De meeste mensen kunnen niet zeggen dat ze in een vrijstaande villa wonen, laat staan aan het water in hartje Amsterdam. Prins Bernhard jr. wel. Toch was die ene stadsvilla niet genoeg. Prins Bernhard moest en zou meer woningen hebben. Niet alleen een tweede, of een derde, of een tiende, nee, Bernhard heeft honderden woningen op zijn naam staan.
Ik ga langs bij een paar van die panden met Michiel Couzy, adjunct-hoofdredacteur van Het Parool en samen met Maarten van Dun auteur van het boek Zakenprins. De jacht naar succes van Bernhard van Oranje. We staan in Amsterdam Oud-West voor een rij panden waar Bernhard en zijn drie zakenpartners veertien woningen bezitten. Er staan fietsen met blauwe voorwielen voor de deur geparkeerd. De ramen zijn smerig, gordijnen hangen scheef. De begroeiing in de kier tussen de stoep en het gebouw is uitgegroeid tot een boom die boven mij uittorent.
Couzy kan zich de eerste keer dat ze hier aanbelden nog goed herinneren. ‘Het was het eind van de ochtend, begin middag, en overal deden studenten in badjas open.’ Bernhard en zijn zakenpartners hadden eind 2017 meer dan honderd adressen in privébezit. Officieel mochten er eind 2017 maximaal vier mensen per adres ingeschreven staan, míts je een vergunning had. Inmiddels heeft de gemeente Amsterdam dit aantal verlaagd naar drie. Maar in de loop van de jaren kwamen Couzy en Van Dun erachter dat prins Bernhard niet zoveel op heeft met regels. ‘Hier zaten zes, zeven, soms acht huurders per woning zónder vergunning. Er werd tegen huurders gezegd: je mag niet aan de bel trekken, de gemeente mag er niet achter komen. Dus ze wisten wat ze deden. De jongeren die hier zaten, betaalden woekerprijzen, maar hadden geen rechten. De eigenaren zijn echte huisjesmelkers.’
Binnen zaten de scheuren in de muren, het was slecht onderhouden, sommige kranen waren kapot. Als de studenten contact opnamen met de verhuurder kregen ze te horen dat die kapotte kraan hun eigen probleem was. ‘Het is veelzeggend dat je dat soort kleine dingen niet doet. Dat je tegen huurders zegt: zoek het zelf maar uit. Het ruikt naar winstmaximalisatie.’
Er brak een storm uit rond prins Bernhard toen de wereld in 2017 hoorde dat hij ruim honderd panden in Amsterdam had opgekocht. Hij kreeg al snel de bijnaam ‘pandjesprins’. Maar Bernhard had een logische verklaring voor al dat vastgoedbezit: dit was zijn pensioen. Hij is immers ondernemer, hij moet zelf wat regelen. ‘Een goed pensioen,’ zegt Couzy. ‘Als je dat al nodig hebt in zijn positie.’ Want in de loop der jaren kwamen Couzy en Van Dun er ook achter dat Bernhard een gigantisch vermogen heeft uit een hele reeks miljoenenbedrijven.
Toch is Bernhard eigenlijk maar een middelgrote speler, met de om en nabij 590 woningen die hij met zijn zakenpartners heeft (de stand eind 2017, toen Couzy en Van Dun voor het laatst al zijn bv’s onderzochten). ‘Maar al die Bernhards bij elkaar hebben een enorm effect op de stad,’ zegt Couzy.
Door grenzen te stellen hopen gemeenten beleggers buitenspel te zetten. Zo moet worden gezorgd dat huizen niet meer worden gezien als een stapel stenen om rijk van te worden, maar als plekken om in te wonen.
Om de wooncrisis te beteugelen (en slim gebruik te maken van de mediastorm rond prins Bernhard) kwam de PvdA in 2020 met het voorstel voor een Prins Bernhard-belasting.
