Soms heeft de geschiedenis een gelukkige hand en laat dan iets gebeuren dat alleen maar voor genoegen kan zorgen. Bijvoorbeeld in 1433. In dat jaar schilderde Jan van Eyck zijn portret, het eerste ons bekende zelfportret dat meteen het zelfportret der zelfportretten is. Geen gewoon keurig portret dus, maar iets spectaculairs: een lichtelijk sceptisch kijkende Van Eyck getooid met een woest geschikte rode fantasietulband gemaakt en op Van Eycks hoofd gedrapeerd door een vijftiende-eeuwse Iris van Herpen.
Zelfportretten zijn meestal geschilderde dagboeken, zoals deze van Van Eyck. Die was op die dag in een ironische stemming en wilde zichzelf eens bescheiden flamboyant schilderen. Onthullend. Na de middeleeuwen wilden echte schilders zich wel laten zien, op een beetje interessante manier liefst. Zoals Dürer die zichzelf als Christus met wilde krullen schilderde, of Parmigianino die zichzelf als een jongetje van vijftien in een bolle spiegel zette. Er is altijd iets bijzonders met zelfportretten. Rafaël schilderde zijn gave gezicht terwijl hij verrast achterom kijkt naar de toeschouwer (een kopie van het zelfportret op De school van Athene). De onvolprezen Sofonisba Anguissola schilderde zichzelf maar liefst dertien keer in de tweede helft van de zestiende eeuw. Artemisia Gentileschi deed het pas in 1638. Titiaan, bij wie we meteen aan zijn Venus van Urbino denken, beeldt zichzelf af in de houding en de kleren van een paus. Arcimboldo (die normaal portretten aan met groenten of vissen schilderde) tekende zichzelf aan de hand van stukken papier: haar als gekruld velletjes, een kraag van perkament, een baardje van kattebelletjes, een jasje van stroken papier.
de geschiedenis van het gezicht
Merlijn Schoonenboom snijdt dus geen klein onderwerp aan in zijn boek Het gezicht, een cultuurgeschiedenis van sluier tot selfie. Deze zelfportretten uit vijftiende en zestiende eeuw staan voor de mens als individu dat in die tijd, de tijd van de renaissance, een nieuwe verschijning was. Alle aandacht was eeuwen lang uitgegaan naar god, goden en hun plaatsvervangers op aarde. Nu was de mens aan de beurt. De spiegel hielp daarbij. In rudimentaire vorm was de spiegel bij de Egyptenaren en de klassieke oudheid al bekend, maar werd rond 1400 van betere kwaliteit. Men leerde er zichzelf als verschijning mee kennen. In een boek van Boccaccio over vrouwen uit 1402 staat een illustratie waarop de van Plinius bekende schilderes Marcia in een spiegeltje kijkt terwijl ze zichzelf aan het schilderen is. De spiegel leidde een nieuwe fase in het zelfbewustzijn van de westerse mens in. Dat zelfbewustzijn zal in de loop der eeuwen alleen maar toenemen, te beginnen bij Narcissus tot aan de selfie, de allemansvriend.
De selfie en het digitale tijdperk hebben voor een toegeeflijk en gedemocratiseerd narcisme gezorgd.
De geschiedenis van het gezicht deelt Schoonenboom losjes in fases in. Het nieuwe zelfbewustzijn creëert de mogelijkheid om met het gezicht te gaan spelen. Dat is te zien op de achttiende-eeuwse Venetiaanse schilderijen van Pietro Longhi, waarop tegen de pest bedoelde snavelmaskers ook gebruikt worden voor criminele en amoureuze doeleinden. Met name in de achttiende eeuw in het milieu van de aristocratie en de hofcultuur gaat men er een spel van maken om zich anders voor te doen dan men is. In romans als Les Liaisons dangereuses (1782) van Choderlos de Laclos, waarin een gevaarlijk spel met de liefde wordt gespeeld, lees je hoe effectief manipulatie kan zijn. Dat was ook de tijd van speculatieve schedelmeters en gezichtslezers als Lavater en Lombroso. Daar kwam in de negentiende eeuw met de komst van de burgerlijke samenleving dan ook een reactie op. De camera obscura-achtige burgers moesten als betrouwbare sujetten hun ware gezicht tonen. Waar dan weer reacties op kwamen in de figuur van de snob, van de estheet, van de gentleman. De Oscar Wildes betraden de boulevards.
het leven als een mentale verkleedpartij
Als cultuurgeschiedenis is Het gezicht nogal springerig en fragmentarisch omdat Schoonenboom steeds voeling wil houden met onze eigen tijd. Er komen veel onderzoeken en namen voorbij van hedendaagse kenners van het gezicht, gespecialiseerd in herkenning van emoties. Er was ook een tijd, eind negentiende eeuw met de komst van Freud, dat men ‘afscheid van de zichtbaarheid’ nam omdat het gezicht uit de gratie was ten faveure van de inhoud van het hoofd, van de psyche. Daar zou de echte mens zitten.
