Gevraagd naar hoe zij zich ontspande, zei de in Berlijn levende ontwerpster Hella Jongerius: ‘Door in de zomer naar de Weissensee te fietsen, een meer middenin de stad, waar je je fiets neergooit en een duik neemt na het werk.’ Ze sprak over ‘de sensatie van het water en van de zwaartekracht opheffen, die lichtheid en de vrijheid en alles wat er onder je is, maar wat je niet kunt zien’. ‘Op je rug zwemmen,’ zei ze, ‘en de hemel, en het water.’

Dit artikel is het vierde uit een reeks over ‘ontploeteren’. De vorige aflevering lees je hier (of begin hier bij het begin).

Het is me in mijn interviews met kunstenaars en ontwerpers voor onder meer dit blad opgevallen dat veel hardwerkende creatievelingen zwemmen. De architect Rem Koolhaas zwemt dagelijks, waar dan ook ter wereld, net als ontwerper en computerwetenschapper Koert van Mensvoort. Als hij in Nederland is, zwemt Van Mensvoort tot de winter de eilanden in de Vinkeveense Plassen rond, om zo te komen tot wat hij ‘een droomstaat’ noemt, ‘van waaruit je sprongen kunt nemen in de verbeelding.’ ‘Die verbeelding wordt onderschat door de meer praktische mensen,’ zei Van Mensvoort, ‘maar het is de geboortekamer van alle nieuwe technologie.’

Schakers in de sportschool

Inspannende lichaamsbeweging zoals zwemmen, bergbeklimmen of hardlopen bevordert de structurele hersenplasticiteit. De aan Stanford University verbonden futuroloog Alex Pang somt in zijn boek Rust in uitvoering wetenschappelijke onderzoeken op die een positief verband leggen tussen sporten en creatief nadenken. Sporten zorgt voor een mentaal en fysiek uithoudingsvermogen, en neutraliseert na een gestresste dag de afgifte van stresshormonen als cortisol en adrenaline. ‘Schakers van wereldniveau werken daarom tegenwoordig net zo intens in de sportschool als aan het schaakbord,’ noteert Pang.

Wie goed van inspanning wil herstellen, moet zorgen voor flink wat lichaamsbeweging.

Wetenschapsjournalist Nikki Korteweg, gepromoveerd in de moleculaire neurobiologie, schreef na haar burn-out het boek Een beter brein. Jarenlange, aanhoudende stress tast de hersens aan, stelt ze. Met als resultaat vergeetachtigheid, warrigheid, labiliteit. Sporten stimuleert volgens haar de productie van een stofje dat op zijn beurt de aanmaak van nieuwe zenuwcellen stimuleert en beschadigde cellen na stress herstelt. Wie goed van inspanning wil herstellen, verklaart Korteweg in haar boek, moet zorgen voor flink wat lichaamsbeweging.

Stress als motor

Talent, kansen, ambitie en toewijding waren ooit voldoende om langdurig succesvol te zijn. Tegenwoordig moet je ook kunnen rusten, anders ga je onderuit. Dertien procent van de werknemers heeft volgens het CBS burn-out klachten zoals vermoeidheid, prikkelbaarheid en emotionele labiliteit. Zo’n vijf procent van de beroepsbevolking komt als gevolg daarvan langdurig thuis te zitten. Volgens een onderzoek van ArboUnie onder 90.000 werknemers zijn met name jongeren op de werkvloer de klos. Zeventien procent van de werknemers tussen 25 en 35 heeft burn-out klachten. Bijna één op de vijf twintigers zegt het rustiger aan te moeten doen, bij de dertigers is dat meer dan één op de vier. Enquêtes van onder meer de krant Metro en 3FM laten schrikbarend veel stress onder jongeren zien.

Ook in het weekend herstellen we nauwelijks van doordeweekse inspanningen, we gaan gewoon door met ‘moeten’.

Een van de oorzaken voor die stress is een gebrek aan ontspanning. ‘We zijn collectief vergeten de tijd te nemen voor herstel,’ zei Mikkel Hofstee, adviseur op het gebied van ‘gezond presteren op de werkvloer’ onlangs in NRC. Ook in het weekend herstellen we nauwelijks van doordeweekse inspanningen, we gaan gewoon door met ‘moeten’. Filosoof Ignaas Devisch mailt daarover: ‘Velen doen in hun vrije tijd wat ze tijdens hun werk ook al doen: objectieven nastreven om mee te doen met hun tijd. Daar haal je geen energie uit maar moet je opnieuw inspanningen voor leveren, met stress als motor.’

