Geen tijd of geen zin om te lezen? Je kunt dit verhaal ook beluisteren. Blendle Audio heeft het voorgelezen.

Country Manager France. Aan de vooravond van haar eerste werkdag spreekt Mathilde Ramadier haar nieuwe titel een paar keer hardop uit. Het is maart 2013, Ramadier woont al een tijd in Berlijn en heeft na verwoed zoeken eindelijk een baantje gevonden om haar schrijversbestaan mee te financieren. Een baantje? Een baan! Als countrymanager zal ze zich inzetten voor een kersverse startup die de hedendaagse kunstwereld ingrijpend wil veranderen.

De vacature vroeg om een drietalige Master of Arts met relevante werkervaring en een stressbestendig karakter. Haar Franse afkomst was een pre. De startup, zo lichtte de HR-manager in het sollicitatiegesprek via Skype toe, was op zoek naar een team van internationale en innovatieve game changers. Vlak voor ze haar laptop uitzette, kreeg Ramadier nog een mailtje van de CEO, die ze op dat moment nog niet ontmoet had. Hij heette haar welkom bij the family of winners.

Al snel zou blijken dat er in de familie geen plaats is voor opstandige dochters.

Silicon Allee

‘De CEO was meestal onderweg,’ vertelt Ramadier in een café in Kreuzberg, ‘maar we wisten wel precies wat hij at, wanneer hij sportte of met zijn hond speelde, want wij moesten natuurlijk alles wat hij deed liken. Vaak postte hij op Instagram foto’s met CEO’s van andere startups, in Brooklyn, Londen of Berlijn, dat viel uit het beeld nooit op te maken, want ze hebben overal dezelfde bakstenen muren, industriële lampen, Scandinavische design-tafels en natuurlijk een nonchalant opgehangen racefiets.’

Mathilde Ramadier werd in 1987 in Zuid-Frankrijk geboren, studeerde grafisch design en filosofie in Parijs en verhuisde daarna naar Berlijn.

Haar eerste job bracht haar naar de Torstraße, ooit een grauwe straat in de DDR, nu het hart van de ‘community of entrepreneurs’, die deze weg tussen Mitte en Prenzlauer Berg tot de Silicon Allee hebben gedoopt.

‘Country manager? Ha! Ik managede helemaal niets. Ik werd een robot die voor de algoritmen van Google werkte en dat was zo geestdodend, dat ik na een paar maanden een bore-out had.’

Aanvankelijk vroeg Ramadier zich af of ze wel geschikt is voor zo’n verantwoordelijke functie. ‘Country manager? Ha! Ik managede helemaal niets. Ik moest voornamelijk data verzamelen in een Excelbestand en nieuwsbrieven vertalen naar het Frans. De content-productie mocht geen moment verslappen. Ik werd een robot die voor de algoritmen van Google werkte en dat was zo geestdodend, dat ik na een paar maanden een bore-out had.’

Tijdens meetings maakte ze haar bezwaren kenbaar, maar ze werd niet gehoord en nam ontslag. Aangezien de banen buiten de startup-scene in Berlijn niet voor het oprapen liggen, probeerde ze het nog eens, misschien had ze gewoon pech gehad…

Salaris tussen de 500 en 1000 euro

Vier jaar en twaalf startups later maakt Ramadier in haar boek Bienvenue dans le nouveau monde de balans op. Ze beschrijft een wereld van constante controle en competitie, van dwingende superlatieven, een wereld waarin iedereen ‘jong en hongerig’ moet zijn en waarin de beste werknemer zich over zijn minst productieve collega moet ontfermen, omdat de baas in magic gelooft.

‘In een startup moet je constant happy zijn. Vaak loopt er zelfs een happiness manager rond. Alles is great, awesome, cool en amazing.’