De selfie en het digitale tijdperk hebben voor een toegeeflijk en gedemocratiseerd narcisme gezorgd. Dat is te zien aan de boeken die Schoonenboom geraadpleegd heeft: Culture of the Selfie, The Making of the Modern Self, Face Value, Selfies of Auf der Suche nach Resonanz: Wie sich das Seelenleben in der digitalen Moderne verändert. Het zou de bedoeling moeten zijn dat de selfie het gezicht zou tonen dat degene die de foto maakt van zichzelf wil laten zien. Maar het getoonde gezicht is opgemaakt en bijgewerkt naar het voorbeeld dat op dat moment het meest aantrekkelijk en mooi wordt gevonden. Lange tijd was dat Kim Kardashian. Maar dit ‘mooi’ gevonden gezicht blijkt een ‘samengesteld gezicht’ te zijn, opgebouwd uit verschillende ook mooi gevonden componenten. Resultaat is een heel algemeen ‘mooi’, bijna doorsnee mooi, waarin alle karakteristieke eigenschappen van iemand zijn weggewerkt. Dat noemt men wel het Instagram-gezicht. Het gezicht van Kim Kardashian is moeilijk te herkennen als van haar, ze lijkt te veel op andere schoonheden. ‘Kim Kardashian’ is iemand tussen aanhalingstekens. Kate Moss, Naomi Campbell, Christy Turlington of Claudia Schiffer staan niet tussen aanhalingstekens. Die zijn wie ze zijn.
De selfie is niet gewoon een foto van jezelf die doorgestuurd wordt naar een vriend of vriendin. Hij wordt gezien als propaganda voor jezelf. Dat is de minst interessante kant van de selfie, de kant van de influencers. Interessanter wordt het wanneer Schoonenboom wijst op het paradoxale van de selfie en van de identiteit die ermee wordt uitgedragen. Men wil tegenwoordig een ‘vloeibare’ of ‘flexibele’ identiteit hebben. De praktijk is dat men permanent met die identiteit bezig is en niet met het leven zelf. Een identiteit hebben wil zeggen met een andere identiteit bezig zijn. Leven als een mentale verkleedpartij.
bedrieglijk treurig, bedrieglijk vrolijk
Schoonenboom probeert alle onderzoeken die gedaan zijn met betrekking tot het gezicht neutraal te beschrijven, maar hij wil ook de betekenis van de ‘hedendaagse gezichtencultuur’ benoemen, conclusies trekken. De selfie wordt dan de uitdrukking van een diepe sociale crisis. De selfie wil het ‘gevoel van vervreemding en anonimiteit in de hedendaagse samenleving verminderen’. De vraag is of dit klopt. Dan zou de smartphone waarmee die selfies worden gemaakt niet voor een grotere individuele zichtbaarheid zorgen, maar juist voor vervreemding en onzichtbaarheid. Er zal altijd wel een zekere mate van ‘vervreemding’ sprake zijn bij jongeren (‘lastige leeftijd’), maar in het algemeen is de smartphone een godsgeschenk waar vooral veel plezier aan wordt beleefd, en niet alleen door jongeren.
Wat niet wegneemt dat er volgens Schoonenboom sprake is van een ‘opvallende uniformering, een globalisering van het gezicht, zowel in de vorm van neuzen en monden als in de gezichtsexpressie. Een stroom van gelijkuitziende vrouwen en mannen begint de hedendaagse visuele cultuur te vullen.’
Het gezicht is een te beperkt terrein om iets aan af te lezen. Het heeft altijd context nodig.
Wanneer het over het gezicht gaat stuit je vanzelf op het perverse gebruik dat ervan wordt gemaakt. Zoals door overheden die vinden dat aan gezichtsherkenning moet worden gedaan, om welke reden dan ook. Het is niet meer vanzelfsprekend dat men van iemands gezicht afblijft, het is immers privé-domein. Het zo maar ophangen van camera’s deugt niet, hoe vanzelfsprekend het ook aan het worden is. Het wordt tijd dat men terug gaat naar af: alle camera’s gewoon weg, verboden.
Schoonenboom geeft zoveel onderzoeken weer dat het erop lijkt alsof hij instemt met veel dat die nieuwe technieken kunnen zien aan het gezicht. Maar aan het slot van het boek horen we toch een benauwd stemmetje dat zich zorgen maakt. Zijn die nieuwe technieken niet evenzovele gevangenissen aan het worden waarin mensen digitaal opgesloten worden? Hij schrijft: ‘In hoeverre de nieuwe technieken deel kunnen worden van een democratische, diverse samenleving, is dus nog zeer de vraag. Het sterke verlangen de ander te kunnen identificeren kan net zo goed voor een toename van de controle zorgen en kan de individuele vrijheid flink inperken.’
Schoonenboom geeft het zelf toe: het gezicht is een te beperkt terrein om iets aan af te lezen. Het heeft altijd context nodig. Een selfie kan zo maar bedrieglijk treurig zijn, of zo maar bedrieglijk vrolijk.
Het gezicht, een cultuurgeschiedenis van sluier tot selfie door Merlijn Schoonenboom is uitgegeven door Atlas Contact.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.