Nederland heeft een curieus belastingstelsel waarin huiseigenaren, via de beruchte box 3, geen belasting betalen over hun inkomsten uit vastgoed, terwijl mensen in loondienst vaak de helft van het loon waar ze voor gewerkt hebben in de zakken van de Belastingdienst zien verdwijnen. Een onverdiend extraatje van vadertje staat aan gefortuneerde huisjesmelkers, vinden de sociaaldemocraten. Daarom stellen ze voor een limiet in te stellen van vier woningen. Over huurinkomsten en vermogenswinsten uit je vijfde woning en alle daarna, moet je, net als werkende Nederlanders, gewoon belasting gaan betalen.
Voorlopig wordt de Prins Bernhard-belasting nog niet ingevoerd. Maar andere limieten zijn al wél succesvol ingezet om de wooncrisis te verhelpen. Zo heeft 60 procent van de Nederlandse gemeenten een zelfbewoningsplicht ingevoerd, of onderzoekt serieus de mogelijkheden om dat te doen. Daardoor kunnen beleggers geen nieuwbouwwoningen meer opkopen om die te verhuren. Als je een huis koopt, moet je er zelf (of een familielid) in gaan wonen. Dit is de facto een limiet op het aantal woningen dat je kunt kopen. Ook wordt door steeds meer gemeenten het antispeculatiebeding ingevoerd. Daarmee wil men voorkomen dat nieuwe woningen worden opgekocht om binnen korte tijd weer met winst te worden doorverkocht. Door die grenzen te stellen, hopen gemeenten beleggers buitenspel te zetten. Zo moet worden gezorgd dat huizen niet meer worden gezien als een stapel stenen om rijk van te worden, maar als plekken om in te wonen.
Om de wooncrisis te beteugelen, trekken overheden en gemeenten dus steeds meer uit de kast. ‘Bij elkaar opgeteld een hele stapel maatregelen,’ stelt Couzy. ‘Dat heeft wel effect. Maar het gaat alleen over nieuwe gevallen. Niet over dit soort bestaande praktijken,’ zegt hij, wijzend naar Bernhards panden.
miljardairs onder de guillotine
Deze week verschijnt Miljardairs onder de guillotine, het boek van journalist Sjors Roeters. Het afgelopen jaar reisde hij door Europa op zoek naar alternatieven voor het verwoestende systeem dat het kapitalisme heet. Kan het tij worden gekeerd voordat de rijken de aarde hun kop verliezen? Bestel jouw exemplaar hier.
Hoog inkomen, hoge uitstoot
De wooncrisis is niet de enige manier waarop de grote vermogens van de rijken nadelige effecten hebben voor de samenleving. Dat de rijken steeds meer rijkdom naar zich toe trekken, ondermijnt het vertrouwen in de samenleving, laat onderzoek van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid zien. Ook hebben de rijken disproportioneel veel invloed op de politiek, wat het geloof in democratie onder de bevolking niet bevordert.
Maar het grootst is de ecologische schade die de rijken aanrichten. Superrijk zijn betekent in de 21ste eeuw meerdere megahuizen hebben, grote, snelle, luxe auto’s rijden, superjachten, onderzeeërs en helikopters bezitten en in privévliegtuigen de wereld over vliegen. Het is dan ook geen verrassing dat studies een zeer sterk verband aantonen tussen inkomen en vermogen aan de ene kant, en de uitstoot van CO2 aan de andere kant. Onderzoek van het Stockholm Environment Institute toont dat de totale koolstofuitstoot van de rijkste 1 procent van de wereld meer dan het dubbele is van de uitstoot van de armste 50 procent van de mensheid.
Elke poging tot het bestrijden van de klimaatcrisis zou moeten beginnen bij de superrijken. Maar hoe pak je dat aan?
En dat terwijl al die extra uitstoot van de rijken compleet onnodig is. Je hebt geen privévliegtuig of Ferrari nodig. Het is hyperconsumptie om de hyperconsumptie. Om de woorden van een CEO van een superjachtenfabrikant te gebruiken: ‘People don’t need yachts – they want yachts.’
En zoals belastingontwijking door de rijken de belastingmoraal van iedereen ondermijnt, zo ondermijnt de exorbitante uitstoot van de rijken de klimaatmoraal van gewone mensen. Als de meest onnodige uitstoot van de superrijken niet kan worden ingeperkt, waarom zouden anderen dan moeite doen om de klimaatcrisis te verhelpen?
