I
‘Hey Nnenna, ben jij dit?!’
Een oud klasgenootje.
We hebben elkaar jaren niet gesproken wanneer ik opeens een notificatie van haar ontvang. Bijgevoegd een foto.
Ik herken die zwarte sjaal. Ik herken de band van een olijfgroen Oilily schooltasje. Ik herken de fiets waar ik in groep zeven oh zo blij mee was en later dolgraag weer vanaf wilde. Ik herken mijzelf, op een foto die ik nooit eerder heb gezien, ingelijst aan een onbekende muur.
Mijn mond valt open.
‘Huh???’
‘Ja?’
‘Waar is dit?’
Uitleg volgt in een spraakbericht: ‘Ik was dus net naar FOAM. Ennuh daar hang je bij. Het zijn foto’s van Johny Pitts. De Afropeaan. Vet mooie foto’s trouwens. Heel bizar dat je niet wist dat je in een museum hangt. Maar ja, bij deze!’
Mijn mond blijft open.
De Britse fotograaf Johny Pitts reisde door Europa, op zoek naar de ‘Afropeaan’. Een gedeelde identiteit onder de Afrikaanse diaspora in Europa. Het resultaat is een serie foto’s en een boek. Een daarvan draagt de titel ‘Girl on Bike’, ofwel: ‘Nnenna on Bike’.
Wat volgt is wat ik alleen kan beschrijven als een Truman Show-achtige sensatie: een reeks berichtjes van vrienden en verre kennissen die mij ergens tegenkomen. Levensgroot op het Surinameplein, een pagina in een boek, besproken tijdens een lezing in de Balie… de berichten blijven komen.
Net wanneer ik denk dat het stof is neergedaald, verschijnt de Nederlandse vertaling van Pitts’ boek en beginnen de whatsappjes opnieuw. Ik ben te zien op een uitgeprint A4’tje in de boekwinkel, op de website van boekhandel Athenaeum, een expositie en Instagram-account van The Black Archives, een hele pagina in de Volkskrant, de website van Vrij Nederland en op de boekenpagina van NRC naast een artikel dat stelt: ‘Het lot van de meeste Afropeanen is zwaar’.
Dat laatste valt verkeerd. Welk lot? Girl on Bike. Ik kijk er nog eens naar. Wie was dat meisje? Ik was een jaar of 12, misschien 13. Fietste door de Amsterdamse Pijp. Onderweg naar school, of juist terug naar huis. Waar dacht ik over na? Roddels op het schoolplein? Latijnse rijtjes die ik nog moest stampen. Met welke vriendinnen ik op werkweek zou gaan. Hoe ik mijn moeder ervan kon overtuigen dat ik écht een nieuwe fiets nodig had. Ik was een bedachtzame tiener, peinsde over van alles. Maar niet over de zwaarte van mijn lot.
Mijn ongevraagde 15 minutes of fame duren me iets te lang en de lol is eraf. Mag ik alsjeblieft gewoon Europeaan zijn?
II
Ik was pissig. Na een diepe Google-zoektocht naar het portret- en auteursrecht moest ik accepteren dat juridische wraak voor mij helaas geen optie was. Jammer, ik had mij stiekem al verheugd op een sensationeel ‘see you in court’-spektakel en de strandvakantie die ik van mijn schadevergoeding zou betalen. In plaats van mij voor te bereiden op een rechtszaak, kon ik niets anders doen dan mezelf de vraag stellen: waarom raakt dit mij zo?
Ik heb mij altijd erg Europees gevoeld. Als kind verzamelden mijn broer en ik vers ingevoerde muntjes uit elke lidstaat in onze Eurocollector, als tiener accepteerde ik enthousiast klassieke mythes als de grondslag van mijn cultuur, schreef ik utopische essays over een Europees scholenverbond, en na mijn eindexamen verhuisde ik naar Frankrijk, gewoon omdat het kon. Als student in het Verenigd Koninkrijk stonden mijn vrienden en ik als feministische fangirls in de rij voor gastcolleges van Christine Lagarde en Ursula von der Leyen, en nu, nog steeds in Engeland wonend, bied ik mijzelf grappend aan als ideale huwelijkskandidaat vanwege het Europese paspoort dat ik te bieden heb (tot op heden zonder succes).
Het bewustzijn van de verschillende manieren waarop mensen van kleur systematisch worden achtergesteld is vergroot, racisme wordt vaker erkend, en mensen zitten vol met razend goede intenties hier wat aan te doen.
