In 2015 gaf historica Tiya Miles (1970) in Savannah, Georgia een lezing over Afro-Amerikaanse mythen en verhalen. Journalist Ben Goggins was daarbij aanwezig, en zocht contact met Miles. Hij had een verhaal gehoord dat ze vast interessant zou vinden. In 2007 had een witte vrouw op een vlooienmarkt vlakbij Nashville een katoenen tas met een bijzondere geborduurde tekst op de kop getikt.

‘Mijn overgrootmoeder Rose
moeder van Ashley gaf haar deze zak toen
ze op 9-jarige leeftijd in South Carolina werd verkocht
er zat een afgedragen jurk in 3 handenvol
pecannoten een vlecht van Roses haar. Vertelde haar
laat hem gevuld zijn met mijn Liefde altijd
ze heeft haar nooit meer teruggezien
Ashley is mijn oma’

Ruth Middleton, 1921

Wie waren de mensen op deze tas? Via wat research en met hulp van een taxateur leidde de zoektocht van de vindster naar Middleton Place in Charleston, dat ooit het landgoed van de extreem rijke slavenhouders Henry en Mary William Middleton was, maar ondertussen als erfgoed was ondergebracht in een stichting. De vrouw besloot de tas aan de stichting te doneren.

Het verhaal over Ashleys tas ontroerde en fascineerde Miles direct. In Alles wat ze dragen kon (Nijgh & Van Ditmar, vertaald door Robert Dorsman), onderzoekt ze de geschiedenis van Rose, Ashley en Ruth. Omdat veel slavernijgeschiedenissen niet zijn bewaard in de archieven, heeft ze zich op alternatieve onderzoeksmethoden moeten beroepen, zoals die van Marisa Fuentes (Dispossessed Lives: Enslaved Women, Violence, and the Archive, 2016): ‘langs de bias lezen’, dat is ‘een diagonale lezing, waarbij de rek in het materiaal wordt gezocht’.

Dat houdt in dat Miles vooral kijkt naar informatie die wél vindbaar is. Ze kijkt opzij. Hoe Rose’s leven er precies heeft uitgezien, is bijvoorbeeld niet te achterhalen. Wel blijkt uit de archieven dat de naam Rose zeer veel voorkwam onder tot slaaf gemaakten. Welke Roses zijn wél in de archieven terecht gekomen? Wat is hun verhaal? En: wat zat er in de tas? Welk verhaal wordt daarmee verteld?

tiya miles

Uit de zeven boeken die Tiya Miles (1970), hoogleraar geschiedenis aan Harvard University, heeft gepubliceerd, blijkt haar interesse voor onder meer Afrikaans-Amerikaanse geschiedenis, Native Amerikaanse geschiedenis, literatuur en de levens van Amerikaanse vrouwen. In 2005 verscheen haar eerste boek, Ties that Bind. The Story of an Afro-Cherokee Family in Slavery and Freedom, en daarna publiceerde ze onder meer Wild girls. How the Outdoors Shaped the Women Who Challenged a Nation (2014). Van All That She Carried. The Journey of Ashley’s Sack, a Black Family Keepsake, dat in 2021 verscheen, kwam onlangs een Nederlandse vertaling uit: Alles wat ze dragen kon, de reis van Ashleys tas, het aandenken van een Zwarte familie.

Haar eigen verhaal

Miles noemt Ashleys zak ‘een dramatische vorm van synecdoche – waarbij een klein deel staat voor het geheel’. Haar aanpak leverde een rijk boek op over de geschiedenis van naamgeving en de archivering van namen in de slavernij, textiele verhaalvormen, haar, en bijgeloof onder tot slaaf gemaakten, maar ook over de aanleg van pecanboomgaarden in Charleston en de geschiedenis van haar eigen familie.

Een dergelijke aanpak was nieuw voor Miles: ‘Henry Lewis Gates, professor African American Studies aan Fletcher University, moedigde me aan nóg persoonlijker te worden. Hij vroeg: waar is jouw familie in dit verhaal? Hij moedigde me aan om ook mijn eigen verhaal erin te betrekken, omdat iedere Afro-Amerikaanse slavernijgeschiedenis verbonden is aan deze slavernijgeschiedenis.’

