Olúfémi Táíwò is hoogleraar Afrika studies aan Cornell University. We spreken elkaar via Zoom, hij vanuit zijn werkkamer in Ithaca, New York. Zijn manier van spreken is stellig, de vragen die hij stelt zijn retorisch, maar hij lacht vaak en hard. Eerder schreef hij spraakmakende boeken als How Colonialism Preempted Modernity in Africa (2010), Africa Must Be Modern: A Manifesto (2014).
Maar na de verschijning van Against Decolonisation in 2022 (de vertaling Tegen dekolonisatie verschijnt op 28 april bij Prometheus) is het opvallend stil gebleven. En dat terwijl Táíwò toch een paar zwaargewichten uit zijn vakgebied en voorvechters van dekolonisatie van stevige repliek dient, zoals filosoof Kwasi Wiredu en postkoloniaal denker Ngũgĩ wa Thiong’o.
Táíwò wil wat hij noemt ‘de troop’ (een stijlfiguur waarbij een bestaande uitdrukking op een oneigenlijke manier wordt gebruikt) van dekolonisatie uitbannen, ‘zeker als het gaat om het verklaren van fenomenen in hedendaags Afrika’ (Táíwò kiest ervoor om over Afrika, een continent met 54 verschillende landen, als ge(de)koloniseerd continent te spreken en geeft soms voorbeelden van landen in het bijzonder, zoals zijn thuisland Nigeria).
Against Decolonisation kreeg een paar besprekingen (voornamelijk in internationale media), er was een handjevol interviews, maar zijn vakgenoten zwijgen vooralsnog.
Hoe verklaart u die stilte?
‘Aan uw kant van de vijver kennen mensen het boek nog niet, maar aan deze kant is het inderdaad heel erg stil gebleven. Mijn redacteuren zeggen: we moeten gewoon wachten. Maar hoe kan ik mensen die hun carrière aan dekolonisatie hebben opgehangen ertoe bewegen om te stoppen met dekoloniseren? Want dat is mijn doel. Er is geen gemeenschappelijke basis voor een gesprek. Waar het op neerkomt is dat ik zeg: er is hier niets. Mensen hebben hun carrière op dekolonisatie gebaseerd en vaak niets om op terug te vallen. Het is dus moeilijk voor hen om te zeggen: je hebt gelijk.’
Met de ogen rollen
Táíwò werd geboren in 1956 en groeide op in Ibadan, Nigeria. In 1960 werd zijn land gedekoloniseerd: na ruim een eeuw te zijn overheerst door de Britten, werd Nigeria in 1960 weer onafhankelijk. Dekolonisatie hield in dit geval in, schrijft Táíwò: ‘een kolonie tot een zichzelf besturende instantie maken, met haar eigen politieke en economische vermogen en onder eigen beheer’. Als we het vandaag de dag over ‘dekolonisatie’ hebben, verwijst dat woord naar iets anders. Volgens Táíwò betekent het nu: ‘het dwingen van een ex-kolonie, die lijdt onder het eeuwige juk van de kolonisatie, om ieder cultureel, politiek, intellectueel, sociaal en linguïstisch artefact, idee, proces of instituut af te zweren dat maar een vleugje van het koloniale verleden in zich herbergt.’ ‘Dekolonisatie 2’ noemt hij dat. Hij ageert bijvoorbeeld tegen voorstellen om lokale talen weer leidend te maken in het onderwijs en in academisch onderzoek.
In Tegen dekolononisatie laat Táíwò zien dat er veel verwarring bestaat over wat dekolonisatie precies behelst. Soms wordt het begrip bijvoorbeeld verward met emancipatie of de strijd tegen racisme. Ook laat hij zien dat Afrikanen niet per se de cultuur van de onderdrukker hebben overgenomen, er was sprake van een interculturele uitwisseling, wat onvermijdelijk is als culturen met elkaar in contact komen. En die hybriditeit behoort tot de kern van menselijke beschaving, volgens Táíwò. In de meeste situaties is het daarom onwenselijk, zo niet onmogelijk om te ‘dekoloniseren’, concludeert hij.
In de meeste situaties is het onwenselijk, zo niet onmogelijk om te ‘dekoloniseren’, concludeert Táíwò.
Hoe heeft u als kind de dekolonisatie van Nigeria beleefd?