Hoewel Ramadier inmiddels kan leven van de pen, is ze nog steeds opvallend fel over de startup-cultuur, die haar heeft doen inzien hoe belangrijk woede is. ‘In een startup moet je constant happy zijn. Vaak loopt er zelfs een happiness manager rond. Alles is great, awesome, cool en amazing. Iemand die ontslagen wordt, gaat “een nieuw avontuur” aan. Deze woordkeuze verhult gebreken, onvrede, misstanden. Er is geen plaats meer voor verontwaardiging of woede en dat is gevaarlijk, want juist die gevoelens brengen verandering teweeg.’

Naast de taal stuiten de arbeidsomstandigheden haar tegen de borst. ‘Alles draait om flexibiliteit, ook weer zo’n eufemistische term. Wie voor zijn rechten opkomt, wordt een ambtenaarsmentaliteit verweten. Freelancen, meende een HR-manager, betekent vrijheid. Gezonde shakes en salades moeten je doen vergeten hoe weinig je betaald krijgt.’

Bij Ramadiers vaste aanstellingen schommelde haar salaris tussen de 500 en 1000 euro, voor freelance vertaalopdrachten kreeg ze 0,04 cent per woord. Deze bedragen gelden vooral voor de ‘creatives’, de technische en financiële medewerkers verdienen meestal meer.

Daarnaast is ze sceptisch over het innovatieve vermogen van de gemiddelde startup. ‘Hebben Airbnb, Uber en Foodora soms de wereld verbeterd?’

Je kunt natuurlijk ook andere voorbeelden noemen. Als we ons even tot Berlijn beperken: het audioplatform SoundCloud, de chemische startup DexLeChem, die de farmaceutische industrie wil verduurzamen, of de online marktplaats voor sociale projecten, betterplace.org.

Daarnaast worden startups vaak geprezen om hun onderlinge samenwerking en vlakke hiërarchieën. Waar de onderknuppel in traditionele bedrijven de eerste paar maanden door collega’s die twee keer zo oud zijn met duffe klusjes wordt afgescheept, creëren twintigers in startups hun eigen leerschool. En trouwens, al die jonge mensen die naar Berlijn komen, die wíllen toch in een startup aan de slag?

startup
Dj Berlin Disaster treedt op tijdens de launchparty van Soundcloud Go. Foto: Matthias Nareyek/Getty Images.
Precaire startup-baantjes

Ramadier kwam indertijd om haar Duits te verbeteren. ‘Maar eigenlijk ging ik naar Berlijn voor Berlijn. Ik was altijd al onder de indruk van de stad en ik heb lang gedacht dat het kapitalisme deze plek niet zo hard zou treffen, dat het een culturele stad zou blijven. Maar dat was waarschijnlijk naïef.’

Volgens haar heeft de startup-scene de stad zo veranderd, dat ze zich afvraagt of ze er nog wel wil blijven.

Is dit terecht, zijn startups een vloek voor Berlijn, de oorzaak van de stijgende huizenprijzen, de eenvormige glazen-toren-architectuur en de cafés, pardon, roasteries die koffiezetten als levensfilosofie presenteren?

‘Startups zijn wankele bedrijfjes, ze lopen hoge risico’s en worden met venture capital gefinancierd. Dit durfkapitaal biedt geen zekerheden en dat werkt door in de stedelijke ruimte.’

De startup-lifestyle begint de stad zeker meer en meer vorm te geven, vindt lokaal politica Katalin Gennburg. Met name in voormalig Oost-Berlijn worden oude panden in rap tempo omgetoverd tot coworking-spaces. ‘Startups zijn wankele bedrijfjes, ze lopen hoge risico’s en worden met venture capital gefinancierd. Dit durfkapitaal biedt geen zekerheden en dat werkt door in de stedelijke ruimte.’

Gennburg (35) behaalde twee jaar geleden een verrassende overwinning in het kiesdistrict Treptow-Köpenick. Dit leverde haar een zetel op in het Berlijnse Abgeordnetenhaus, waar ze ook woordvoerder stadsontwikkeling & smart city is voor haar partij, Die Linke.