Elke poging tot het bestrijden van de klimaatcrisis zou moeten beginnen bij de superrijken, stellen steeds meer wetenschappers dan ook. Een drastische vermindering van de koopkracht van de allerrijksten is een van de effectiefste en simpelste manieren om klimaatontwrichting te verhelpen, zegt de Franse stereconoom Thomas Piketty. Maar hoe pak je dat aan?
Kapitalisme met een cap
Jean-Paul Fonteijn is een goedgehumeurde, 52-jarige witte man met een zwarte bril en grootse ambitie. Hij denkt dat het kernprobleem in de wereld is dat mensen onbeperkt rijk kunnen worden. ‘Vóór de Franse Revolutie was er sprake van extreem landbezit. Nu hebben we te maken met extreem geldbezit. Omdat mensen onbeperkt rijk kunnen worden, krijgen ze een onbeperkte hoeveelheid macht.’
In 2021 begon Fonteijn het Super Rich Tax Initiative, waarmee hij ijvert voor een wereldwijde superrijkenbelasting. ‘Ik zeg altijd: kapitalisme met een cap,’ legt Fonteijn per videoverbinding uit. Twintig miljoen euro, dat moet meer dan genoeg zijn volgens Fonteijns manifest. Daarna is het basta.
Hij heeft niks tegen een goede boterham verdienen. Hij is zelf freelance projectmanager in de IT en de financiële sector, heeft voor onder meer ING en Schiphol gewerkt en woont in Zeist. Hij staat, kortom, aan de ‘goede’ kant van de kloof. Toch knaagt er iets: ‘In onze onderbuik voelen we allemaal dat er iets niet klopt in de wereld.’ Omdat veel linkse partijen de afgelopen decennia mensen in de steek lieten, is er nu een markt voor populisten, denkt hij. ‘Ze stemmen nu op politici die hun gevoelens verwoorden: Trump, Wilders, Baudet. Er is voedingsbodem voor een revolutie.’ Het is alleen niet de revolutie die Fonteijn zou willen zien.
‘Jeff Bezos heeft een bedrijf neergezet en ik misgun hem dat geld niet. Maar er zit een verband tussen Bezos’ rijkdom en het feit dat een vrachtwagenchauffeur nauwelijks kan rondkomen.’
Het beleid van de populisten gaat namelijk niet over het werkelijke probleem dat de basis is van alle ellende, zegt Fonteijn. ‘We halen onze belastinginkomsten nu uit de werkende mens. Het vreemde is dat daar het minste geld zit. Het meeste geld zit in de vermogens van de superrijken.’ Door de vermogens van de superrijken te belasten, komen er veel meer middelen beschikbaar om kansarmen kansrijk te maken, of om milieuproblemen op te lossen.
Belangrijke inspiratiebronnen voor Fonteijn zijn de Franse economisch historicus Thomas Piketty en de Israëlische historicus Yuval Noah Harari. Zijn Super Rich Tax Initiative is dan ook ontsprongen aan zijn levenslange drang om de wereld te doorgronden, en heeft niks met afgunst te maken. ‘Jeff Bezos heeft een bedrijf neergezet en ik misgun hem dat geld niet. Maar er zit een verband tussen Bezos’ rijkdom en het feit dat de vrachtwagenchauffeur uit Sander en de kloof aan het eind van de maand nauwelijks kan rondkomen.’ Fonteijn wil met zijn initiatief vooral de bewustwording creëren dat er een connectie zit tussen extreme rijkdom en groeiende armoede. ‘De veranderingsambitie die ik heb, is onmenselijk groot. Maar ik begin gewoon bij de eerste stap, en dat is stemmen vergaren voor het manifest. Dat is het draagvlak voor politieke partijen om dit in te voeren.’ Inmiddels staat de teller op tienduizend mensen uit ruim vijftig landen, waarvan veel uit India en het Verenigd Koninkrijk.