We checken onze smartphones honderden keren per dag; jongeren nog vaker dan ouderen. Dat leidt volgens Katrina Onstadt, auteur van The Weekend Effect allemaal tot ‘tijdconfetti’: in de snippers tijd die overblijven tussen checken en reageren kun je nauwelijks iets doen dat echt vervulling brengt.

De Noorse ontdekkingsreiziger Erling Kagge noemde dit voortdurende afgeleid zijn tijdens een auteursbezoek in Nederland ‘een zombiestaat waarin we onophoudelijk halfhartig aan het scrollen zijn, te zeer opgezogen in niksigheid om iets te gaan doen dat we écht waardevol vinden.’

Gedachteloze haast en verveling

Het was die zombiestaat, die mengeling van gedachteloze haast en verveling die ik vreemd begon te vinden. Ik zag weldenkende mensen overspannen raken van deels zelfopgelegde verplichtingen en een onvermogen om te ontspannen.

Zelf werd ik ook niet meer wakker met de levenslust van vroeger, maar met een licht benauwd gevoel over de oneindige reeks ‘moetjes’ die een nieuwe dag in petto zou hebben. Was dat, zo vroeg ik me af, nou een waardige invulling van de levensvrijheid die eerdere generaties ons hebben bezorgd? Was dat de bedoeling van de verlossing van armoede, het patriarchaat en de kerk; om als een kip zonder kop rond te rennen en maar zoveel mogelijk te doen?

In deze serie voor Vrij Nederland onderzoek ik hoe te ‘ontploeteren’: hoe minder te moeten en meer te leven. De eerste aflevering ging over het oogsten van momenten, de tweede over radicale keuzes maken, de derde over omgaan met tekort. Deze vierde aflevering gaat over de noodzaak van rust.

Verziekt door het moderne leven

Als ik aan ‘meer leven’ denk, denk ik aan de stadsvossen van Charles Foster. Foster is een aan de Universiteit van Oxford verbonden medisch ethicus en dierenarts. In zijn onvergetelijke boek Leven als een beest schrijft hij over zijn oprechte pogingen te leven als vijf verschillende dieren: een vos, een das, een otter, een edelhert en een gierzwaluw. We zijn volgens Foster verziekt geraakt door het moderne leven. ‘In het tijdsbestek van een paar generaties,’ schrijft hij, ‘zijn we aan sclerose lijdende superspecialisten geworden in een niche zo krap dat we onze benen niet kunnen strekken en ons brein niet kunnen laten draaien.’

Tot rust komen doe je niet stilzittend voor een scherm, maar door in rivieren te zwemmen, in bomen te klimmen, in bossen te slapen.

Ik sprak hem vorig jaar voor NRC. Iedereen in de Londense stadswijk waar hij vroeger leefde, at hetzelfde en keek naar dezelfde tv-programma’s, zei hij. Hij noemde het een magere, vervreemde manier van leven. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld stadsvossen, ‘wezens waar het leven van afspat’. ‘Geen vos kijkt naar hetzelfde als een andere vos,’ schrijft Foster. ‘Het dieet bestaat naast weggegooide pizza ook uit trage vogels, meikevers, nachtvlinders, ingevlogen uitheems fruit. De vossen zien, horen en ruiken de echte wereld.’

Tot rust komen doe je volgens Foster niet stilzittend voor een scherm, maar door in rivieren te zwemmen, in bomen te klimmen, in bossen te slapen.

Het religieuze ritme van de dagen

Het leven mag dan vroeger in veel opzichten slechter zijn geweest, herstellen van inspanning ging waarschijnlijk makkelijker. De afwisseling van rust en activiteit werd mede ondersteund door het religieuze ritme van de dagen, weken en seizoenen. Die heilzame, van buiten opgelegde ordening is weg. Rust nemen moeten we op eigen houtje leren.

‘Rust is niet iets wat je krijgt als je met al het andere klaar bent.’

Alex Pang, auteur van Rust in uitvoering, ging zelf in 2008 als consultant in Silicon Valley onderuit door een burn-out. Zijn boodschap: rust moet je heel bewust doen. ‘Rust is niet iets wat je krijgt als je met al het andere klaar bent,’ zegt hij. ‘Je moet de verleiding van bezig zijn weerstaan, rust serieus nemen en beschermen tegen een wereld die de intentie heeft om rust van je af te pakken.’