‘Ik ging twee jaar na de onafhankelijkheid naar school. De eerste drie jaar van het onderwijs waren in mijn originele taal, het Yoruba. Er waren allerlei culturele programma’’s die Yoruba invoerden. Mijn ouders verkeerden in die tijd in een opgetogen stemming over de onafhankelijkheid. Ik herinner me dat er echt een inspanning werd geleverd om de instituties goed te laten werken. Ik kom uit West-Nigeria, waar veel moderne systemen waren die uitdrukking gaven aan de moderne tijd. Zo werd in deze regio het eerste televisiestation van het continent opgericht. Het juridische systeem in Nigeria was dermate goed ontwikkeld door lokale intellectuelen dat Nigeria rechters exporteerde naar omliggende landen als Uganda en Botswana om hen te helpen een moderne rechtspraak op te tuigen. Nigeria had ook het meest geraffineerde ambtenarenapparaat op het continent. In Nigeria bestond al vóór de onafhankelijkheid gratis basisonderwijs. Zelfs onder het kolonialisme bestond er beleid waar mensen voordeel van genoten. Hoe kun je dan zeggen dat Nigerianen geen eigenaar waren van het systeem, nadat het instortte?
Ik studeerde in de jaren zeventig. “Dekolonisatie” was iets wat we kregen bij geschiedenis, maar er verschenen ook al publicaties over het dekoloniseren van teksten. Toch was het niet echt een onderwerp. Wij waren waarschijnlijk eerder verdeeld op ideologische vlakken als communisme, marxisme, liberalisme.’
Vandaag de dag lopen (woke) studenten vaak voorop met hun roep om het onderwijs te dekoloniseren. Hoe reageren uw studenten op uw boek Tegen dekolonisatie?
‘Ze hoeven het niet met me eens te zijn, maar ik hoop dat ik studenten die zich ongemakkelijk voelen bij het onderwerp dekolonisatie de woorden aanreik om hun zorgen te formuleren. Als ik kritische studenten de taal heb kunnen aanreiken om hun stem te verheffen, heb ik mijn werk gedaan. Een studente vertelde me dat ze nu iedere keer dat ze weer een bijeenkomst bijwoont waar wordt geroepen “Dekoloniseer dit! Of: dekoloniseer dat!” met haar ogen rolt.’
En uw collega’s?
Lacht hard: ‘Die negeren me.’
Moderniteit
Volgens Táíwò is de invloed die aan de ex-kolonisator wordt toegeschreven eerder een kwestie van bijvoorbeeld moderniteit. Moderniteit wordt volgens hem vaak verward met kolonialisme en onterecht gezien als een witte, westerse of Europese uitvinding. En zelfs al zijn sommige verschijnselen geworteld in het kolonialisme, dan nog is het voortbestaan ervan volgens Táíwò nog geen bewijs voor het aanhouden van koloniale overheersing na de onafhankelijkheid. ‘Dit gemakzuchtige toeschrijven van veel praktijken en processen aan koloniale oorsprong,’ schrijft hij, ‘komt voort uit een verabsolutering van kolonialisme en het zogenaamd bijna onverwoestbare vermogen ervan om de wil van de gekoloniseerden te buigen’.
Táíwò vertelt: ‘Op een conferentie presenteerde ik mijn bevindingen. Bij het ontbijt kwam er iemand naar me toe. “Ik heb de hele nacht over je presentatie nagedacht,” zei hij. “Ik kon geen tegenargumenten bedenken voor wat je zei. Toch moeten we een mogelijkheid vinden om aan het idee van dekolonisatie vast te houden.”
Dat heeft niets met filosofie of kennis te maken, maar met ideologie. Het drong tot me door dat dit over veel meer gaat dan over intellectuele betrokkenheid: dit schaadt carrières. Terwijl: ik ben docent, ik ga af op mijn onderzoek en probeer op basis van die informatie het beste pleidooi te schrijven dat ik kan. Mijn werktitel was “Rethinking Decolonization”. Het was niet mijn opzet dekolonisatie te verwerpen, maar toen ik bezig was, dacht ik: er zit niets anders op. Ik leg vier uitdagingen op tafel (zie kader), en als je daar een antwoord op kunt formuleren, ben je welkom voor een discussie, maar als je daar geen aandacht aan wilt besteden, is een gesprek zinloos.’