Een kwestie van geluk
Fonteijn is niet de enige die zich bezighoudt met limieten op rijkdom. In de filosofie is er een hele stroming: het limitarisme – het idee dat er limieten zouden moeten zijn aan hoeveel rijkdom iemand zich zou mogen toe-eigenen. In Nederland doet het Fair Limits project onder leiding van Ingrid Robeyns, hoogleraar ethiek van instituties aan Universiteit Utrecht, hier onderzoek naar. Ik ga langs bij haar op de universiteit.
Want wie zijn wij eigenlijk om grenzen aan de rijkdom van hardwerkende ondernemers als Bezos te stellen? Ze hebben toch doorzettingsvermogen en talent, en risico’s genomen? ‘Als je gaat uiteenrafelen wat alle factoren zijn die die mannen – het zijn vooral mannen – in staat hebben gesteld om zo rijk te worden, dan valt die mythe van de self-made billionaire snel uiteen.’ Rijkdom is voor een groot deel namelijk ook een kwestie van geluk, zegt Robeyns. Op de juiste plek, in het juiste netwerk, in de juiste stad, in de juiste periode geboren worden. Tuurlijk, Bill Gates is intelligent en getalenteerd. Maar zou hij ooit Microsoft hebben opgezet, en daarmee miljardair zijn geworden, als hij niet in 1968 als een van de eersten op aarde toegang had gekregen tot computers? Bovendien was Gates’ moeder bevriend met mensen in het bestuur van techgigant IBM, wat een netwerk van onschatbare waarde opleverde voor iemand die een eigen computerbedrijf wilde opzetten.
‘Daarnaast heeft econoom Mariana Mazzucato overtuigend aangetoond dat veel technologische uitvindingen die door wetenschappers worden gedaan, gefinancierd zijn met publiek geld, bij publieke instituties,’ zegt Robeyns. Neem de uitvinding van het world wide web: die is gedaan in het Cern, een publiek onderzoekslab. Door deze uitvindingen hebben veel miljardairs zo rijk kunnen worden.
‘Ieders persoonlijke rijkdom is het product van een collectieve inspanning, en van sociale structuren die sommige mensen mogelijkheden bieden, en anderen obstakels.’
Bovendien zijn de bedrijven waarmee ze zo rijk zijn geworden volledig afhankelijk van openbare voorzieningen die met publieke middelen zijn gebouwd en worden onderhouden. De bezorgers van Amazon rijden op openbare wegen. Het intellectuele eigendom van Philips wordt beschermd door de rechtspraak en het geweldsmonopolie van de staat. Hun bedrijfspanden worden beschermd door de dijken van Rijkswaterstaat. De ingenieurs van techbedrijf ASML zijn veelal opgeleid aan publieke onderwijsinstellingen. Hun arbeiders worden gezond gehouden met publieke gezondheidszorg. En waar waren deze bedrijven überhaupt geweest zonder de mensen die het daadwerkelijke werk doen? Miljardairs en miljonairs kunnen nog zo getalenteerd zijn, ‘als je ze op een onbewoond eiland zonder technologie, infrastructuur of arbeiders zet, zouden ze nooit zulke extreme rijkdom hebben kunnen vergaren,’ zegt Robeyns.
Een opvallende voorstander van dit perspectief is multimiljardair MacKenzie Scott, vroeger bekend als MacKenzie Bezos. Ze werd multimiljardair dankzij haar ondernemerschap samen met haar ex-man Jeff Bezos. Vorig jaar, na hun scheiding, schreef ze in een blog dat het voor haar zonneklaar is hoe rijkdom tot stand komt. ‘Het is voor mij duidelijk dat ieders persoonlijke rijkdom het product is van een collectieve inspanning, en van sociale structuren die sommige mensen mogelijkheden bieden, en voor talloze anderen obstakels vormen.’ Rijkdom is het resultaat van collectieve inspanning, zegt een vrouw met 35 miljard dollar op haar naam. Daarom wil ze doorgaan met het teruggeven van haar miljarden aan de gemeenschap ‘totdat de kluis leeg is’.
