In het jaar 1974, toen W.L. Brugsma hoofdredacteur van de Haagse Post was, vroeg redacteur G. Brands aan Willem Frederik Hermans of hij voor het weekblad een in Engeland verschenen boek over schrijfmachines wilde bespreken. Voor schrijfmachines kon je Hermans wakker maken (‘het liefst schrijf ik op al mijn schrijfmachines tegelijk’). Hermans antwoordde dat hij niet meer voor het weekblad wilde schrijven, tenminste niet ‘zo lang het inkomen van Brugsma veel te hoog is, althans hoger dan van een putjesschepper, wat onrechtvaardig is. Eerst Brugsma putjesschepper worden, dan zullen we verder zien.’

In 1989 werd Hermans uitgenodigd om op te treden in de TV-show van Ivo Niehe, op te nemen in een nader te bepalen locatie in Hermans’ woonplaats Parijs. Toen Ivo met zijn ploeg in Parijs was aangekomen belde hij Hermans op. Hij kreeg een Frans sprekende meneer aan de telefoon die zei dat Hermans niet thuis was, hij was naar Maastricht. Ivo besloot toch naar het huis van Hermans te gaan. Daar werd opengedaan door de schrijver zelf. Het optreden had plaats in een hotel en na afloop deed Hermans Ivo Niehe een van zijn boeken cadeau, voorzien van de opdracht ‘Voor Henk, voor zijn doorzettingsvermogen’.

freudiaans verslaafd aan zijn eigen portret

Deze twee sardonische voorvallen komen voor in Het universum van Willem Frederik Hermans, een schrijversprentenboek bestaande uit 451 mooi vormgegeven pagina’s van 24×24 cm. Het universum is het definitieve supplement op Mandarijnen op zwavelvuur. Het zorgt voor evenveel vermaak en soms ergernis. Het verschil is dat de mensen die in Het universum doelwit zijn van Hermans’ sardonie of sympathie niet alleen schrijvers zijn, maar alle soorten contacten in zijn leven (1921-1995) bestrijken, dus collega-geologen, vrienden, professoren, instanties, uitgevers, familie, kranten, redacteuren, politici, filmregisseurs, schrijfmachine fabrikanten en drukkers. Het is een biografie aan de hand van in facsimile afgedrukte doorslagen van brieven, documenten, handschriften, fotoreportages, geologische excursies, vakantiekiekjes, krantenknipsels, boekomslagen en veel foto’s, waarvan heel veel van Hermans zelf. Hermans had van alle brieven die hij verstuurde een kopie. Zijn brievenarchief beslaat zo’n 30 strekkende meter. Er zijn zo’n 10.000 persoonlijke documenten. Hermans was zijn eigen documentalist.

‘De literatuur’, schreef Hermans aan de Bezige Bij-directeur, ‘verschaft de mens niets dan ellende en het is dus een groot geluk dat ik er mee opgehouden ben.’

Hoe autonoom Hermans als mens en schrijver ook was, hij was Freudiaans verslaafd aan zijn eigen portret, door hemzelf gemaakt of door fotografen. Hij had een niet te weerstane drang om zichzelf gefotografeerd te zien, in alle denkbare poses. Hermans was een grote ijdeltuit en een narcist.

niets dan ellende

Het universum van Willem Frederik Hermans is zonder meer een glorieus boek in de geschiedenis van de Nederlandse literatuur. Het opent in de vorm van die brieven, foto’s en documenten de deur naar de achtergrond van al die verhalen, ruzies, polemieken en schandalen waar Hermans bij was betrokken gedurende zijn leven. De tientallen thema’s (‘Tussen Kafka en Grass’, ‘Hermans gaat solliciteren’, ‘Een zoekgeraakte Mandarijn’, ‘Nooit meer schrijven’, ‘Mot met Mulisch’, ‘Wie loog er, Reve of Hermans?’, ‘Hermans als kindervriend’, ‘Broek zit wat rimpelig’, ‘In ongenade’) worden door de samenstellers Max Pam, Hans Renders en Piet Schreuders informatief en doorgaans neutraal van toon toegelicht. Hier zijn alle officiële brieven over Hermans’ vete met de Universiteit Groningen te vinden en dus de achtergrond van Onder professoren. Hier ook Hermans’ correspondentie met Bep Turksma die door Weinreb werd beschuldigd en door Hermans werd verdedigd. Hier ook de crisis in 1972 en 1973 toen Hermans besloot zijn leven verder aan de geologie te wijden en met schrijven op te houden.