‘Mijn vaders familie was tot slaaf gemaakt in Kentucky, en mijn moeders familie in Mississippi.’

Met wat voor verhalen over de geschiedenis van slavernij groeide u op?

‘Ik kom uit Cincinnati, Ohio, uit een gezin van Afro-Amerikaanse afkomst, twee generaties voor mij vanuit het zuiden naar Ohio gekomen. Mijn oma maakte deel uit van de tweede golf Afro-Amerikanen die vanuit het zuiden naar stedelijke gebieden in het noorden en het westen kwam. Zij verhuisde met haar kinderen van Mississippi naar Ohio, op de vlucht voor raciaal geweld en op zoek naar meer geborgenheid en economische kansen. De familie van mijn vader was vanuit Tennessee naar het noorden getrokken. Beide kanten van de familie hadden in slavernij geleefd. Mijn vaders familie was tot slaaf gemaakt in Kentucky en daarvoor in South-Carolina, en mijn moeders familie in Mississippi. Mijn vader wist eigenlijk niets van zijn achtergrond. Ik heb er later onderzoek naar gedaan, omdat hij graag wilde weten waar hij vandaan kwam.

Aan mijn moeders kant groeide ik op met de verhalen van mijn oma. Mijn ouders gingen scheiden toen ik twee jaar was, en toen ik klein was, woonden mijn moeder en ik bij mijn grootouders. Ik heb veel tijd met mijn oma doorgebracht op de veranda, terwijl ik luisterde naar haar prachtige verhalen over het leven in het zuiden en in Mississippi. Haar vader was als kind opgegroeid in slavernij. Hij herinnerde zich nog dat hij vrijgelaten werd in de Burgeroorlog. Mijn oma vertelde dat hij zich ook herinnerde dat hij van zijn ouders gescheiden werd. Of dat waar is, weet ik niet. Je weet niet hoe betrouwbaar herinneringen zijn. Die slavernijgeschiedenis klinkt gek dichtbij. Dat komt doordat het leeftijdsverschil tussen de ouders van mijn oma heel groot was, haar vader was al behoorlijk op leeftijd. Mijn oma was het jongste kind in zijn tweede huwelijk. Daardoor krijg je een elastische historische ervaring die generaties omspant.’

Wat was de toon van die verhalen van uw oma?

‘De strekking was: dit is wie we zijn. We hebben altijd in het zuiden geleefd. Ook iemand die was opgegroeid in slavernij, mijn overgrootvader, bleek in zijn volwassen leven in staat om een boerenbedrijf te runnen en een gezin te hebben. De vader van mijn oma is die boerderij kwijtgeraakt, omdat hij het slachtoffer werd van racistische intimidatie door witte mannen uit de stad, die hem hadden gedwongen papieren te tekenen waarmee hij afstand deed van de boerderij. Maar het punt was: hij was in staat geweest een leven op te bouwen.

Zijn dochter, mijn oma, was in haar eentje naar het noorden gevlucht. Haar gewelddadige man had haar en haar kinderen in de steek gelaten. Ze schraapte een leven bijeen als huishoudster voor witte gezinnen. Mensen uit de buurt hielpen haar, ook al hadden ze zelf niets. Uiteindelijk kwam haar man weer bij haar terug. Hij was nog steeds gewelddadig, en na een paar jaar ging ze alsnog bij hem weg. Ze nam mijn moeder, de jongste, die een jaar of twee was, mee. Mijn oma was zo moedig. Deze verhalen zijn erg krachtig. Haar grote droom was een eigen huis. Ze hertrouwde en slaagde erin een eigen huis te bemachtigen. Deze verhalen werden verteld in de geest van de verschrikkelijke dingen die ons zijn overkomen, en die ons hebben gevormd. Wij zijn mensen die blijven streven, we blijven proberen om onze doelen te bereiken.’

Hebben deze verhalen u ertoe bewogen om geschiedenis te studeren?