Gebrek aan kennis
In zijn boek laat Táíwò aan de hand van een voorbeeld uit de muziek zien waarom het niet zo eenvoudig is om cultuuruitingen te dekoloniseren. Toen hij studeerde aan de Universiteit van Toronto, deed een niet-Afrikaanse medestudent hem verslag van het concert van King Sunny Ade and His New African Beats. (Táíwò benadrukt dat het een niet-Afrikaanse student betrof om te laten zien dat de culturele adaptie van twee kanten komt.) Táíwò, die een groot liefhebber was van Sunny Ade, was er niet bij, maar de student vertelde hem hoezeer hij onder de indruk was van de dertigkoppige band die tegelijkertijd instrumenten bespeelde, zong en danste, en dat strak gedisciplineerd deed. Táíwò realiseerde zich dat mensen in Noord-Amerika naar een concertzaal moesten om een dergelijk complex optreden te zien en dat Noord-Amerikaanse muzikanten waarschijnlijk klassiek geschoold waren en van bladmuziek speelden, in tegenstelling tot de autodidacten van Sunny Ade.
‘Als je alles simplificeert en onderverdeelt in prekoloniaal, koloniaal en dekoloniaal, is er geen ruimte voor nuance en scherpzinnige analyse.’
Jùjú, het muziekgenre waarin Sunny Ade excelleert, heeft zijn roots in de Yorubaanse cultuur, maar nam pas echt een vlucht onder invloed van het christendom. Bovendien komen de belangrijkste muziekinstrumenten van Jùjú uit het buitenland. Hoe verhouden Sunny Ade en Jùjú zich tot de ‘dekolonisatietroop’? En hoe zit dat met de boeken van de Nigeriaanse Nobelprijswinnaar voor Literatuur Wole Soyinka, die ervoor koos in het Engels te schrijven over zijn eigen cultuur na de dekolonisatie? Hoe kun je zonder enige bewijs veronderstellen dat kolonialisme een rol heeft gespeeld bij Soyinka’s beslissing, zo vraagt Táíwò zich af.
Waarom staan dergelijke kunst- en cultuuruitingen niet op de agenda bij voorstanders van dekolonisatie?
‘Om eerlijk te zijn vermoed ik gewoon door gebrek aan kennis. Als je alles simplificeert en onderverdeelt in prekoloniaal, koloniaal en dekoloniaal, is er geen ruimte voor nuance en scherpzinnige analyse. Als je daar nog de onderverdeling, zwart/wit, Afrikaans/Europees aan toevoegt, ga je voorbij aan de algemeen menselijke ervaring en aan de complexiteit daarvan.’
U benadrukt in uw boek dat kolonialisme maar een klein deel van de Afrikaanse geschiedenis is. Door te zeggen dat we nog steeds aan het dekoloniseren zijn, geven we deze periode van pak ‘m beet honderd jaar te veel krediet, vindt u. Ik moest denken aan een gesprek met de Oegandese schrijver Jennifer Nansubuga Makumbi. Zij vertelde dat Oegandezen hun geschiedenis niet kennen. De kolonisator begon de geschiedenis op te schrijven, maar dat was de geschiedenis van de machthebber. Verder zijn er orale bronnen, die minder toegankelijk en wellicht ook minder betrouwbaar zijn. Ik kan me voorstellen dat dit voor meer Afrikaanse landen opgaat.
‘Of het is een gemakzuchtig excuus voor wie zich niet in de geschiedenis wil verdiepen. Een paar jaar geleden sprak ik een Keniaanse vriendin. Ik vroeg: “Hoe noemden de Kikuyu zichzelf in de zestiende eeuw?” Ze zei: “Dat is te lang geleden.” Ik zei: “Nee, dat is maar vierhonderd jaar geleden.” Maar ze wist het niet. Als je je vastlegt op een bepaalde prioritering, laat je andere delen van je geschiedenis liggen. Het verleden wordt een grote mist onder de noemer “prekoloniale tijden”. Voor mensen die alleen de recente geschiedenis kennen, is vierhonderd jaar geleden gelijk aan de oudheid. Harvard College werd opgericht in 1664. Is er iemand die zegt: dat is te lang geleden?’
Nee, maar die geschiedenis is op schrift gesteld en toegankelijk gemaakt.