‘De literatuur’, schreef hij aan Bezige Bij-directeur Geert Lubberhuizen, ‘verschaft de mens niets dan ellende en het is dus een groot geluk dat ik er mee opgehouden ben.’ Hij had net de elfde druk van Het behouden huis in handen gekregen en gezien dat een correctie die hij had aangebracht in het correctie-exemplaar niet was uitgevoerd.

hondse hatelijkheden

Hoeveel sarcasme in Het universum ook te vinden is, het doet niemand meer pijn. Al die hatelijkheden van Hermans zijn geschiedenis geworden. Toch voel je retrospectief nog wel mee met mensen die met Hermans’ karakter te maken hebben gekregen. Zoals de penningmeesters van de sociëteiten De Koepel (in het theater DeLaMar in Amsterdam) en De Kring aan het Leidseplein. Op het moment dat Hermans er lid van wordt zie je het aankomen: die gaat moeilijk doen over de contributie en niet betalen, brieven schrijven, soebatten, zeuren, betalen pas na eindeloze aanmaningen. En dan nog korting willen krijgen ook.

De samenstellers benadrukken dat we in Het universum ‘de speelse Hermans’ aantreffen. Ik zou zeggen: ook de speelse Hermans. Er zijn genoeg momenten dat de hatelijke Hermans naar voren komt. Bijvoorbeeld in de door de samenstellers zelf als autobiografisch aangemerkte bekentenis in het verhaal ‘Het grote medelijden’. Bij een ontmoeting met iemand denkt hij vrij snel: ‘Hoe kom ik van hem af. Hoe kom ik in godsnaam van hem af. Hatelijkheden en beledigingen verdrongen zich in mijn brein.’ Het was alsof Hermans in zulke situaties geen controle had over wat er in hem omging: ‘Juist als ik mijn best doe mijn mond niet voorbij te praten, zijn de weinige dingen die ik zeg, hatelijk.’

Als Hermans ergens tegen was, dan was het tegen gedraai, roomse hypocrisie, leugenachtigheid, je anders voordoen dan je bent.

In het begin van zijn schrijverschap (rond 1940) had Hermans te maken met veel afwijzingen. Hij kreeg aan de lopende band de verhalen, stukken en stukjes terug die hij aan kranten, tijdschriften en uitgevers stuurde. Hij had daarna altijd moeilijke verhoudingen met uitgevers en kranten. Behalve Jaco Groot van De Harmonie vertrouwde hij ze niet. Geert van Oorschot al helemaal niet, maar met Geert Lubberhuizen was het ook niet makkelijk. Hermans kon daarom zijn geluk niet op toen hij zelf in 1955 uitgever werd van de eerste uitgaven van Mandarijnen op zwavelzuur in brochurevorm. Toen hij jaren later een heel manuscript van 280 pagina’s bij elkaar had zocht hij een uitgever (Lubberhuizen wilde niet: te veel mandarijnen in zijn fonds). Hermans bedacht iets: ‘Misschien ga ik een advertentie plaatsen dat serieuze liefhebbers het bij mij kunnen komen lezen (kijken of ze er zelf in staan en zo) à raison van f. 1,- per uur, gebruik van asbakje inbegrepen.’