‘Die verhalen waren zo dichtbij. Ik zag het niet als geschiedenis. Ik hield me bezig met negentiende-eeuwse literatuur van Zwarte vrouwen. Pas toen ik het vak orale geschiedenis volgde, dacht ik: o mijn God, wat oma me vertelde is geschiedenis! Toen verschoof mijn interesse. Ik dacht: ik ga haar gerichte vragen stellen en ik ga de antwoorden opnemen. Zo ben ik de geschiedenis in gerold.’

Wat dacht u toen u Ashleys tas voor het eerst zag?

‘Ik zag eerst een afbeelding op mijn computerscherm. Ik had nog nooit zoiets gezien. Het was een antiek object waar een familiegeschiedenis op was geborduurd. Toen ik de tas in het echt zag, was dat een heel andere ervaring. De multi-dimensionaliteit was zo doordringend: de ruwe structuur van de stof en de omvang. Het is een heel grote zak van ongeveer zestig bij dertig centimeter. Zo groot! Daar past een kind in. Ik dacht: die zak trekt me naar binnen. Het was een fysieke, emotionele en esthetische ervaring. Hoewel ik al een klein beetje research had gedaan en wist dat het vrijwel onmogelijke zou zijn om de mensen van wie de tas was geweest te identificeren, dacht ik: ik heb geen keus. Dit is mijn volgende project. Ik zit gevangen in de armen van de tas.’

Het is niet de eerste keer dat u schrijft over vrouwen die nauwelijks in de archieven zijn terug te vinden. Vanuit welke overtuiging begon u aan dit project?

‘Ik vind het van groot belang om me te focussen op de ervaring van Zwarte vrouwen. Niet alleen omwille van hun machteloosheid en de manier waarop ze zijn geminacht in de geschiedenis, maar ook als een mogelijk aanknopingspunt om vragen te stellen; een opening om de machteloosheid van verschillende groeperingen door verschillende sociale lagen heen te begrijpen. Zwarte feministen schrijven sinds de jaren zeventig dat als Zwarte vrouwen – de meest onderworpen mensen in de wereld – erkend, gewaardeerd en bevrijd worden, iedereen vrij is. Dat denk ik niet. Daarvoor is veel bredere aandacht voor alle groepen mensen nodig. Maar deze ideeën, die ik tijdens mijn studie opdeed, hebben mij, naast de familieverhalen van mijn oma, wel geïnspireerd en gevoed. Ik heb de vrouwen van Ashleys tas geprobeerd te zien in hun volledige menselijkheid en lijden, in hun creativiteit en vrije geest. Ik hoop dat ik met dit boek niet alleen een boek over de geschiedenis van Zwarte vrouwen heb geschreven, maar ook over Zwarte Amerikaanse geschiedenis en slavernij.’

Wat waren uw eerste stappen?

‘Ik had drie vrouwennamen, en heel belangrijk: de naam van een staat: South Carolina. Een andere belangrijke sleutel is de verkoop van de negenjarige dochter. Ik ben eindeloos bezig geweest om te achterhalen wie Rose, Ashley en Ruth waren. Dat was vooral heel ingewikkeld omdat tot slaaf gemaakten niet op dezelfde manier in de archieven zijn geregistreerd als vrije mensen. Historische zichtbaarheid is altijd verweven met macht. Daarom weten we bijvoorbeeld heel veel over Thomas Jefferson, maar niet over Rose, Ashley en Ruth. Daar werden ze niet belangrijk genoeg voor geacht. Zelf hadden ze niet de mogelijkheid om dingen te registreren. Bovendien konden ze vaak niet lezen en schrijven. Dat was bij wet verboden in de zuidelijke staten. Waren ze er wel toe in staat geweest, hoe was deze informatie dan bewaard gebleven? Soms waren ze wel in de archieven opgenomen als hun eigenaars actief waren in politiek, kunst en cultuur of extreem welvarend waren. Als dat niet het geval was, heb je pech.’

Uw literatuurstudie kwam alsnog goed van pas: close reading heeft u op weg geholpen.