Wandelen, een dutje doen, regelmatig even van je beeldscherm weglopen, sporten, voldoende slapen; het zijn volgens de wetenschap effectieve manieren om weer op krachten te komen. Dat geldt ook voor regelmatig kort met vakantie gaan, en een hobby uitoefenen. Meer ploeteren, stelt Pang, levert uiteindelijke geen betere prestaties op; een leven dat wordt afgewisseld met diverse vormen van rust wel. Zijn boek is een opsomming van succesvolle wetenschappers en kunstenaars die dagelijks zwemmen, lange wandelingen maken, intensief sporten en zich een paar keer per week op iets totaal anders storten dan hun werk. Pang constateert: ‘Succesvolle creatieve mensen stellen hun leven in het teken van hun werk, maar hun dagen niet.’

Denktijd

Een grotere ingreep die Pang zelf in ere houdt, is korte of langere sabbaticals inlassen. Ook de Britse arbeidspsycholoog Tony Crabbe, auteur van de bestseller Nooit meer te druk, noemt dit regelmatig in zijn lezingen en artikelen. Crabbe is een van de vaste raadgevers van deze serie over ontploeteren. Hij raadde mij vorig jaar tijdens een telefoongesprek aan regelmatig ‘denktijd in te lassen’.

‘Wanneer we ons buiten een situatie begeven, krijgen we meer perspectief.’

‘Psychologische afstand is echt nuttig,’ zei hij toen. ‘Wanneer we ons buiten een situatie begeven, van context veranderen, of zelfs maar een afstandelijke vraag stellen zoals “Wat zou ik over deze keuze over vijf jaar denken?” krijgen we meer perspectief. Psychologische afstand helpt ons om meer algemene patronen te zien; de grotere vragen, in plaats van vast te zitten in de gehaaste reactiviteit van het moment.’

Ik nam de tip ter harte. Voor ik begin april als gescheiden moeder met twee kinderen naar deze flat aan de rand van de hoofdstad verhuisde, was ik begonnen om eens per maand een paar nachten ergens in een appartementje door te brengen. De eerste keer was in Rotterdam. Buiten verschool de volle maan in kreeft zich achter het wolkendek en stak er een westerstorm op. De kerstboom op het stationsplein zwiepte heen en weer. Ik zat in stilte met mijn hoofd in mijn handen naar het verkeer beneden te kijken, en langzaam daalde er een rust op me neer die ik in jaren niet gevoeld had. Op het billboard waarop ik uitkeek, stond ‘Meerdere wegen leiden naar dromen’.

Een solitaire schuilplaats

De negentiende-eeuwse filosoof Henry David Thoreau schreef in zijn geïsoleerde zelfgebouwde hut in een bos vlak bij het meer Walden Pond: ‘I went to the woods because I wished to live deliberately, to front only the essential facts of life, and see if I could not learn what it had to teach, and not, when I came to die, discover that I had not lived.’

De hut is een archetypisch beeld van een primitief toevluchtsoord, diep verankerd in de menselijke psyche.

Bij echte rust hoort een solitaire schuilplaats, en je voor de wereld kunnen verstoppen om verlost te zijn van afleiding. Pang noemt dat ook in Rust in uitvoering. Hij denkt daarbij aan Telegraph Cottage, het kleine, pretentieloze huisje in een bos in de buurt van Londen, waar de Amerikaanse generaal Dwight Eisenhower verbleef tijdens de Tweede Wereldoorlog om onafgeleid de juiste strategische beslissingen te kunnen nemen. Als ik opvrolijking zoek, kijk ik naar de hutjes op de website Cabin Porn, ‘inspiration for your quiet place somewhere’, waar een oneindig aantal foto’s van fantastisch gelegen huisjes te vinden is.

De hut is volgens de Franse filosoof Gaston Bachelard een archetypisch beeld van een primitief toevluchtsoord, diep verankerd in de menselijke psyche. ‘De dagdroom over de hut in het bos gaat altijd over een vlucht naar beschutting,’ schrijft hij in The Poetics of Space (1957). ‘Weg van het overvolle huis, weg van de beslommeringen die de stad meebrengt.’

Bij dat solitaire, primitieve gebouwtje horen volgens Bachelard stilte en gebed: de mens alleen met zijn God.