‘Mensen verliezen hun woning omdat huiseigenaren liever tijdelijke huurcontracten aangaan met expats en kleine ondernemers worden verdrongen door grotere ketens die zich op een internationaal publiek richten. Werkgelegenheid was altijd al een groot thema in Berlijn en dat is het helaas nog steeds. Veel mensen zwichten dus voor precaire startup-baantjes.’

Lees ookJong en dakloos: in Berlijn drukt de oververhitte huizenmarkt jongeren de straat op9 januari 2019
De ‘kloonkoningen’

Uit een studie van het Institut für Strategieentwicklung (ISFE) blijkt dat startups inderdaad een steeds belangrijkere rol spelen op de Berlijnse arbeidsmarkt. Volgens het ISFE is een startup (1) een onderneming die niet ouder is dan vijf jaar, (2) zonder internet niet kan bestaan, (3) onafhankelijk is en (4) een scalable business model heeft. Een startup moet in korte tijd en met relatief lage kosten exponentieel kunnen groeien, de zogeheten ‘schaalbaarheid’ van het bedrijfsplan is essentieel voor investeerders. Een deel van de startups wil met disruptieve innovaties bestaande bedrijfsmodellen en markten ontwrichten (zoals de komst van de dvd ooit het einde van de videoband betekende).

In 2012 voldeden er 270 bedrijven met 6700 werknemers aan deze voorwaarden, in 2016 waren die aantallen ruim verdubbeld en desgevraagd schat ISFE-directeur Hergen Wöbken dat er nu duizend Berlijnse startups zijn waar meer dan 25.000 mensen werken. Bekijk je de startups als eenheid, dan zijn ze de grootste werkgever van de stad. Groter dan bijvoorbeeld Deutsche Bahn, Siemens of het Charitéziekenhuis en dan worden bedrijven als Zalando (in Berlijn goed voor vijfduizend arbeidsplaatsen) door het ISFE dus niet meegerekend, omdat ze het startup-stadium ontgroeid zijn.

startup
Het nieuwe hoofdkwartier van Zalando is uitgerust met een dakterras met basketbalveld. Foto: Jens Kalaene/DPA/HH.

Zalando is het paradepaardje van de Berlijnse startup-scene. De webshop werd grootgemaakt met geld van de Samwer-Brüder. Marc, Oliver en Alexander Samwer richtten in 2007 de business-incubator Rocket Internet op, een bedrijf dat startups aan geld, contacten en technologie helpt. Ze groeiden uit tot de grootste internetondernemers van Duitsland.

Wanneer een idee zich in Amerika bewezen heeft, halen de broers het naar Europa, maken het daar een succes en verkopen hun kloon in sommige gevallen ook nog aan het Amerikaanse origineel terug.

De broers zijn berucht vanwege hun kopieerstrategie en worden ook wel de ‘kloonkoningen’ genoemd: wanneer een idee zich in Amerika bewezen heeft, halen de broers het naar Europa, maken het daar een succes en verkopen hun kloon in sommige gevallen ook nog aan het Amerikaanse origineel terug. Dit deden ze onder andere met Alando en CityDeal, respectievelijk ‘geïnspireerd op’ en verkocht aan eBay en Groupon.

Zalando is gemodelleerd naar een Amerikaanse schoenenwebshop. Andere bedrijven uit de smederij van Rocket zijn HelloFresh, home24 en Delivery Hero. In 2014 gingen zowel Zalando als Rocket Internet naar de beurs. Hierdoor kreeg het vertrouwen in het Berlijnse startup-ecosysteem een boost en stroomde het venture capital de stad binnen.