Hermans heeft door de jaren heen heel wat snerpend onaardigs over zijn ouders gezegd (‘Wij mochten niets van wat andere kinderen mochten. Er was bij ons thuis geen radio, geen grammofoon” – Fotobiografie). Dat veranderde kennelijk drastisch gezien de regelmatige liefdes en sympathiebetuigingen van de ouders richting Groningen waar Hermans tot 1972 woonde. Er bestonden bepaalde ‘warme gevoelens’ van zijn ouders voor hem en zijn vrouw Emmy. Pas toen Hermans in 1955 promoveerde vond hij het niet meer nodig zijn vader van alles wat bij hem mis ging de schuld te geven.

Met een zekere regelmaat bleef Hermans ondertussen vriendschappen opzeggen. Door de jaren heen had de excommunicatie plaats van Gerard Reve, Fons Rademakers, Oey Tjeng Sit, Frans Janssen, Geert van Oorschot, Paul Rodenko, Rudie van Lier, Adriaan Morriën, J.B. Charles, Hugo Brandt Corstius, Charles Timmer, W.L. Brugsma, Frans Boenders, Jan Blokker, Rudy Kousbroek en Freddy de Vree voor de helft of driekwart. Trouw bleef hij min of meer aan Hans van Straten en helemaal aan bewonderaars Henk Hofland en Frida Balk. Maar ook zij hadden te maken met wat de hoofdpersoon in ‘Het grote medelijden’ zegt: ‘Ik ben met niemand solidair. Ik ben alleen mijn eigen bondgenoot en niet eens door dik en dun.’

een verheven authenticiteit

Er staat in Het universum een opmerkelijke brief van viereneenhalve pagina A4 in facsimile afgedrukt aan Hofland waarin elke hatelijkheid, intimidatie, afstandelijkheid en vileinigheid ontbreekt. Hermans doet hier niet aan zelfbescherming, schrijft tamelijk argeloos voor zich uit. Het is geen brief om even losjes uit te citeren, want dan is een citaat al snel uit zijn delicate verband gerukt. Hermans heeft het bijvoorbeeld over de manier waarop hij Hitler zou verdedigen. Dat zouden anderen hem niet nadoen. Iets minder heikel wordt het als Hermans het heeft over het verschil tussen denken en doen. In de bekende vragenlijst van Marcel Proust antwoordde hij op de vraag wat zijn devies was: ‘Laten we leven als burgers, maar denken als halfgoden.’ Dat brengt Hermans aardig in de praktijk want in zijn romans en verhalen laat hij zijn sympathieke en onsympathieke personages grenzeloos fantaseren over gruwelijkheden.

Het sadistisch universum speelt zich niet alleen in de fantasie af: ‘Er zijn nu eenmaal dingen die fijn zijn om te doen en andere die fijn zijn om over te lezen of te schrijven’, schrijft hij Hofland. Hermans fantaseert daarbij over machtswellust en dictatorschap en noemt het ‘uitroeien van gehele groepen een algemeen verbreide en diep menselijke gedachte’. Volgens Hermans, die in 1963 soms half gek moet zijn geweest, zou Nederland ‘er alle voordeel bij gehad hebben neutraal te blijven’ in plaats van tot een ‘heilige oorlog tegen Hitler op te roepen’. Hierbij krab je je even op je achterhoofd.

Een flink aantal pagina’s is in Het universum gewijd aan Hermans’ collages, de plakwerkjes die hij maakte door van alles (heel vaak mooie vrouwen) uit geïllustreerde tijdschriften te knippen en die op een bepaalde manier te verwerken tot een surrealistische collage. Het omslag van Mandarijnen op zwavelzuur met de roofvogelkop op het lijf van een vrouw is zo’n collage. Wie op de Mandarijnen intekende kreeg er gratis een originele collage bij. Het kwam er meestal op neer dat Hermans iets moois en charmants tot iets geks of bizars verplakte. Een ideaal vrouwenlijf kreeg een sardonisch lachende monsterlijk grote mond als hoofd. Met zijn bizarre collages bracht Hermans precies in de praktijk wat hij aan Hofland schreef: ‘Ik geloof dat diep innerlijk elk menselijk individu wel weet dat de wereld, hoe dan ook, altijd een grote gehaktmolen is en blijven zal. Ik daag trouwens iedereen uit zich iets anders voor te stellen van de wereld.’ Hermans maakte met het knippen en surrealistische plakken zelf gehakt van de wereld: ‘Het is een nooit geziene droomwereld uit de brokstukken van een wereld waar we op uitgekeken zijn.’