Sisyfus die heel even uitblaast

Filosoof Kris Pint stelt liever dan zo’n heel activiteitenprogramma van Alex Pang ‘lege, oningevulde tijd’ voor. Pint, als hoofddocent cultuurwetenschappen verbonden aan de Vlaamse Universiteit Hasselt en auteur van De wilde tuin van de verbeelding, is een andere vaste raadgever in deze serie.

‘Het krijgt iets stakkerigs, die nood aan vrije tijd en vakantie, met gruwelijke uitdrukkingen zoals “de batterijen even opladen” zodat de machine daarna gewoon weer door kan razen.’

‘Het heeft iets ontmoedigends om vrije tijd te zien als een “herstelperiode”,’ mailt hij. ‘Want dat betekent dat we de rest van het jaar onszelf en elkaar beschadigen, en dat blijkbaar normaal zijn gaan vinden. Het krijgt daardoor iets stakkerigs, die nood aan vrije tijd en vakantie, met gruwelijke uitdrukkingen zoals “de batterijen even opladen” zodat de machine daarna gewoon weer door kan razen. Sisyfus die heel even uitblaast voor hij het rotsblok weer de berg op moet duwen. Nee, liever de leegte um sonst. Dat zit ook in het Latijnse otium: lege tijd, rust; en in het Oud-Griekse scholè: de vrije, lege tijd waarin kennis kon worden verworven, omdat er geen andere dringende verplichtingen zijn.’

Pint ziet ook soelaas in een seculiere herinterpretatie van de ‘sabbat’ – ‘op de zevende dag rustte Hij’. Daarmee bedoelt hij anderen niet met werk gerelateerde zaken lastigvallen in het weekend of na de werkdag. ‘Een heilig respect voor de rust. De lege plek eerbiedigen, geduld hebben tot hij of zij terug is, het niet-storen echt ernstig nemen, bijna als een taboe.’

‘Uiteraard is het niet simpel om bepaalde collectieve patronen te veranderen, zelfs niet bij jezelf,’ schrijft hij. ‘Erop te wijzen dat die patronen niet vanzelfsprekend zijn, is al een eerste stap; andere vormen van “vrije tijd” verkennen eveneens.’

Verlangen naar stilte

Laten we allemaal meer leven als een beest, zei Charles Foster tijdens dat Skype­gesprekje vorig jaar. Dat ga ik niet doen. Evenmin als ik hier ’s ochtends in het meer duik waaraan ik woon voor een fris begin van de dag, hoe mooi het voorjaar ook was. Wat ik me bij dat echte leven voorstel, komt waarschijnlijk vooral voort uit een romantisch, rousseaans verlangen naar stilte in de wildernis, een verlangen dat ik kennelijk deel met de rest van de Nederlandse bevolking, getuige de bestsellers in de sta­tionskiosken over het nut van verveling, verlangzamen, ontfocussen en ingetogen Japans geluk.

‘De taoïst streeft naar een simpel, spontaan en meditatief leven dicht bij de natuur,’ las ik. ‘Ik ben een taoïst!’ dacht ik opgetogen.

Laatst las ik een boek over het Japanse Shinrin yoku, De helende kracht van bosbaden. Er stond: ‘De taoïst is wars van sociale conventies, hij streeft juist naar een simpel, spontaan en meditatief leven dicht bij de natuur.’ ‘Ik ben een taoïst!’ dacht ik opgetogen. Even later kwam alweer de reprimande. Wat een kinderlijke gedachte toch weer, hield ik mezelf voor. De natuur in mijn leven beperkt zich tegenwoordig tot de rundvleeskroketten van de snackbar onder mijn flatje.

Mijn schuilplaats ligt in een winkelcentrum waar ik om de paar minuten het geluid van de kassa’s van de supermarkt hoor, overstemd door het gebekvecht van de brutaalste stadsvogels: meeuwen, kraaien en eksters. Gister fladderde hier een spreeuwtje naar binnen, dat wanhopig met zijn snaveltje tegen het venster bleef tikken, terwijl ik het raam allang had opengezet. Het duurde een hele tijd voor hij de dichtstbijzijnde boom had weten te vinden.

En zo beweegt het leven zich heen en weer tussen zelfverwijten en geruststelling, in oneindige pogingen mijn eigen onnozelheid te overwinnen, en ligt de echte opluchting in een onverwacht moment van ruimte in een verder dichtgetimmerde dag, als een scheur waar het licht doorheen valt, een moment dat ik steevast vier met een boek, iets uit de frituur en een glas pinot grigio van de supermarkt waar ik op uitkijk.