De race om creatieve koppen

Bij het Bundesverband Deutsche Startups (hierna kortweg BDS) denken ze met warme gevoelens terug aan die beursgang. Berlijn verstootte Londen (eventjes) van de eerste plaats in de startup-barometer van Ernst & Young en het scheen eindelijk tot de Bondsrepubliek door te dringen dat startups onmisbare aanjagers van de digitalisering zijn. En de digitale economie heeft de toekomst, daar is het BDS van overtuigd.

Duitsland kan niet langer achterblijven in de race om creatieve koppen en internationale investeerders en Berlijn moet als Gründermetropole een thuis bieden aan de digitale bohemiens van de 21e eeuw. En die komen massaal op het subversieve imago van de stad af. Dat is een zegen voor de economisch zwakke hoofdstad als we Florian Nöll, oprichter en voorzitter van het BDS, moeten geloven.

Nöll zet zich sinds 2012 in om de startup-mentaliteit onder Duitsers te verspreiden en de belangen van de jonge ondernemers tegenover de politiek te behartigen. Het vestigingsklimaat in het bureaucratische Duitsland laat te wensen over en dat de gemiddelde Berlijnse ambtenaar niet meer dan drie woorden Engels spreekt, vindt het BDS gewoonweg gênant.

Uit de enquête die de organisatie jaarlijks in samenwerking met de universiteit Duisburg-Essen en KPMG opstelt, blijkt dat de meeste startups ‘software as a service’ verkopen en opgericht worden door mannen rond de 35 met een master economie of bedrijfskunde. Onafhankelijkheid is een belangrijke beweegreden, daarnaast zijn de entrepreneurs op zoek naar een uitdaging. Ze werken gemiddeld 56,3 uur per week en 90% is zeer tevreden over zijn leven. Mislukken is part of the job en bijna de helft van deze ondernemers richt meerdere startups op. De echt succesvolle onder hen groeien soms uit tot particuliere (durf)kapitaalverstrekkers, de zogeheten business angels.

Het welzijn van de startupmedewerkers komt in de enquête niet aan de orde en het BDS reageert terughoudend op de media-aandacht voor het boek van Mathilde Ramadier.

Voorzitter Nöll wil niet meewerken aan een interview voor dit artikel, maar Paul Wolter, afdelingshoofd Politik & Kommunikation, laat schriftelijk weten dat het binnen de branche hoogst uitzonderlijk is om zo vaak van baan te wisselen en dat conflicten doorgaans niet door één partij worden veroorzaakt. Waar twee kijven, hebben twee schuld. Bovendien trekken Wolter en zijn collega’s in twijfel of het wel om echte startups gaat, aangezien Ramadier de namen van personen en bedrijven in haar boek veranderd heeft.

Berlijn kan niet eindeloos teren op de beursgang van Rocket Internet en Zalando en bedrijfsruimte wordt ieder jaar schaarser en duurder.

Het BDS heeft overigens andere zorgen en die betreffen de Berlijnse senaat. Het ontbreekt de coalitie van sociaaldemocraten (SPD), Grünen en Linken aan politieke wil om ‘wirklich im Sinne der Berliner Startups handeln zu wollen’, zo schrijft Wolter.

De stad kan niet eindeloos teren op de beursgang van Rocket Internet en Zalando en bedrijfsruimte wordt ieder jaar schaarser en duurder. Als Berlijn een goede concurrentiepositie wil behouden, is ‘commitment’ van de senaat onontbeerlijk. Het feit dat lokale politici zich dikwijls scharen achter groepjes protesterende burgers (waarover later meer), legt perfect bloot wat er mis is met het Berlijnse beleid, aldus het BDS.

Uitbuiting

Nicole Ludwig, woordvoerder voor economie en digitalisering van de Berlijnse Grünen, is niet onder de indruk van deze verwijten. ‘Tja, bij het BDS zullen ze altijd beweren dat wij niet genoeg doen. Er is de afgelopen tien, twintig jaar ontzettend veel verbeterd in deze business,’ zegt Ludwig en ze spreekt uit ervaring, want ze begon in 1999 zelf een startup. ‘In die tijd was de branche nog lang niet zo professioneel en er was weinig geld. Mensen hadden geen flauw benul waar je mee bezig was. Dankzij het succes van de Samwer-broers is dat totaal veranderd.’