‘Kenia behoorde tot een deel van Afrika dat onder islamitische invloed stond. Er werd in lokale talen geschreven, in islamitische schriftuur. Er bestaan allerhande methodes om dergelijke teksten en orale verhalen te vertalen naar nu. Aan mijn universiteit in het westen van Nigeria bestond zoiets als de Yoruba Historical Research Scheme. Bachelorstudenten Geschiedenis deden onderzoek naar hun eigen lokale cultuur op basis van orale geschiedenis. Dat soort bronnen zijn beschikbaar en als die bronnen er niet zijn, is er werk te verrichten. Maar mensen mogen hun luiheid niet als excuus gebruiken. Dat is onverantwoordelijk.’
‘Waarom moet je de geschiedenis van buitenaf van een plot voorzien? Bedenk een plot van binnenuit, tenzij je wordt gestuurd door krachten van buitenaf. Mensen dragen verantwoordelijkheid voor hun eigen geschiedenis.’
Vanuit het heden bezien is de koloniale periode wel de meest invloedrijke tijd geweest, een tijd die tot vandaag de dag doorwerkt. Ter vergelijking: ik voel de directe gevolgen van de Tweede Wereldoorlog vandaag de dag meer doorwerken dan die van de middeleeuwen.
‘Waarom moet je de geschiedenis van buitenaf van een plot voorzien? Bedenk een plot van binnenuit, tenzij je wordt gestuurd door krachten van buitenaf. Een voorbeeld: stel, je bent Pools. Kijk je dan naar je geschiedenis vanuit het perspectief van alle landen die Polen hebben bezet? Rusland, Duitsland, Rusland? Ik dacht het niet. Een Pool kijkt naar de geschiedenis vanuit zijn eigen perspectief en bepaalt van daaruit wat de imperialisten hebben veroorzaakt. Kortom: mensen dragen verantwoordelijkheid voor hun eigen geschiedenis.’
U vergelijkt Afrika met voormalige kolonies als Zuid-Korea, China en Griekenland: zij hebben het beter gedaan nadat ze zelfstandig werden. Hoe verklaart u dat?
‘In Zuid-Korea was er al een grondwet aanwezig. De Amerikanen gingen weg en overhandigden min of meer de grondwet: hier, succes ermee. Zijn Zuid-Koreanen gaan klagen: wat moeten we hiermee; we hebben deze grondwet niet eens zelf geschreven? Nee, ze zijn de grondwet gaan bestuderen en hebben gekeken hoe ze deze konden toepassen. Toch is er een militaire dictatuur ontstaan. Maar in tegenstelling tot in Nigeria, zijn er drie Zuid-Koreaanse leiders in de gevangenis beland, dankzij diezelfde grondwet. Afrika is het enige continent waar militaire leiders in afwachting van een proces onbestraft blijven rondlopen. Nogmaals: het is heel makkelijk om een excuus te bedenken omdat je niet doet wat je zou moeten doen.
De kolonisatoren hebben de leugen verspreid dat ze moderniteit naar Afrika kwamen brengen. Maar Afrikanen die moderniteit wilden, gingen naar de gevangenis. Afrikaanse leiders die tegen moderniteit waren, werden gesteund door de kolonisator. Na de onafhankelijkheid wilden Afrikanen moderne instituties installeren, maar milities ontmantelden alles. Ik schreef eerder het manifest Afrika moet modern zijn. De toekomst van Afrika ligt bij moderniteit en de bevolking moet het heft in eigen handen nemen.
Kijk bijvoorbeeld naar Griekenland: na het ineenstorten van de militaire dictatuur, werd er een referendum gehouden onder het volk. De uitkomst was: we brengen de koning niet terug. De Grieken hebben het idee van een liberale democratie helemaal omarmd. Of kijk naar Spanje. Dat was een fascistisch dictatuur, maar is nu een parlementaire monarchie, met ministeriële verantwoordelijkheid; de uitvoerende macht berust bij het kabinet. En zo kan ik nog wel even doorgaan.’
‘Als je beweert dat kolonialisme zo’n grote impact heeft dat het alles overheerst, zeg je eigenlijk dat Afrikanen geen brein hebben. Wil je beweren dat kolonialisme onze hersenen heeft gefrituurd, dat we niet meer in staat zijn om in te grijpen?’
Waarom gaat dit in Afrika niet zo makkelijk?
