‘De kunst van belastingheffing bestaat eruit de gans zo te plukken dat de meeste veren worden verkregen bij het geringste gesis.’
Jean-Baptiste Colbert, minister van Financiën onder Lodewijk de 16e.

Progressieve denkers bepleiten een nieuw idee van verdelende rechtvaardigheid: het limitarisme. Volgens dat idee zouden mensen door de staat moeten worden begrensd in hun rijkdom. Boven een bepaalde limiet aan inkomen of vermogen – waarover het precies gaat wordt niet duidelijk – zou die rijkdom moeten toevallen aan de staat via herverdeling, regulering of andere vormen van overheidsingrijpen.

De intellectuele moeder van het limitarisme is Ingrid Robeyns, als hoogleraar politieke filosofie en toegepaste ethiek verbonden aan de Universiteit van Utrecht. Volgens haar is limitarisme ‘de opvatting dat het niet moreel toelaatbaar is om rijk te zijn’. Robeyns vindt dat ‘het in bezit hebben van grote concentraties aan vermogen geen algemeen positieve bijdrage levert’.

Het limitarisme gaat ervan uit dat boven een bepaald inkomens- of vermogensniveau het hebben van nog meer middelen niet meer leidt tot grotere mogelijkheden tot een ‘volledig florerend leven’. Alle rijkdommen boven een bepaalde limiet – door Robeyns surplus rijkdom genoemd – zouden moeten toevallen aan de staat. Zij schat op basis van eigen onderzoek dat die limiet rond de 2,2 miljoen euro zou kunnen liggen.

Het is hier eenzaam aan de top van de inkomensverdeling; de inkomensconcentratie behoort tot de laagste in de ontwikkelde wereld.

Het limitarisme wil rijkdom begrenzen om de fundamentele politieke gelijkheid van alle burgers te garanderen en te voorkomen dat vermogenden een steeds grotere greep krijgen op het politieke proces. De samenleving heeft bovendien urgente noden, zoals armoede, maatschappelijke achterstanden en klimaatverandering. Met het wegbelasten van surplus rijkdom kunnen die maatschappelijke noden worden geledigd.

Eenzaam aan de top

Het limitarisme wint de laatste tijd sterk aan populariteit in progressieve kringen. VN-redacteur Sjors Roeters toont zich in zijn vorig jaar verschenen boek Miljardairs onder de guillotine een pleitbezorger van het limitarisme, en ook Volkskrant-columnist Sander Schimmelpenninck heeft zich onlangs tot aanhanger verklaard.

Het idee van het limitarisme kan deels worden begrepen als een reactie van progressieve denkers op de almaar groeiende concentratie van inkomen en vermogen aan de top in veel westerse en vooral Angelsaksische landen. Thomas Piketty en vele van zijn coauteurs hebben dat in een niet-aflatende stroom wetenschappelijke publicaties laten zien.

In Nederland neemt die inkomens- en vermogensconcentratie aan de top overigens niet toe, blijkt uit dezelfde cijfers van Piketty en de zijnen en die van het CBS. Het is hier eenzaam aan de top van de inkomensverdeling; de inkomensconcentratie behoort tot de laagste in de ontwikkelde wereld. De vermogensconcentratie is wel groot, ook in vergelijking met andere landen, maar neemt evenmin toe over de tijd.

Totaal ontaarde statusrace

Het is wel te begrijpen dat limitaristen menen dat er ergens een inkomens- of vermogensgrens is waarboven geldt ‘genoeg is genoeg’. Veel (maar zeker niet alle) superrijken – mediapersoonlijkheden, vastgoedcowboys, popartiesten, tech-ondernemers, wildwestkapitalisten – bezwijken aan een totaal ontaarde statusrace, waarbij hun consumptie steeds groteskere en obscenere vormen aanneemt. Zie hun collecties huizen, boten, vliegtuigen, auto’s, juwelen, kunstwerken en andere luxegoederen.

Het leidt daarnaast geen enkele twijfel dat ‘onverdiend’ inkomen belangrijker wordt en gedurende de afgelopen decennia steeds meer is gaan bijdragen aan de inkomens- en vermogensongelijkheid. Onverdiend inkomen is vergaard zonder een economisch offer te brengen. Denk daarbij aan fortuinen vanwege de enorme schaalvoordelen bij online platforms, windhandel met onroerend goed, het uitbuiten van consumenten of werknemers door groeiende marktmacht, het vervuilen van het milieu of het afwentelen van risico’s in de financiële sector op het collectief.

Het is daarom toe te juichen dat progressieve denkers nieuwe theorieën over verdelende rechtvaardigheid ontwikkelen. Vanuit conservatieve hoek is daar al jaren niets meer over vernomen.

Onuitvoerbaar

Toch zitten er grote economische en intellectuele tekortkomingen aan het limitarisme. Het belangrijkste probleem is dat het praktisch domweg onuitvoerbaar is.

Hef tarieven van honderd procent op al het inkomen boven een bepaalde limiet, of belast alle vermogen weg boven een limiet, en er zal boven die limieten nauwelijks nog inkomen worden verdiend of vermogen worden vergaard.