Dat succes bracht namelijk ook – eindelijk – bedrijven naar Berlijn. Zo huurt Daimler bureaus in betahaus, een van de bekendste coworking spaces, heeft Deutsche Telekom een accelerator-programma om veelbelovende startups te stimuleren, en is Siemens van plan een grote innovatiecampus te bouwen.

‘Het is logisch dat medewerkers aanvankelijk niet goed verdienen. In de beginfase van een onderneming gaat het om overleven.’

Ludwig geeft toe dat niet iedere vorm van e-commerce even creatief is, maar over het algemeen is ze zeer te spreken over de situatie in de stad. ‘Berlijn profiteert van die bedrijven, en die komen echt niet omdat wij een paar leuke ateliers hebben. Ze komen voor de innovationslabs, voor onze universiteiten en niet in de laatste plaats voor onze bruisende startup-scene.’

Ook Nicole Ludwig bejubelt de arbeidsplaatsen die de branche schept. ‘Het is logisch dat medewerkers aanvankelijk niet goed verdienen. In de beginfase van een onderneming gaat het om overleven.’

Maar uitbuiting, waar ook de Samwer-broers van beschuldigd zijn, is volgens Ludwig geen specifiek startup-probleem. ‘Dat doen ze bij Lidl ook.’

Net als het BDS heeft Ludwig moeite met de Duitse mentaliteit. Vooral Berlijners zijn volgens haar buitengewoon negatief. ‘Ik word heel enthousiast van alle spannende innovaties die in onze stad plaatsvinden. Als politica wil ik de weg vrij maken voor ondernemingen die zowel winstgevend als nuttig zijn. Startups kunnen bijdragen aan het algemeen welzijn, we kunnen digitalisering inzetten voor ecologische en sociale doeleinden.’

startup
Een ‘coworking space’ in een Berlijns café. Foto: Robert Schlesinger/HH.
de publieke ruimte

Pleitbezorgers van de smart city geloven dat een digitale infrastructuur het stadsleven op allerlei niveaus zal verbeteren. In die slimme stad hoef je niet meer naar een parkeerplaats te zoeken, zijn de vuilniscontainers nooit overvol, wordt er geen energie verspild en kunnen buurtbewoners met dezelfde interesses elkaar probleemloos vinden. De ‘intelligentie’ van zo’n stad berust op de gigantische hoeveelheid data die camera’s, sensoren en apps verzamelen. Critici wijzen op het gevaar van een digitale infrastructuur die volledig afhankelijk is van een handvol techbedrijven.

‘Het begrip smart city circuleert al enkele jaren in de media, maar niemand komt veel verder dan het voorbeeld van die slimme vuilnisbak.’

Stadseconoom Felix Hartenstein maakt zich niet zo’n zorgen over de smart city, want die bestaat vooralsnog helemaal niet. ‘Dit begrip circuleert al enkele jaren in de media, maar niemand komt veel verder dan het voorbeeld van die slimme vuilnisbak.’

Hartenstein staat wel kritisch tegenover de invloed van techbedrijven op de publieke ruimte en de tendens om digitale technologie te presenteren als antwoord op maatschappelijke vraagstukken. ‘Technologie bouwt geen huizen, zorgt niet voor een goed salaris of een gelijke behandeling.’

Zelfs de resultaten op het gebied van mobiliteit zijn mager. Het eens beloftevolle carsharing-concept concurreert voornamelijk met het openbaar vervoer, het maakt steden schoner noch rustiger.

In 2016 reisde Hartenstein samen met een collega naar San Francisco.

‘We wilden graag zien hoe het eruitzag bij Google en Facebook. Onze verwachtingen van Silicon Valley waren hooggespannen, we dachten een blik in de toekomst van de stad te kunnen werpen, maar we troffen exact het tegenovergestelde aan.’