Ik voel me verbonden met Europa. Met de Griekse mythe die tegenwoordig niet #MeToo-verantwoord meer is, verbonden met Christine en Ursula, met renaissancekunstenaars, met ‘Alle Menschen werden Brüder’, met vakanties in Frankrijk, frieten in Brussel en tapas in Spanje. Ik voel me Europees. De term Afropeaan plaatst mij ineens in een ander hokje. Door het Afro aan mijn Europese identiteit toe te voegen, vind ik mij ineens terug in een boek met mensen die vaker wel dan niet over het hoofd worden gezien. De man die namaak merkhandtassen verkoopt in Lissabon, de rastafari in Berlijn, de schoonmaakster in Bilbao. Ben ik nu verbonden met de Parijse banlieues, terwijl ik liever over de Champs-Élysées huppel? Verbonden aan een ‘zwaar lot’?
In 2020 vond er iets van een sociale aardverschuiving plaats. De wereld kwam opeens tot het verbijsterende inzicht dat racisme nog steeds bestaat.
Het stof is inmiddels neergedaald. Een hele hoop is precies hetzelfde gebleven, maar er is ook verandering merkbaar. Het bewustzijn van de verschillende manieren waarop mensen van kleur systematisch worden achtergesteld is vergroot, racisme wordt vaker erkend, en mensen zitten vol met razend goede intenties hier wat aan te doen. Helaas is een onbedoeld bijproduct ook een simplistisch beeld: wit heeft geluk en zwart is zielig.
Gedurende die zomer van 2020 kreeg ik meerdere malen van kennissen de vraag wat voor tegenspoed ik heb ervaren. Diezelfde kennissen vroegen mij rondom de Afropeaan-promotie wat ik merk van mijn zware lot en hoe mijn leven anders is dan dat van witte Europeanen, het stond immers in de krant.
Een zwaar lot en een ander leven… geldt dat voor mij? Ik doe alles wat ik wil en alles wat een zielig zwart meisje zogenaamd niet kan bereiken. Niet omdat ik briljant ben of een zwart succesverhaal, maar simpelweg omdat mijn sociale klasse mij de ladder op heeft geholpen.
Zonder het benoemen van sociale klasse blijven debatten over ongelijkheid ongenuanceerd. Natuurlijk zien we wel dat Nederlanders in lagere sociaal-economische posities vaker een migratieachtergrond hebben. En een gesprek over racisme moet de vraag stellen waarom dat zo is.
III
Naast de frustratie die komt kijken bij geforceerd slachtofferschap, voelde ik mij geraakt door de bestempeling tot Afropeaan omdat het een voortzetting is van een oud probleem: de disproportionele aandacht voor één kant van mijn identiteit. Bij termen als Afropeaan ligt de nadruk meer op de afro en minder op de peaan. Als iemand met een gemengde achtergrond ken ik die eenzijdige fascinatie maar al te goed. Waar kom je echt vandaan? Waar komt jouw naam vandaan? Hoe ben je dan in Nederland terechtgekomen? Spreek je een inheemse taal? Ben je lid van een stam?
Koppig blijf ik herhalen dat ik Nederlands ben. Omdat er dan ruimte komt om het te hebben over sociale klasse en omdat ik een diep verlangen heb om erbij te horen en met rust te worden gelaten.
Mijn Hollandse voorvader voerde kruistochten en ik ben verre familie van de uitbaters van de poffertjeskraam op de Dam. Is dat niet interessant genoeg? De zwarte kant van mijn identiteit wordt onder tien vergrootglazen gelegd, terwijl de witte kant helemaal niet wordt erkend. Op deze manier word ik er constant op gewezen dat ik net iets anders ben dan de rest.
Koppig blijf ik herhalen dat ik Nederlands ben. Omdat er dan ruimte komt om het te hebben over sociale klasse en omdat ik een diep verlangen heb om erbij te horen en met rust te worden gelaten.
Helaas hangt de weegschaal van aandacht behoorlijk scheef en dat voelt vaak oneerlijk. Waarom werd ik gefotografeerd? Werd ik er door Pitts uitgepikt? Kijk haar nou, zij is duidelijk geen Europeaan, zij is Afropeaan. Waarom mag een van mijn beste schoolvriendinnen, die met haar Brits-Nederlandse nationaliteit dezelfde paspoorten meedraagt als ik, wel gewoon Europeaan zijn terwijl ik als Afropeaan door het leven moet? Waarom word ik geassocieerd met een identiteit puur en alleen omdat ik een zwart meisje ben op de fiets?
Pitts ziet het woord ‘Afropeaan’ als een bevrijdend en verbindend concept. Maar voor iemand die zich altijd vrij in en verbonden met Europa heeft gevoeld, werkt de term averechts. Het voelt als een sticker die laat zien hoe ik, en mijn mede Afropeanen, anders zijn dan de ‘normale’ Europeaan. Hoe zinvol is een categorie als die dusdanig breed is dat de nuance tussen Afropeanen van verschillende sociale klassen, religies en seksuele voorkeuren verloren gaat?
