze maakt zich geen illusies over de invloed van haar boeken op de koers van de wereld, maar ziet ze als onderdeel van een aanzwellende tegenbeweging die de status quo aanvecht. ‘Het gaat om doen wat je kunt, om de keuzes die je maakt. Zoals ik de curator van mijn boeken ben – door te kiezen wat belangrijk is om erin op te nemen en wat niet – zo zijn wij de curator van ons leven en van onze ziel: je bepaalt zelf wat je toelaat en wat niet. Ik geloof hartstochtelijk in de invloed die je kunt uitoefenen op je eigen omgeving. Als je lesgeeft, verander op school dan hoe het gaat. Als je fabriekssystemen ontwerpt, maak ze dan groener en beter. Als je aan de top van een vervuilend bedrijf staat, zorg dan dat het minder gaat vervuilen. Het gaat om veranderingen op de plaats waar je bent.’

laatste wildernis

Aan het einde van de avond tekent ze op een papiertje twee routes door de heuvels rondom het dorp, een naar de hoogste heuvel en een naar de bossen. De volgende ochtend, terwijl zij schrijft aan haar nieuwe boek, loop ik de routes van het papiertje. De eerste route loopt glooiend dood op een erf met een bordje ‘private property’. Niemand kom ik tegen, behalve het rode bestelbusje van de postbode. Ik herken haar van eerder op de dag toen zij een folder door de brievenbus van mijn Airbnb duwde. Ze zwaait. Ik zwaai terug. In Rotterdam zwaait er nooit een postbode naar me.

‘Mentaal soeverein zijn betekent dat je in staat bent om je aandacht te richten op wat je belangrijk vindt.’

Als Griffiths niet op reis is, loopt zij door deze verlaten heuvels. Zachte glooiingen, weilanden met hekken eromheen, een kabbelende beek, in het dal een slaperig dorpje. Voor haar boek Wild zocht ze zeven jaar lang ver van hier naar de laatste wildernis op aarde. Op lange eenzame reizen onderzocht ze de wereld van de vroegere Europese kolonisators. De afstanden plaatsten haar voor grote dilemma’s. Ze houdt het nu bij hooguit een vlucht per jaar, maar voor Wild vloog ze nog naar de uiterste uithoeken van de aarde om inheemse volken te zoeken die hun wildheid behouden hebben of verloren zijn in aanraking met de Dominante Cultuur. Ze zwierf met zeenomaden langs de Thaise kust, dronk ayahuasca met een sjamaan in de Amazone en ging met Inuit op walvisjacht in de noordelijkste punt van Canada. 

In Wild zoekt ze niet alleen wildheid en wildernis in bergen, woestijnen, oceanen, oerwouden en ijsgebieden, maar ook de wildheid in zichzelf. Zoals in alles wat ze schrijft, buitelen in Wild de woorden en betekenissen als zwaluwen door de lucht, lyrisch en poëtisch. Tegelijkertijd put ze uit vele bronnen, de bibliografie beslaat niet minder dan achttien pagina’s. ‘Toch is het boek in de eerste plaats politiek. Niet de politiek van partijen en parlement, maar van de diepe onderstromen die bepalen hoe het er in de wereld aan toegaat, wat samenhangt met heersende verhalen en de betekenis van woorden. De Europese kolonisators noemden de natuur in de landen aan de andere kant van de oceaan ‘wildernis’, terwijl daar al eeuwenlang mensen woonden voor wie de natuur geen wildernis was. Het was hun thuis, waar ze leefden in een intimiteit met andere levensvormen, die daarbuiten zo goed als verdwenen is. Voor de kolonisators was de bestempeling van hun land tot ‘wildernis’ een soort vrijbrief om ermee te doen wat ze wilden.’

vrijheidsstrijders

Voor Wild vloog ze ook naar de voormalige Nederlandse kolonie Nieuw-Guinea in de Stille Oceaan. De westelijke helft van het immens grote eiland heet nu West-Papoea en is in 1962 ingelijfd door Indonesië. Multinationals ontginnen daar bodemschatten en slaan gapende wonden op plekken waar de inheemse Papoea’s eeuwenlang verstrengeld met het oerwoud leefden. Midden in het land ligt de grootste goudmijn en derde grootste kopermijn ter wereld. De mijnen bevinden zich op de meer dan vierduizend meter hoge Grasberg, die heilig is voor de Papoea’s. Het Indonesisch-Amerikaanse bedrijf Freeport Indonesia maakt miljardenwinsten die samen met het goud en koper voor het grootste deel van het eiland verdwijnen, terwijl de Grasberg steeds verder afkalft en de chemicaliën uit de mijnbouw de rivieren vergiftigen. 