De campussen van de grootste techbedrijven ter wereld zijn naar binnen gerichte complexen die de sfeer ademen van een bouwmarkt uit de jaren tachtig, maar wel uitgerust zijn met de voorzieningen van een echte stad. ‘Het idee is dat mensen op de campus blijven en genoegen nemen met een imitatie-stad.’

‘We houden ons bezig met de vraag welke verantwoordelijkheid ondernemingen dragen voor stedelijke processen.’

De gevolgen voor San Francisco zijn verpletterend. Huizen zijn onbetaalbaar en de ‘gewone’ mensen die de stad draaiende houden, kunnen er niet meer leven. Met deze ontnuchterende inzichten keerden Hartenstein en zijn collega terug naar Berlijn waar ze het Institut für Wirtschaft und Stadt (Inwista) oprichtten.

‘We houden ons bezig met de vraag welke verantwoordelijkheid ondernemingen dragen voor stedelijke processen. Bedrijven zijn inmiddels gewend om over onderwerpen als milieu of consumentenrechten na te denken, maar ons thema was aan het begin nog wat exotisch. Daar heeft Google verandering in gebracht.’

Digitale klassenstrijd

Google liet eind 2016 zijn oog vallen op een transformatorstation in Kreuzberg en kondigde aan dit Umspannwerk uit 1928 om te willen bouwen tot een startupcampus. Hoewel de burgemeester na deze mededeling van ‘ein guter Tag für Berlin’ sprak, barstte het protest vrijwel meteen los.

Initiatieven als ‘Fuck off Google’ en ‘Google ist kein guter Nachbar’ organiseerden in no time demonstraties, bekogelden het Umspannwerk met verfbommen (een ‘Farbanschlag’) en bezetten het gebouw. Het verzet hield twee jaar aan en met succes: afgelopen november droop de techreus af.

‘Kreuzberg is een wijk met een geschiedenis van huisbezettingen en links activisme. De laatste jaren zijn er overwegend internationale twintigers komen wonen met dezelfde sociale achtergrond en ideeën. De buurt wordt duurder en monotoner en de oude bewoners ervaren een existentiële angst om hun woning te verliezen. Mensen zijn bang geworden voor iedere vorm van opwaardering,’ licht Hartenstein toe. ‘Daarnaast helpt Googles reputatie als dataverzamelaar natuurlijk ook niet mee.’

‘Startups en digitale ondernemingen zijn belangrijk voor de economie, maar economische argumenten alleen zijn al lang niet meer afdoende.’

De voorzitter van het Bundesverband Deutsche Startups houdt er een andere analyse op na. In een column uitte Florian Nöll zijn ongeloof over de gebeurtenissen in Kreuzberg. Dat dit door Google ‘uitverkoren’ stadsdeel zich ‘tegen de vooruitgang’ keerde en in een ‘no go area voor techbedrijven’ was uitgegroeid, berokkende het ‘merk’ Berlijn ernstige schade. Als politici nog langer zwijgend langs de zijlijn blijven staan, zal er een ‘digitale klassenstrijd’ ontbranden en zo’n vijandelijke stemming is funest voor de belangstelling van investeerders.

Stadseconoom Hartenstein relativeert dit doemscenario luchtig: ‘Investeerders staan in de rij. De tijd dat Berlijn bedrijven moest smeken om te komen is definitief voorbij. Nu is het aan de stad om zelfbewust op te treden. Startups en digitale ondernemingen zijn belangrijk voor de economie, maar economische argumenten alleen zijn al lang niet meer afdoende.’