De last van rijkdom
Extreme rijkdom is niet alleen schadelijk voor democratie, samenleving en planeet, het schaadt ook de superrijken zelf, vertelt Robeyns. ‘In Quote las ik een interview met een ondernemer die zei: “Tot twaalf miljoen is het allemaal goed, maar daarna wordt het ballast.” De vraag is of de rijken zelf echt gelukkig worden van al die rijkdom.’
Robeyns loopt begeesterd naar de kast, haalt er een boek uit en begint te bladeren terwijl ze uitlegt: ‘Er is een heel interessante studie van de beroemde Amerikaans-Hongaarse psycholoog Mihály Csíkszentmihályi waarin hij onderzoekt waarom veel rijke mensen niet gelukkig zijn.’ Elk uur dat superrijken werken, komt overeen met een enorme toename van hun vermogen. Bovendien ligt het werk altijd te wachten. Dus zij ervaren hun tijd als extreem duur. ‘Dat betekent dus ook dat rijken het gevoel hebben dat ze geen tijd hebben voor ogenschijnlijk triviale dingen die alledaagse mensen doen – naar een verjaardagsfeestje gaan, een hele zondagmiddag zitten keuvelen met mensen, wat smalltalk.’ Terwijl deze sociale relaties mensen uiteindelijk echt gelukkig maken, als je eenmaal boven een bepaald minimumbestaan zit.
Het ontbreekt veel superrijken aan een betekenisvol doel in het leven, een andere belangrijke factor voor een evenwichtige mentale gezondheid.
Na een bepaald punt maakt geld dus niet meer gelukkig. Geen wonder dat in dit tijdperk van superrijken de zaken goed gaan voor wealth therapists, psychotherapeuten gespecialiseerd in de allerrijksten. ‘Het is heel isolerend om veel geld te hebben,’ legt een wealth therapist uit in The Guardian. Een andere psychotherapeut die veel met miljardairs werkt: ‘Hoe zou het zijn als je je degenen dichtbij je niet zou kunnen vertrouwen? Of als je iedere nieuwe persoon in je leven met diep wantrouwen zou moeten bekijken?’ Vertrouwen is de basis van bijna alles. Zonder kun je nauwelijks een gezond en gelukkig leven opbouwen. En dat is nou net waar miljardairs grote problemen mee hebben.
Ook ontbreekt het veel superrijken aan een betekenisvol doel in het leven, een andere belangrijke factor voor een evenwichtige mentale gezondheid. ‘Mijn cliënten zijn vaak verveeld en dat leidt ertoe dat ze steeds de volgende high najagen – chemisch of anderszins – om de leegte te vullen,’ aldus de psychotherapeut. En ironisch genoeg is het ook hun overvloed aan geld die leidt tot schuldgevoelens, schaamte en angst, maakt de psychotherapeut duidelijk.
Hoeveel is genoeg?
Buitensporige rijkdom is dus eerder ballast dan een verrijking van een menselijk leven. Moet de maatschappij die zware last dan niet van de schouders van de superrijken halen met een limiet? Maar waar zou dan de grens moeten liggen? En op wat eigenlijk? Salaris, vermogen, erfenissen?
‘Altijd als ik lezingen geef over limieten op rijkdom,’ zegt Robeyns, ‘geef ik de Balkenende-norm als voorbeeld.’ Limieten op rijkdom klinkt heel extreem, maar eigenlijk bestaan ze dus al. Dan gaat het om het maximumloon voor bestuurders in de publieke sector dat niet meer dan 130 procent van het loon van de minister-president mag zijn.
In de private sector gelden nog niet veel van zulke limieten, waar de directeur maximaal ongeveer negen keer meer salaris mag verdienen dan de laagstbetaalde. Onlangs was er commotie om de bonus van de CEO van Philips, zegt Robeyns. Het elektronicaconcern zit in zwaar weer, de aandelen zijn hard naar beneden gegaan, en nu meent de CEO toch recht te hebben op de bonus van 1,8 miljoen euro, die bovenop zijn salaris van 1,2 miljoen komt. ‘Ze zeggen altijd: een bonus als het goed gaat, en als het niet goed gaat, geen bonus. Maar nu zie je het!’ Ze slaat met haar vuist op tafel. ‘Het gaat niet goed en ze willen toch een bonus.’ Ook de aandeelhoudersvereniging vindt het niet kunnen en verzet zich. De CEO verdedigt de bonus door te zeggen dat ook hij aandelen Philips heeft en dus pijn lijdt, en dat hij zijn hele leven voor Philips heeft gegeven.