Rondom de Grasberg laait keer op keer het geweld op tussen het Indonesische leger en vrijheidsstrijders die al jarenlang voor onafhankelijkheid vechten. Griffiths zocht ze diep in het oerwoud op. Hier was de natuur op zijn wildst, zijn mooist, zijn uitbundigst. Indonesische militairen bewaakten de mijnen en hingen rond bij haar hotel, maar ze ging ze lachend voorbij. ‘Dat is de beste strategie: gewoon doen alsof het normaal is dat zij daar zijn. Wat zagen die soldaten? Een tengere vrouw met niets anders dan een opschrijfboekje en een ontwapenende glimlach tegenover hun wapens.’ 

Op die plek, waar vergeten door de rest van de wereld een volk onderdrukt en vermoord werd – ze citeert Amnesty International met een dodental van 100.000 sinds de Indonesische inval – trok ze door het oerwoud met mensen die zo vaak en hard moesten lachen dat ze uit voorzorg alvast op de grond gingen liggen. ‘Nergens ter wereld heb ik mensen ontmoet met zo’n intens gevoel van vrijheid, in een van de meest onvrije gebieden ter wereld. De Papoea’s die ik sprak houden diep in het oerwoud vast aan hun land en aan het idee van vrijheid dat daarbij hoort.’ 

grote leugen

Ze wilde in West-Papoea niet alleen een verhaal voor haar boek halen. Ze wilde zich vooral opstellen als een boodschapper van de Papoea’s naar de buitenwereld. ‘Indonesië bepaalt het verhaal dat over West-Papoea wordt verteld, zoals overal machthebbers het narratief bepalen en anderen het zwijgen opleggen. Ik wilde de Papoea’s direct een stem geven, van hun mond naar mijn pen, naar het zwarte opschrijfboekje, naar mijn boek, naar de lezers.’ 

‘Libertijnen denken dat vrijheid betekent dat je alles kunt doen wat je wilt. Dat is vrijheid voor de pestkoppen.’

De Papoea’s die het woord krijgen in Wild zijn doordrongen van het besef dat leven pas echt leven is wanneer je vrij bent. ‘Dat besef staat overal onder druk door de Dominante Cultuur die zichzelf juist verkoopt als de cultuur van de vrijheid. Dat is een grote leugen. Ook in het Westen verliezen mensen steeds meer hun mentale soevereiniteit, tegenwoordig vooral door de grote techbedrijven. Zij oogsten en verhandelen onze aandacht als commodity. De hele dag vastgeplakt zitten aan je telefoon of computer is de meest zichtbare uitwas, maar het probleem zit dieper. Mentaal soeverein zijn betekent dat je in staat bent om je aandacht te richten op wat je belangrijk vindt: om boeken te lezen die je aangaan, om dingen te onderzoeken die je fascineren. Ik vind het heel verdrietig dat zoveel mensen dit nooit ervaren.’

gesmoorde wildheid

Op haar zolderkamer en op reis legt zij de mentale soevereiniteit aan de dag die zij beschrijft: urenlang woorden en beelden boetseren, dagenlang zwerven door de heuvels van Wales, maandenlang reizen om de wereld te herschrijven. ‘Mentale soevereiniteit is een voorwaarde voor het scheppen van kunst, noodzakelijk voor kunstenaars en een absoluut geboorterecht van ieder mens. Het is het recht om te zeggen: op dit uur van de dag concentreer ik me op het schilderen van een worm of op het oefenen van de C-mineur op mijn gitaar.’

In Wild volgt ze een vergelijkbare redenering over de wildheid die bij moderne mensen gesmoord is, maar die voor hen net zo goed als voor inheemse volken een voorwaarde is om volledig mens te zijn, een wildheid die dwars ingaat tegen de restricties van de samenleving. ‘Met wildheid bedoel ik niet een onbeperkt hedonisme waarin alles moet kunnen. De grens is altijd waar het schadelijk wordt voor anderen. Dat is een belangrijk verschil met dat groteske libertarisme waarin individuele vrijheid de maat is voor alles. Libertijnen denken dat vrijheid betekent dat je alles kunt doen wat je wilt. Dat is vrijheid voor de pestkoppen. Vrijheid voor de machtigen, die schadelijk is voor degenen met minder macht.’

De volgende dag duw ik haar voordeur open – ze woont in zo’n dorp waar de deur niet op slot hoeft – en laat het busje kruiden uit de Himalaya achter dat ze me leende om de verkoudheid te bestrijden. Ik luister, maar hoor niets. Schrijven met potlood maakt geen geluid. 

over de auteur

Jay Griffiths is schrijver van acht boeken waarin zij gangbare betekenissen van alledaagse en politieke onderwerpen op zijn kop zet. Ze debuteerde in 1999 met het boek Pip Pip. A Sightways look at Time, waarin zij ons concept van tijd als een natuurverschijnsel onderuithaalt. Lang voordat zij in 2021 het boek Why Rebel schreef en terechtstond voor haar aandeel in de acties van Extinction Rebellion, schreef zij al over de gevolgen van de klimaatcrisis. Voor Wild. An Elemental Journey ontving ze de Orion Book Award en de Barnes & Noble Discover Award voor de beste nieuwe non-fictieschrijver. Ze woont in een oud dorp midden in Wales met haar kat Otter.