Fab labs

‘Berlijners weten hoe het voelt om te mislukken. Die ervaring ligt opgeslagen in het collectieve geheugen,’ zegt Die Linke-afgevaardigde Katalin Gennburg, die zelf geboren is in de DDR en als kind meemaakte hoe werkeloosheid na de Wende de levens van veel mensen om haar heen verwoestte. ‘Zowel Oost- als West-Berlijn werd destijds gigantisch gesubsidieerd en na de val van de Muur moesten die twee gammele steden plotseling als één, zelfstandige stad verder. Er waren ontzettend veel braakliggende terreinen en de opgave om die gaten te dichten, boezemde mensen angst in.’

Tot ver na de eeuwwisseling bleef de hoofdstad van het herenigde Duitsland een zorgenkind. De schulden liepen torenhoog op en men ging over op een radicale bezuinigingspolitiek. De privatisering van gemeentelijke woningen vormde daarbij een belangrijke maatregel. ‘Wir werden sparen, bis es quietscht’, we zullen bezuinigen, tot het knarst, zei toenmalig burgemeester Klaus Wowereit, van wie ook de gevleugelde Berlijn-beschrijving ‘arm, aber sexy’ is.

‘Wereldwijd hebben steeds meer mensen er genoeg van dat hun leven bepaald wordt door groepjes aandeelhouders.’

Intussen staat de stad er veel beter voor, maar tegelijkertijd nemen woningnood, armoede en gentrificatie toe. ‘Ik geloof dat we ons op een breekpunt bevinden. Wereldwijd hebben steeds meer mensen er genoeg van dat hun leven bepaald wordt door groepjes aandeelhouders, maar ze deinzen ook terug voor een al te machtige overheid. We moeten zoeken naar nieuwe vormen van gemeenschappelijk eigendom en steden kunnen daarin het voortouw nemen,’ zegt Gennburg.

Het protest tegen de Google-campus ziet ze als een goede aanleiding om dit debat op grotere schaal te voeren, waarbij de volgende vraag centraal staat: wie beheert de data en de publieke infrastructuur in het digitale tijdperk? Net als Hartenstein benadrukt Gennburg dat dit geen economische, maar een politieke kwestie is. Voor haar draait het om twee zaken: technologische soevereiniteit en alternatieve concepten.

‘Als we niet willen dat techconcerns en startups bepalen hoe onze wereld eruit gaat zien, dan moeten we in de eerste plaats begrijpen wat er gebeurt. We moeten veel grotere groepen mensen duidelijk maken wat digitalisering überhaupt betekent en vervolgens kunnen we gezamenlijk nadenken over technieken die ons dagelijks leven daadwerkelijk zouden verbeteren. Communale fab labs (fabrication laboratories, coöperatieve, digitale werkplaatsen, KB) kunnen een grote bijdrage leveren aan de digital empowerment van verschillende lagen van de bevolking.’

Gemak-dient-de-mens

De botsingen in Berlijn bewijzen dat dit proces voorzichtig op gang komt. Felix Hartenstein spreekt van een techlash: digitale ontwikkelingen worden niet meer onthaald met hetzelfde ongebreidelde enthousiasme als een paar jaar geleden. Een groeiend aantal mensen heeft moeite met de gangbare bedrijfsmodellen van het platform-kapitalisme en de puur commerciële realiteit van de sharing economy.

Hoe kunnen startups ertoe aangespoord worden hun digitale potentieel niet alleen aan te wenden voor gemak-dient-de-mens-services, maar ook voor wezenlijke vooruitgang? Hoe kunnen techbedrijven wél een goede buur zijn? En hoe kunnen steden het evenwicht herstellen tussen wonen en winst maken, tussen autonomie en regels, en tussen Florian Nöll en Mathilde Ramadier?

In Berlijn zal het gevecht om de stad niet zo snel door één groep gewonnen worden. Juist door die geschiedenis van mislukkingen is men eraan gewend geraakt voor zichzelf op te komen, zijn Recht auf Stadt op te eisen. En misschien lukt het daarom uitgerekend deze stad voorop te gaan in de zoektocht naar fundamentele oplossingen.