‘Op een zeker punt realiseerde ik me dat deze tas een tekst op stof is. Het is een verhaal en om dit verhaal te vertellen, zijn creatieve keuzes gemaakt door Ruth Middleton, die het verhaal van haar familie op de tas borduurde.’

In plaats van zekerheden, moest u op zoek naar waarschijnlijkheden. Dat lijkt me lastig voor een historicus.

‘Ik vond het doodeng. Ik bedoel: ik hield me als Zwarte vrouw bezig met de geschiedenis van Zwarte vrouwen. Wij worden vaak geassocieerd met sterke emoties. Dus ik dacht: als ik dan met een geschiedenis aankom waarvan liefde de drijvende kracht is, nemen mensen me niet meer serieus.’

‘Ik heb vaak aan mijn eigen kinderen gedacht tijdens het onderzoek. Soms was dat zo verschrikkelijk en verontrustend dat ik even moest stoppen.’

Maar is liefde niet ook de ingang tot Rose, Ashley en Ruth? Alleen via liefde kunnen we ons voorstellen hoe het geweest moet zijn voor een moeder die lijdzaam moest toezien hoe haar negenjarige dochter bij haar werd weggehaald om te worden verkocht.

‘Als ik die geborduurde tekst las, dan kon ik er niet omheen. Het woord is in rode letters geborduurd, Love met een hoofdletter, en er is extra witruimte omheen gelaten, zodat er extra aandacht op wordt gevestigd.’

U schrijft uitvoerig over de geschiedenis van textiele verhaalvormen en de waarde van kleding voor tot slaaf gemaakten. U beschrijft hoe ze vaak goedkope slechte stoffen van hun eigenaars ontvingen om kleding van te maken. Die was niet warm genoeg en vaak doorschijnend, waardoor jonge meisjes en vrouwen makkelijk slachtoffer werden van seksueel misbruik. Rose wist welk verschil kleding kon maken, schrijft u. Is daar de moeder aan het woord of de historica?

‘Omdat Rose wist hoe kwetsbaar meisjes waren, stond ze erop haar dochter een jurkje mee te geven. Dat kunnen we als we de liefde van een moeder voor haar kind begrijpen. In het Smithsonian Museum, waar ik de tas voor het eerst zag, was een tentoonstelling over de slavernij. Er hingen lijsten aan de muur met verkooptransacties. Op een van die lijsten stond een jongetje van zeven jaar oud, net zo oud als mijn zoon. Hij werd verkocht voor driehonderd dollar. Die lijsten waren eindeloos, maar mijn oog werd getrokken naar dat jongetje. Ik heb vaak aan mijn eigen kinderen gedacht tijdens het onderzoek. Soms was dat zo verschrikkelijk en verontrustend dat ik even moest stoppen en mezelf eraan moest helpen herinneren dat mijn eigen kinderen niet in deze situatie verkeerden en waarschijnlijk gewoon een tosti aan het eten waren in hun lunchpauze.’

De manier waarop Ruth Middleton haar familiegeschiedenis samenvat, vertelt u veel over de omgang met trauma binnen de familie. Herkende u iets van de vertelstijl van uw eigen oma?

‘Daar heb ik eerlijk gezegd niet aan gedacht, maar nu je het zegt, denk ik dat het klopt. We vertellen niet alleen verhalen voor de toehoorder, maar ook voor onszelf. Door te vertellen kunnen we de geschiedenis op een andere manier begrijpen en door er vaak over te vertellen, slijt de extreme pijn van de ervaring een beetje. Het heeft een helende werking. Uiteindelijk blijft er een kernachtig verhaal over, zoals Ruth op de tas heeft geborduurd.’

U concludeert dat u na vijf jaar in de nabijheid van de tas te zijn geweest, Rose, Ashley en Ruth toch niet intiem hebt leren kennen.

‘Ik heb de intellectuele, emotionele en artistieke nabijheid van deze vrouwen en hun verhaal gevoeld, maar ik weet dat ik niet echt dichtbij ze sta. Die afstand kan niet worden overbrugd. We leven niet in het verleden en er zijn geen bronnen die ons precies kunnen vertellen wat er is gebeurd. Het lijkt me wel zo eerlijk om dat te benoemen.’