Het volledig wegbelasten van inkomen boven een bepaalde limiet zal namelijk iedere economische prikkel om meer te verdienen dan de limiet door hard te werken, te ondernemen, risico’s te nemen, te sparen en beleggen of carrière te maken uitdoven. Ongetwijfeld zullen ook nog wat mensen voor de lol blijven werken. Maar een groot deel van de maatschappelijk zinvolle economische activiteiten waarvan de inkomsten uitgaan boven de gestelde limieten zullen ophouden te bestaan.

Het idee dat superrijken geen enkele positieve maatschappelijke bijdrage zouden kunnen leveren, is daarom onjuist. Zeker, hoe rijker mensen zijn, hoe minder extra nut of welvaart een extra euro in hun handen oplevert. Men kan zelfs goed beargumenteren dat superrijken – gezien hun rijkdom – nul aanvullend nut ontlenen aan het hebben van nog een euro extra. Maar vanwege het inkomen en de werkgelegenheid voor anderen in die activiteiten en de belastingopbrengsten voor de overheid over de inkomsten uit die activiteiten, betekent dat nog niet dat de economische activiteiten waarmee die euro wordt verdiend, maatschappelijk waardeloos zijn.

Een belangrijke empirische les uit de overheidsfinanciën leert dat wanneer de overheid meer belasting gaat heffen, de extra belastingopbrengsten steeds geringer worden.

De superrijken zullen bovendien helemaal niet stoppen met inkomen verdienen of vermogen vergaren. Zij zullen hun inkomen of vermogen alleen niet langer in Nederland aanhouden als dit volledig wordt wegbelast. Zij kunnen – zolang niet alle landen hetzelfde doen – hun fortuinen via belastingplanning op volkomen legale wijze onttrekken aan de greep van nationale overheden. Dit is overigens geen rechtvaardiging van dat gedrag.

Empirische les

Bij de huidige, lage tarieven op kapitaalinkomen is het maatschappelijk gewenst dat de overheid een substantieel groter deel van de belastingopbrengst genereert door kapitaal zwaarder te belasten. Zo houd ik al jarenlang pleidooien om de belastingen op kapitaalinkomen te herzien met één gematigd vlak tarief op vermogensinkomsten en -winsten van ongeveer 25-35 procent. Daarmee kunnen ideeën over rechtvaardigheid tegen de laagste maatschappelijke kosten worden gerealiseerd.

Maar dat verhoging van de belastingen op kapitaal wenselijk is, betekent nog niet dat het wenselijk is om tarieven van honderd procent te heffen. De belastingopbrengsten nemen dan namelijk niet toe, maar juist af.

Een belangrijke empirische les uit de overheidsfinanciën leert dat wanneer de overheid meer belasting gaat heffen, de extra belastingopbrengsten steeds geringer worden. De belastinggrondslagen krimpen, omdat economische activiteiten afnemen of omdat belastingontwijking (legaal) en belastingontduiking (illegaal) toenemen.

Voorbij een bepaald tarief levert een hoger belastingtarief dan géén extra opbrengsten meer op; de mogelijke toename van de belastingopbrengst door hogere belastingtarieven wordt dan volledig tenietgedaan door het krimpen van de belastinggrondslag.

De maximale belastingopbrengst van de belasting op arbeidsinkomen wordt in Nederland bij toptarieven van rond de 50 procent bereikt. Voor de veel ongelijkere, Angelsaksische landen kan dat rond 60-70 procent zijn. De maximale opbrengst van belastingen op kapitaalinkomen wordt echter bij lagere toptarieven bereikt dan bij belastingen op arbeidsinkomen. Uit empirisch onderzoek blijkt namelijk dat de belastingopbrengsten sterker dalen als kapitaalinkomen zwaarder wordt belast. Dat komt onder meer doordat kapitaal internationaal mobieler is, maar ook makkelijker te manipuleren voor de belastingen, zeker aan de top.

Als de overheid al het inkomen of vermogen met honderd procent probeert weg te belasten, dan zal de hoop op extra belastingopbrengsten ijdel blijken. Sterker, die opbrengsten zullen dalen.

Geen weldenkend mens zou het limitarisme daarom moeten willen omarmen.

Door de rijken en hun geld weg te jagen, slacht het limitarisme de kip met de gouden eieren. Het eindresultaat zal zijn dat de top van de inkomens- en vermogensverdeling er inderdaad wordt afgehakt, maar ook het inkomen en vermogen boven de limieten zal grotendeels verdwijnen. Daar hebben de superrijken zelf betrekkelijk weinig last van en hun fiscalisten en adviseurs profiteren. Vooral de rest van de samenleving zal worden getroffen. Door geringere economische activiteiten zullen de werkgelegenheid en het inkomen vooral voor ándere mensen dan de superrijken afnemen.

De overheid zal minder belastinginkomsten incasseren, waardoor minder publieke voorzieningen en inkomensondersteuning kunnen worden geboden aan juist die groepen die het slechtst af zijn. Geen weldenkend mens zou het limitarisme daarom moeten willen omarmen; niemand gaat er dan op vooruit en iedereen gaat erop achteruit.