IV
Het afgelopen najaar reisde ik, net als Pitts, drie maanden door Europa. Ik deed dit niet om een boek te schrijven of een fotoserie te maken, ik wilde gewoon ontspannen na mijn studie. Toch zat het concept van de Afropeaan in mijn hoofd en de vraag bleef knagen: mag ik ook gewoon Europeaan zijn?
Overal werd ik op een andere manier geconfronteerd met het feit dat ik er net niet helemaal bij hoor. In Frankrijk prees een vreemde dame in de trein me voor het lezen van een boek, iets wat mensen uit ‘mijn land’ maar zelden doen. Ik vroeg haar hoe zij over de Nederlandse leescrisis had gehoord, maar ze doelde op iets anders: les Africains, zei ze, die lezen niet.
Een week later lag ik aan een Noord-Italiaans strand mijn boek te lezen, toen een verkoper bepakt met tasjes en kettingen mij vroeg waar ik vandaan kwam. Nederland. Hij geloofde me niet. Nederland en Engeland, probeerde ik. Hij geloofde me nog steeds niet en stelde dat ik geen echte Nederlander kon zijn. Geïrriteerd vroeg ik hem of ik hem soms mijn paspoort moest laten zien.
Waar ik ook ga en sta, ik word nagewezen, opgemerkt en om legitimatie gevraagd omdat ik er niet Europees genoeg uitzie. Tegelijkertijd kan ik gaan en staan waar ik wil, juist omdat ik op papier zo Europees ben.
Het is goed dat ik dat bij de hand hield, want een paar dagen later wilde een Sloveense spoormedewerker per se eerst mijn paspoort zien voordat hij me kon vertellen vanaf welk perron mijn aansluiting zou vertrekken. In Servië liep ik rond sluitingstijd een kunstgalerie binnen. De kunstenaar bleek aanwezig en liep direct enthousiast op me af. Of ik in Belgrado woon, was de vraag. Hoezo? Ze wilde zo graag eens een zwart model schilderen, en die ziet ze hier nooit.
Het gevoel van anders zijn zette zich gedurende mijn hele reis voort. En langzaamaan veranderde het kamp waar ik wel of niet bij zou horen. In Bulgarije vervloekte een taxichauffeur mij toen ik zei dat ik Nederlands ben. ‘Door jou kunnen wij Schengen niet in.’ Met ‘jou’ bedoelde hij onze overheid, maar ik verontschuldigde me alsnog. In Bosnië en Herzegovina wezen drie jongens mij de weg naar het busstation. ‘Wij zijn ook op reis,’ zeiden ze, en we raakten aan de praat. Meer dan een jaar geleden vluchtten ze uit Afghanistan. Nu waren ze hier en hielpen mij naar het busstation. Ik vertrok naar Roemenië, waar mijn volgende overnachting was geboekt. Zij gingen de andere kant op, richting Kroatië, te voet, en slapend in het park. Boeken zonder paspoort gaat namelijk niet.
Hoe dichter ik langs de grenzen van fort Europa scheerde, hoe duidelijker me werd hoeveel privileges mijn Europese paspoort met zich meebrengt. Het voelde dubbel. Waar ik ook ga en sta, ik word nagewezen, opgemerkt en om legitimatie gevraagd omdat ik er niet Europees genoeg uitzie. Tegelijkertijd kan ik gaan en staan waar ik wil, juist omdat ik op papier zo Europees ben, en wanneer ik er genoeg van heb, brengt datzelfde donkerrode boekje mij weer terug naar huis.
V
Europeaan of Afropeaan. Zwart of wit. Zielig of niet. Mijn ervaring voelt dubbel omdat ik niet één van de twee opties kan kiezen. Hoe hard men ook probeert mij in een van de twee hokjes te passen, vroeg of laat sijpelt de complexiteit van mijn identiteit er links of rechts uit. Ik verlang ernaar om gezien te worden als een heel mens: dat mijn ervaringen met alledaags racisme erkend worden en tegelijkertijd mijn privileges worden gezien en ik ter verantwoording word geroepen wanneer ik die misbruik.
Dat ik in plaats van of of en en kan zijn. Zielig én bevoorrecht. Zwart én wit. Afrikaans én Europees. Ik hoef mij dan niet meer of minder te verbinden met Christine Lagarde of de schoonmaakster in Bilbao, ik heb met allebei wat gemeen.
Natuurlijk hoor ik hier thuis, in Europa, fietsend door de Pijp. Met een zwarte sjaal, een olijfgroen Oilily schooltasje, en gelukkig een nieuwe fiets.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.