Mijn echte schuilplaats is uiteindelijk altijd een boek.

Dit wordt ons niet ontnomen: lezen
en ademloos het blad omslaan,
ver van de dagelijksheid vandaan.
Die lezen mogen eenzaam wezen.

Zij waren het van kind af aan.

Hen wenkt een wereld waar de groten,
de tijdelozen, voortbestaan.
Tot wie wij kleinen mogen gaan;
de enigen die ons nooit verstoten.

(Ida Gerhardt, ‘Onvervreemdbaar’, uit Verzamelde gedichten.)

De prijs die we betalen

Leven is beweging en rusteloosheid, van een stil en rustig leven kunnen alleen de slapers en de doden genieten. Het is de prijs die we betalen om als vrije mensen te leven. We doen er maar het best aan die rusteloosheid te accepteren, want ze is de motor van het bestaan. Dat zegt de Vlaamse filosoof Ignaas Devisch allemaal in zijn boek Rusteloosheid. Pleidooi voor een mateloos leven. De mens is op weg ergens naartoe, houdt hij ons voor. We zijn slechts een bundel driften uit op het behoud van het organisme, dat stuwt ons voort.

De oneindige mogelijkheden die de vrijheid ons biedt, gaan ons vermogen te boven en daarom is er altijd meer te doen dan we aankunnen.

Dat ingeprogrammeerde streven naar zelfrealisatie is in dit tijdsgewricht, in dit ‘trainingskamp van de menselijke vooruitgang’, in de overdrive. De oneindige mogelijkheden die de vrijheid ons biedt, gaan ons vermogen te boven en daarom is er altijd meer te doen dan we aankunnen. Rusteloosheid zit dus ingebakken in ons bestaan; voor alles wat we doen, is er minstens een andere optie. Vandaar het huidige verlangen naar een archaïsch soort rust, het verlangen naar arcadische taferelen, naar plattelandsidylles, naar klakkeloos in rivieren springen, slapen in bossen of lézen over slapen in bossen, zoals ik tegenwoordig graag doe. Het gedicht ‘Sleeping in the forest’ van Mary Oliver bijvoorbeeld:

Ik dacht dat de aarde me herinnerde,
ze nam me zo teder terug,
haar donkere rokken schikkend,
haar zakken
vol met korstmossen en zaden.
Ik sliep als nooit tevoren, een steen
op de rivierbedding,
niets tussen mij en het witte vuur van
de sterren
behalve mijn gedachten, en zij zweefden licht als motten
tussen de takken van de perfecte bomen.

De hele nacht hoorde ik de kleine koninkrijken
om me heen ademen, de insecten,
en de vogels die hun werk doen in
de duisternis.
De hele nacht stond ik op en viel,
alsof ik in water was,
worstelend met een lichtend onheil.
Tegen de ochtend
was ik minstens een dozijn keer in iets beters verdwenen. 

Lege zomertijd

Het is bijna zomer als ik dit schrijf. Een zacht regentje maakt het warme stof los van de wegen. Van buiten komt het geluid van autobanden op nat asfalt.

Filosoof Kris Pint is bezig met de aankomende vakantieperiode. Hij denkt met heimwee aan de eindeloze lege zomers van zijn kindertijd. ‘Ik denk dat we het ‘vacant’ in vakantie soms wat onrecht doen,’ mailt hij. ‘Die vakanties zijn vaak gewoon extra inspanningen: het is een periode waarin we “onze eigen baas” zijn, maar net die innerlijke baas blijkt soms een dwingeland te zijn, die ons dwingt een lijstje met activiteiten, belevenissen af te vinken. Het is die “leegte” van de vakantie die we vergeten zijn in het beleveningsdiscours dat rond vakantie wordt opgehangen, en uiteraard de rapporteringsplicht via sociale media.’

Hijzelf heeft op dit moment nog geen vakantieplannen, meldt hij, misschien ‘een picknick, een stapel boeken van de bieb om mee in de achtertuin te verdwijnen, mijn polshorloge wegleggen, de wifi uitschakelen op mijn smartphone, de laptop dagenlang in de hoes en verder: een paar wandelingen die ik wil maken, een paar vrienden die ik wil zien.’

‘Dat gezegd zijnde,’ besluit Pint, ‘wens ik je alvast een bijzonder aangename lege zomertijd toe.’

Volgende maand verschijnt ‘Minder moeten, meer leven, deel V: de leegte in.’