Maximumloon
Naast een minimumloon ook een maximumloon invoeren zou technisch gezien relatief simpel zijn. Het probleem is dat de echte ongelijkheid niet in inkomen maar in vermogen zit. Een limiet op vermogen zou daarom een stuk effectiever zijn om de schadelijke effecten van ongelijkheid te bestrijden. De vraag is: hoe rijk is té rijk? Robeyns en haar team van het Fair Limits project besloten om deze vraag empirisch te onderzoeken. Is het mogelijk om, naast de veel onderzochte poverty line voor een minimumbestaan, ook een riches line te identificeren, waarbij de rijken van de superrijken worden onderscheiden?
‘Er zijn best veel filosofen die vinden dat het eigendom van bedrijven gedemocratiseerd moet worden.’
Voor dit onderzoek hebben ze nieuwe data verzameld bij een representatieve steekproef van de Nederlandse bevolking. Aan de hand van vragen over vrijstaande villa’s, zwembaden, meerdere auto’s en het aantal keren vakantie per jaar, heeft het team kunnen vaststellen dat Nederlanders inderdaad zo’n rijkdomsgrens trekken. Ze trekken die niet bij twintig miljoen euro, zoals Fonteijn, niet bij twaalf miljoen zoals de miljonair uit Quote, maar bij één tot drie miljoen euro. En het verrassende is dat de respondenten het behoorlijk eens zijn over deze grens, ongeacht hun niveau van inkomen of opleiding.
Vaak verdedigen vermogenden zich door te stellen dat hun rijkdom niet zomaar bestaat uit cash op hun bankrekening, maar in hun bedrijven en aandelen vastzit. Als vermogenden hun bezit boven een bepaalde grens moeten afstaan, verliezen ze ook controle en zeggenschap over hun ondernemingen. Problematisch, stellen sommigen. Maar Robeyns zet daar vraagtekens bij. ‘Is het echt een probleem dat ze die controle verliezen? Er zijn best veel filosofen die vinden dat het eigendom van bedrijven gedemocratiseerd moet worden. In hoeverre hebben die grote bedrijven te veel macht, niet alleen via hun geld, maar via het feit dat er geen collectieve inspraak van werknemers is?’
Onverdiend
Uiteindelijk moeten limieten op rijkdom een politieke beslissing zijn, vindt Robeyns. ‘Stel, we hebben een uitgebreide politieke raadpleging en -discussie, en stel dat daaruit komt dat we eigenlijk vinden dat niemand in termen van persoonlijk vermogen meer dan tien miljoen moet hebben. Dan is het nog maar de vraag of je dat zomaar kan invoeren.’ Want je zou de belastingstelsels moeten veranderen. Je moet de internationale afspraken, verdragen en instituties over kapitaalvlucht en wat daar nu allemaal over bestaat veranderen. En dan de eigendomsstructuren van bedrijven veranderen. Een behoorlijke opgave.
Bovendien denkt Robeyns dat er veel betere argumenten zijn voor een limiet op giften en erfenissen. ‘Want hoe kun je zeggen dat je een erfenis verdiend hebt? Dat kun je gewoon niet zeggen. Dus dat betekent dat erfenissen en giften per definitie onverdiend zijn.’ Dat is vanuit het perspectief van diegene die de gift of erfenis krijgt. ‘Van degene die geeft kun je zeggen: diegene heeft ervoor gekozen om dat geld niet uit te geven maar door te geven. Dat is wel een soort vrijheid die je aan mensen laat die geld gespaard hebben. Dus daarom vind ik ook dat je erfenissen niet helemaal moet wegbelasten. Er moet gewoon een bepaalde grens op.’