‘Het kolonialisme in Afrika was anders dan het kolonialisme in die andere landen, maar dat is iets waar Afrika zich overheen moet zetten. Als je beweert dat kolonialisme zo’n grote impact heeft dat het alles overheerst, zeg je eigenlijk dat Afrikanen geen brein hebben. Wil je beweren dat kolonialisme onze hersenen heeft gefrituurd, dat we niet meer in staat zijn om in te grijpen? Dat weiger ik te geloven. Als ons uitgangspunt is: Afrika heeft soevereiniteit, dan kunnen we beginnen met het stellen van vragen die ons verder helpen. Eigen verantwoordelijkheid nemen voor ons falen is de eerste stap. Bijvoorbeeld: Eritrea heeft Rusland toestemming gegeven voor de bouw van een marinebasis: is dat kolonialisme? Ze hadden moeten zeggen: we willen jullie hier niet. Dát is wat er misgaat.’
U noemt de roep om te dekoloniseren nativistisch en atavistische. Dat plaatst de mensen die zich hier hard voor maken en zichzelf waarschijnlijk als links zien, in de reactionaire, nostalgische hoek.
‘Precies, maar dat is wat hun positie is. Dat is wat ze met hun onbegrijpelijke taal over zich afroepen.’
Veel Afrikanen tonen zich bezorgd over het uitsterven van lokale talen, wat ten koste zou gaan van hun identiteit. Dekoloniserende denkers als Ngũgĩ wa Thiong’o en Kwasi Wiredu pleiten voor het dekoloniseren van de taal en een herwaardering van oorspronkelijke Afrikaanse talen in het onderwijs en in de wetenschap. Waarom zijn hun ideeën verwerpelijk in uw ogen?
‘Ik heb nooit zoveel gelezen over taal als in de voorbereiding op dit boek. Ik heb een opleiding gevolgd aan een universiteit waar het meeste prestigieuze onderzoek naar Afrikaanse taal is gedaan en nog steeds wordt gedaan. Je ziet deze bronnen nooit terug in de onderzoeken waar de dekolonisators het over hebben. Erken deze bronnen en help het discours vooruit. Doe niet alsof we ons op een lege vlakte bevinden door te roepen: we moeten onderzoek doen naar onze eigen taal! We moeten lesgeven in onze eigen taal! We moeten onze taal vooruit helpen! De meeste mensen die dit roepen, kunnen niet eens een fatsoenlijke paragraaf in hun eigen taal schrijven.
Wiredu wil bijvoorbeeld dat we onze eigen concepten moeten bedenken in onze oorspronkelijke, inheemse talen. Hoor je iemand ooit zeggen: dit is een Portugees idee, maar je hebt hetzelfde idee in het Frans of in het Spaans nodig. Wat is dat voor wetenschap? Als je wetenschap bedrijft, kun je het beste thuis zijn in al die talen, zodat je weet dat dingen aan elkaar gelijk zijn of van elkaar verschillen.
‘Veel van deze voorvechters van dekolonisatie schrijven zelf in het Engels, dus waar hebben ze het over?’
Ik weet niet of ik alle facetten van de betekenis van een Yorubaans concept kan doorgronden, maar ik weet dat iets in het Yoruba ook bestaat in het Luganda. Je kunt ideeën niet afschermen. Als ik yogaleraar wil worden, volg ik een opleiding en ga ik yogales geven. Hoe ik eruitzie doet er niet toe. Met welk accent ik spreek, doet er niet toe. Je moet goed naar jezelf kijken en bij jezelf te rade gaan: kan ik waarmaken wat ik roep? Veel van deze voorvechters van dekolonisatie schrijven zelf in het Engels, dus waar hebben ze het over?’
Had u ‘Tegen dekolonisatie’ in het Yoruba kunnen schrijven?
‘Ik schrijf essays in het Yoruba, maar dit boek had ik niet in het Yoruba kunnen schrijven, want ik beheers de taal niet op academisch niveau. Niemand schrijft academisch in lokale talen. Maar door al die onderzoeken naar de Yorubaanse taal en cultuur waar ik eerder naar verwees, is er eigenlijk voldoende informatie beschikbaar om een academisch discours te ontwikkelen. Er zijn boeken geschreven over de fonetiek, morfologie en syntax van Yoruba.’
In uw boek haalt u de Kaapverdische schrijver Amílcar Cabral aan, die zegt: ‘Het Portugees is een van de beste dingen die de “tuga” ons hebben nagelaten, want taal is niet ergens een bewijs van, maar een instrument waarmee men zich tot een ander kan verhouden, een middel om de werkelijkheden van het leven en de wereld mee uit te drukken.’