Hermans had de drang om vervelend onaardig te zijn, maar was op andere momenten aandoenlijk sympathiek, even de werking van de gehaktmolen vergetend.

Hermans zegt in zijn devies wel dat hij als een burger leeft en als een halfgod denkt, maar hij was niet burgerlijk toen hij zich in 1960 ging interesseren voor marihuana, drinamyl en LSD. Dat was natuurlijk uit nieuwsgierigheid, aangewakkerd door vrienden en kennissen als Simon Vinkenoog en Gust Gils, maar hij gebruikte serieus. Het beste beviel hem ‘drinamyl, twee tabletten, minder onrustig makend dan dexedrine en toch aanleiding gevend tot op niets gebaseerd optimisme, verzoening met deze wereld, waarin geen verzoening bestaat, alleen maar nederlagen.’ Het middel werd wel uit de handel genomen omdat het psychoses veroorzaakte. Hermans kon soms wachten op ‘een lading marihuanasigaretten’ van Vinkenoog. Wanneer ze geleverd en gebruikt waren liet Hermans hem weten: ‘Het was geweldig, heel veel dank.’

Als Hermans ergens tegen was, dan was het tegen gedraai, roomse hypocrisie, leugenachtigheid, je anders voordoen dan je bent. Hoe vaak hij anderen ook de maat nam, hij vergat zichzelf in de kwestie van zijn aanmelding om lid te worden van de Kultuurkamer. Tijdens Hermans’ leven onthulde Adriaan Venema het nodige over collaboratie van Nederlandse schrijvers, maar hij was voor zijn dood nog niet toegekomen aan de Kultuurkamer. Venema zou zeker in het nieuwe deel van zijn collaboratieboek de complete lijst van aanmelders en leden hebben gepubliceerd en dan zou de naam van Hermans daar ook bij hebben gestaan. Alsof Hermans al een vermoeden had dat dit zou gebeuren schreef hij Hans van Straten een brief waarin hij al inging op het verschil tussen een aanmelder en een lid van de Kultuurkamer. Een aanmelder is pas lid als hij met een werkstuk zijn kunnen heeft laten zien, eerder niet, benadrukte Hermans alvast. Het is alsof hij zich bijvoorbaat tot een onbelangrijk klein zondaartje maakte.

Door al die originele brieven en documenten krijgt alles wat in Het universum staat een verhevigde authenticiteit. De door het gebruik van carbonpapier vage doorslagen van brieven helpen daar sterk aan mee. Je moet ze toch een beetje ontcijferen. De vraag of uit dit boek een aardige en speelse Hermans voortkomt is lastig te beantwoorden. Hermans was vaak intimiderend, honds hatelijk en wantrouwend, ook als er geen aanleiding voor was. Zoals met geld. In 1986 stelde hij met K.L. Poll en Wout Woltz van de NRC een contract op dat hij voor f. 4000,- per stuk 12 artikelen per jaar zou schrijven van 6 bladen à 43 regels. Die regels zouden 80 aanslagen bevatten. Hij had een drang om vervelend onaardig te zijn. Op andere momenten was hij aandoenlijk sympathiek, even de werking van de gehaktmolen vergetend. Die twee Hermansen, samen met een collectie andere passies en obsessies, leidden een living apart together bestaan, terwijl hij ondertussen beziggehouden werd door zijn 125 schrijfmachines, twee poezen, fototoestellen, sportauto’s, allerlei stempels en de Gitanes-sigaretten, die hem fataal zouden worden. Dat roken had te maken met wat hij antwoordde op de vraag wat zijn grootste fout was: ‘nervositeit’.

Het universum van Willem Frederik Hermans, samengesteld door Max Pam. Hans Renders en Piet Schreuders is uitgegeven door De Harmonie.