Maar het vreemde is dat, ondanks het feit dat erfenissen het meest onverdiend zijn, de weerstand onder de bevolking tegen erfbelasting juist het grootst is. ‘Dat heeft met emotie te maken. Dat komt doordat je niet erft van onbekenden. Je erft van ouders, grootouders, familie. Dus de persoonlijke band en het geldelijke komen samen. Dat is de reden dat mensen daar zo emotioneel over zijn. Heel veel mensen die nooit iets zullen erven, zijn tégen een erfbelasting. Dat is eigenlijk irrationeel.’
Marktargumenten
In deze hele discussie zit constant de spanning tussen het politieke en het morele. Zou het door de staat afdwingbaar moeten zijn, of gaat het om maatschappelijke normen? Robeyns wil vooral het politieke debat aanjagen over wat wij aanvaardbaar vinden. Vanaf welk niveau van rijkdom zouden mensen zich moeten gaan schamen, in plaats van zich op hun borst te kloppen en te patsen met hoe uitzinnig rijk ze zijn geworden?
Bill Gates heeft gezegd: mijn kinderen krijgen ieder honderd miljoen en niet meer. Hij zet zelf een grens op wat er naar de volgende generatie gaat. Nou is honderd miljoen nog best een groot bedrag. Maar hij kan ook 150 miljard aan zijn kinderen geven. ‘Hij heeft voor zichzelf een morele grens gesteld,’ zegt Robeyns. ‘Maar dat is vrijwillig. En natuurlijk zijn er grote politieke en morele problemen met filantropie.’
‘Dan kun je discussiëren over de vraag of het tien of honderd miljoen moet zijn, maar een norm is sowieso beter dan geen norm, lijkt mij.’
Ook Martijn Jeroen van der Linden, lector new finance aan De Haagse Hogeschool, hoopt op een terugkeer naar een economie gebaseerd op normen. ‘Dan kun je discussiëren over de vraag of dat tien of honderd miljoen moet zijn, maar een norm is sowieso beter dan geen norm, lijkt mij. En dan kun je elke keer weer normen aanpassen. Want op een bepaald punt is het gewoon genoeg. Ook bij aandelen van bedrijven zouden we kunnen afspreken dat mensen bijvoorbeeld maximaal 5 procent kunnen bezitten. Als iemand vijf huizen heeft, is het misschien wel gewoon voldoende.’
Dit idee is helemaal niets nieuws, vertelt Van der Linden. ‘Aristoteles was de eerste die er goed over heeft geschreven. Aan alles zit een limiet. Hij maakte een onderscheid tussen oikonomia, economie, en chremastistiek: puur geld verdienen om het geld verdienen.’ Ook de eerste markteconoom Adam Smith schreef erover. ‘We hebben dit soort ideeën gewoon verwaarloosd. Op zich is marktwerking goed, maar je moet die marktwerking ook bewaken en voorkomen dat bepaalde marktpartijen gaan domineren door duizenden panden op te kopen, door grote bedrijven helemaal te controleren. Dat is tegen het idee van een markteconomie. Tegen het kapitalisme moet je vaak marktargumenten gebruiken om je punt te onderbouwen.’
Stompzinnig
Vanuit moreel, democratisch, ecologisch en markt-oogpunt is er dus heel wat te zeggen voor het instellen van limieten. Maar kan het überhaupt? Bas Jacobs is econoom, gespecialiseerd in overheidsfinanciën en belastingstelsels. ‘Een harde limiet op vermogen instellen is een economisch stompzinnig idee. Het komt neer op het voor 100 procent wegbelasten van alle vermogen boven de limiet. Dat is een garantie op massale belastingvlucht, -ontwijking en -ontduiking.’ De vraag naar een rechtvaardiger verdeling van inkomen en vermogen is volgens Jacobs een terechte politieke vraag. Maar op het moment dat de superrijken de limiet hebben bereikt, zullen ze niks zinnigs meer kunnen betekenen voor de economie omdat de overheid alles wegbelast, legt Jacobs uit. ‘Dus ze zullen niet langer economisch zinvolle activiteiten ontplooien met het vermogen dat ze hebben. Dat is economisch zeer schadelijk.’