‘Precies! De Algerijnse overheid investeert grootschalig in Engels taalonderwijs om zich los te maken van het Franse kolonisatieverleden en met het oog op de toekomst. Heeft iemand Algerije gedwongen om dit doen? Is Algerije nu een kolonie van Groot-Brittannië? Engels is de tweede taal van India. Is er iemand die daar moeilijk over doet? Wie houdt je tegen om je eigen taal te spreken?’
U schrijft ook: wij Nigerianen hebben het Engels geclaimd en zelf opnieuw vormgegeven. Getuigt dat niet van een vorm van dekolonisatie?
‘Jazeker. Als een taal gedomesticeerd raakt, zijn er altijd aanwijzingen van de oorspronkelijke cultuur in die taal terug te vinden. Kijk bijvoorbeeld naar Canadees-Engels en Amerikaans-Engels. Culturele invloeden werken twee kanten op.’
Volgens u komt het allemaal neer op gedegen onderwijs. Hoeveel vertrouwen hebt u daarin in het huidige academische klimaat, waarin de roep om dekolonisatie van het curriculum klinkt?
‘Als dat inhoudt dat kinderen in Nederland leren over de geschiedenis van het kolonialisme, ben ik daar helemaal voor. Wat betekent een kreet als “dekoloniseer het curriculum”? De meeste zaken die onder de noemer “dekolonialisme” worden geschaard, hebben daar immers niets mee te maken, die gaan over racisme of ideologie. Dekolonisatie is een zeepbel. Als je studenten goed onderwijs wilt geven, schets dan het brede panorama van de menselijke ervaring.
Dekolonisatie nodigt niet uit tot onbevooroordeeld diepgravend onderzoek. Daar maak ik me zorgen om. Sinds 1990 geef ik colleges Politieke filosofie in Amerika. Je kunt niet spreken over de politieke theorie van het liberalisme zonder het te hebben over abolitionist en mensenrechtenactivist Frederick Douglas, of over de narratieven van tot slaaf gemaakten, want dat is het idioom waarin de strijd voor vrijheid werd geframed. Dat zou ik overigens kunnen scharen onder de noemer “dekolonisatie”, maar daar heeft het niets mee te maken. Het heeft met goed onderwijs te maken. Vergis je niet: de gekoloniseerden drukten hun eigen stempel op de taal waardoor ze de wil en de plannen van de koloniseerders actief konden ondermijnen en zich die tegelijkertijd toe-eigenen.’
Olúfémi Táíwò, Tegen dekolonisatie, Prometheus, 298 p.
De vier uitdagingen
Táíwò legt de ‘dekolonisator’ de volgende uitdagingen/vragen en/of opdrachten voor:
-
Is ‘het zogenaamde gevolg van de kolonisatie’ inderdaad gecreëerd, veroorzaakt, bepaald, geconditioneerd of beïnvloed door kolonialisme? Volgens Táíwò komen eigenlijk alleen die dingen die echt bepaald zijn door kolonialisme in aanmerking voor ‘dekolonisatie’. (En dat zijn er bijzonder weinig, vindt hij.)
-
Van welke soort kolonialisme proberen we iets te bevrijden? Kolonialisme in Afrika was volgens Táíwò allesbehalve eenduidig; nederzettingenkolonialisme overheerste in zuidelijk, oostelijk en noordelijk Afrika, terwijl exploitatiekolonialisme de rest van het continent werd opgelegd. Dat heeft tot totaal verschillende vormen van invloed geleid.
-
Wanneer iets na de onafhankelijkheid aanwezig is in een voormalige kolonie, moeten we, voordat we het gaan dekolonialiseren als zijnde een koloniaal restant of product, afwegen of hier alternatieve verklaringen voor zijn, zoals inertie of een bewuste keuze van de bevolking van de ex-kolonie om het in hun nieuwe situatie te integreren of zich eigen te maken.
-
Stel dat het een positief streven van dekolonialiseren is om iets te herstellen wat door kolonialisme was weggenomen, dan kunnen we, nadat is vastgesteld dat er een causaal verband is tussen iets en kolonialisme, tot de ontdekking komen dat indien het een heel vakgebied betreft (bijvoorbeeld: koloniale genealogie), dit op zich heel weinig betekent. Een voorbeeld: weinig mensen zullen de koloniale oorsprong van antropologie ontkennen, maar wat betekent dat voor het vakgebied vandaag de dag? Táíwò wijst op het werk van Afrikaanse antropologen dat ondanks de koloniale oorsprong van het vakgebied ontzettend waardevol is.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.