Onliberaal

Het limitarisme stuit niet alleen op harde economische grenzen, maar kent ook een aantal fundamentele politiek-filosofische tekortkomingen, die conservatieven, liberalen en progressieven zouden moeten afschrikken.

Het limitarisme doet een hevige inbreuk op het eigendomsrecht. Het komt namelijk neer op onteigening van bezit boven de gestelde inkomens- of vermogenslimieten. Het limitarisme zou daarom ook als een milde variant van marxisme kunnen worden bestempeld: onder de limieten bestaat nog een vrijemarktgeoriënteerde samenleving, daarboven is de samenleving socialistisch.

De superrijken moeten door de staat als citroenen worden uitgeknepen totdat je de pitjes hoort kraken.

Het limitarisme is onliberaal. Het deelt de wereld op in mensen boven en onder de door hen gestelde limieten. De superrijken moeten door de staat als citroenen worden uitgeknepen totdat je de pitjes hoort kraken. Dit maakt ook een geweldige inbreuk op de vrijheid van handelen boven de inkomens- en vermogenslimieten. Je hoort de skeletten van Friedrich Hayek en Milton Friedman al rammelen in hun graf.

Het zou niet voor het eerst in de geschiedenis zijn dat progressieven liberale waarden offeren aan hun fanatieke streven naar meer gelijkheid. Maar limitarisme is ook strijdig met de ideeën van de belangrijkste progressieve denkers over verdelende rechtvaardigheid.

Het limitarisme strookt niet met John Rawls’ theorie van rechtvaardigheid. Volgens Rawls zou overheidsbeleid erop gericht moeten zijn het economisch lot van de minst bedeelden zoveel mogelijk te verbeteren. Rawls zou het limitarisme afwijzen aangezien het instellen van limieten op inkomen en vermogen zal leiden tot een verslechtering van de positie van de minst bedeelden doordat het een lager inkomen of minder werk en minder belastingmiddelen voor de staat veroorzaakt.

Hoe kunnen de capaciteiten en mogelijkheden van mensen om te kunnen ‘floreren’ toenemen als maatschappelijke mogelijkheden juist kleiner worden?

Om dezelfde reden zou Amartya Sen zijn wenkbrauwen ophalen. Hoe kunnen de capaciteiten en mogelijkheden van mensen om het best denkbare leven te leiden, om te kunnen ‘floreren’, eigenlijk toenemen als maatschappelijke mogelijkheden juist kleiner worden?

Net als het utilitarisme (streven naar ‘het grootste geluk voor ons allemaal’) en het egalitarisme (‘iedereen gelijk’), is het limitarisme uitkomst-georiënteerd. In politiek-filosofisch jargon: het limitarisme is consequentialistisch. Het kijkt alleen naar de uiteindelijke economische uitkomsten – zitten mensen boven of onder de limieten? – maar stelt niet de vraag: hoe worden die uitkomsten gerealiseerd?

Het limitarisme is niet te verenigen met de fairness-benaderingen van Marc Fleurbaey en François Maniquet en opvattingen over gelijke kansen, zoals die van Ronald Dworkin. Volgens die opvattingen zou de overheid juist niet de ongelijkheid moeten verkleinen die het gevolg is van eigen keuzes, maar alleen de ongelijkheid die wordt veroorzaakt door zaken waaraan mensen niets kunnen doen, zoals pech en geluk. Sommigen kunnen een fortuin vergaren door eigen inspanningen en voor eigen rekening en risico, ook zonder daarvoor roofbouw te plegen op de natuur, de samenleving een poot uit te draaien of de politiek te corrumperen. Dit is in economische zin ‘verdiend’ inkomen. Limitaristen nemen de extreme positie in dat boven de door hun gestelde inkomens- en vermogenslimieten meritocratie niet langer bestaat en alle inkomen of vermogen onverdiend is.

Het limitarisme is gebaseerd op een grenzeloze economische naïviteit.

De afkeer van superrijken is bij limitaristen kennelijk zo intens, dat de top van de inkomens- en vermogensverdeling ‘onder de guillotine’ moet worden gelegd. Maar is het wel moreel toelaatbaar om iedereen in de samenleving, inclusief de allerarmsten, erop achteruit te laten gaan om de superrijken te straffen?

De allerarmsten hebben niets aan het limitarisme, omdat hun kansen op inkomen en werk erdoor verminderen en de overheid minder voorzieningen of inkomenssteun kan bieden. De maatschappelijke noden worden alleen maar groter, niet kleiner als er minder geld in de staatskas vloeit. De superrijken blijven politieke invloed uitoefenen, gaan door met opzichtige consumptie en blijven de planeet verpesten met hun CO2-uitstoot zolang ze gewoon vanuit het buitenland over hun inkomen en vermogen kunnen beschikken.

Het limitarisme is niet alleen onrechtvaardig, het is gebaseerd op grenzeloze economische naïviteit. Het is daarom jammer dat progressieve denkers hun intellectuele kapitaal inzetten voor waanideeën, die leuke stukken in Vrij Nederland opleveren, maar geen bijdrage aan een vrijere of rechtvaardigere wereld.