Jacobs maakt daarbij wel het onderscheid tussen verdiend en onverdiend vermogen. ‘Ik zie als econoom steeds meer inkomen dat niet verdiend is.’ Dat heeft bijvoorbeeld te maken met het uitbuiten van monopolieposities. Het vervuilen en verpesten van het milieu levert vervuilers inkomen op, maar dat is niet verdiend, want de ecologische schade die ontstaat is niet doorberekend in de prijzen. Hetzelfde geldt voor de financiële sector, waar risico’s worden genomen en zo private winsten ontstaan. Maar als het misgaat, leidt dat tot maatschappelijke verliezen. Hetzelfde geldt voor werknemers met flexibele contracten, die vaak minder verdienen dan mensen met vaste contracten, ook al hebben ze dezelfde opleiding en dezelfde werkervaring.
‘Een limiet is eerder symptoombestrijding en neemt de structurele oorzaken niet weg,’ zegt Jacobs.
‘De lachende derde is de aandeelhouder,’ zegt Jacobs. Die heeft dan hogere opbrengsten die niet verdiend zijn, want de bedrijfsrisico’s zijn naar de werknemers gegaan. ‘Ik zie in het economische klimaat een hele hoop onverdiend inkomen. Dus kun je best pleiten voor hogere belastingen. Maar je gaat nooit naar honderd procent.’
Er is wel een uitzondering op deze regel, vertelt Jacobs: eenmalige kapitaalheffingen in tijden van crisis. Honderd procent belasting boven een bepaalde limiet. Het probleem met de eenmalige kapitaalheffing is dat het niet consistent is, zegt hij. ‘Alleen als je geloofwaardig zou kunnen maken dat het inderdaad eenmalig is, hoeft dat geen grote economische gevolgen te hebben.’
Ideeën over collectief eigendom
Maar de vraag is of we na een dergelijke eenmalige kapitaalheffing, of na het invoeren van limieten op salaris, vermogen of erfenissen, niet het hele riedeltje van voren af aan beginnen. Want zijn de structuren die tot deze excessen en rijkdomsconcentratie hebben geleid werkelijk aangepakt? Zijn limieten niet een veel te botte bijl voor het aanpakken van de veelheid aan structurele problemen die misschien veel gerichter beleid vereisen dan een botte limiet instellen? ‘Een limiet is eerder symptoombestrijding en neemt de structurele oorzaken niet weg,’ zegt Jacobs.
Grenzen aan rijkdom zijn slechts één onderdeel van het grotere verhaal, denkt ook Ingrid Robeyns. ‘Ik licht limieten op rijkdom nu uit omdat ik denk dat het goed is om in detail uit te werken. Maar ik denk dat de grotere vraag is: hoe zou de ideale economie eruit moeten zien? Het gaat om ideeën over collectief eigendom. Economische democratie. De hele discussie over brede welvaart, weg van de blinde focus op het bbp. We moeten rekening houden met de grenzen van de ecologie op ons economisch systeem. Een ander belangrijk onderwerp: de helft van het werk dat we doen, is buiten de markt, dat is onbetaalde arbeid. Het merendeel gebeurt door vrouwen.’
Er is niet één oplossing voor al deze uiteenlopende problemen. Je hebt veel meer dingen naast elkaar nodig. Een basisinkomen, universele basisdiensten als gezondheidszorg, onderwijs, vervoer, internet, water, huisvesting, denkt Robeyns. ‘En dan is de vraag: hoe houd je het betaalbaar? Betaalbaarheid wordt gemakkelijker als je meer belastinginkomsten hebt. Hoe krijg je dat? Door het er met zijn allen over eens te zijn dat het misschien op een bepaald moment genoeg is. Alles is uiteindelijk met alles verbonden. Je lost het niet alleen op met grenzen aan rijkdom, maar als je al die dingen op een consistente manier in elkaar schuift, ga je richting een alternatief economisch systeem.’


Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.