Ik vermijd steeds vaker discussies op sociale media. Best een zorgelijke impuls, als je een journalist bent die het debat juist wil aanzwengelen en onrecht aan de kaak wil stellen. Vroeger, en dan heb ik het nog maar over een paar jaar geleden, waren Twitter en Facebook platformen waar je openlijk van gedachten kon wisselen met mensen uit de hele wereld, om je horizon te verbreden en elkaars visies uit te dagen. Er was ruimte voor humor en relativering; fouten werden makkelijk vergeven.
Nu is Twitter één langgerekte schreeuw. We gingen van 140 naar 280 karakters, maar zelfs dat is niet genoeg om een standpunt genuanceerd over te brengen.
Toen ik het woord transgender een keer als zelfstandig naamwoord gebruikte, tweette een vreemde dat ik een graf moest graven en erin moest liggen, dan schepte zij het wel dicht. Toen ik een reisverhaal over de Pakistaanse stad Lahore deelde, volgde een lange reeks van racistische verwensingen. Hoe durfde ik positief te berichten over zo’n gevaarlijk, achterlijk kutland – ook al was ik er geweest en zij niet.
Publieke arena
Op Facebook is een gezonde discussie ook haast niet meer mogelijk. Dan heb ik het nog niet eens over het algoritme dat bepaalt wat je wel en niet te zien krijgt. Ik bedoel de reacties op artikelen of standpunten die ik zelf deel. Kaart ik onderwerp A aan, dan begint de volgende persoon over B en de daaropvolgende persoon weer over C – niemand heeft het meer over A. Vervolgens gaan mijn Facebook-‘vrienden’, die soms duizenden kilometers van elkaar vandaan wonen, elkaar nooit hebben ontmoet of zullen ontmoeten, met elkaar in gevecht over onderwerp C, D of E. Het onderwerp dat ik eigenlijk wilde aankaarten raakt zo bedolven onder een lawine van onderbuikgevoelens en halve waarheden.
Wanneer een onhandige opmerking viral gaat, kan je carrière in één klap voorbij zijn. Je wil dus geen gezichtsverlies leiden op sociale media – ik ook niet.
Dit proces blijft zich herhalen, omdat mensen alleen maar erkend willen worden in wat ze al vinden en hun gelijk willen halen. Je eigen ideeën rondtoeteren voelt ook fijner dan gecorrigeerd worden. En dan is Facebook ook nog eens een publieke arena waarin iedereen meekijkt. *grabs popcorn* Als je iets fouts zegt of politiek incorrect bent, dan kunnen honderden of zelfs duizenden mensen dat bekritiseren. Wanneer een onhandige opmerking viral gaat, kan je carrière in één klap voorbij zijn. Je wil dus geen gezichtsverlies leiden op sociale media – ik ook niet. Als een discussie ontspoort, maak ik overuren om mijn standpunten te nuanceren tegen vreemden, alles om mijn geloofwaardigheid intact te houden. Dat is doodvermoeiend.
Snowflake
En waar doe ik het allemaal voor? De onlinewereld overlapt slechts deels met mijn echte leven, waar likes geen enkele waarde hebben. De meeste ‘vrienden’ en ‘volgers’ zie ik zelden offline. Zij vormen zich dus een beeld van mij dat alleen is gebaseerd op de informatie die ik deel op sociale media – en vice versa.
Nu zie ik mezelf als iemand die in het politieke midden zit en openstaat voor veel ideeën en invloeden. Een grootstedelijke vent met een Nederlandse moeder, Pakistaanse vader, islamitische opvoeding en homoseksuele levensstijl – the best of many worlds. Ik hoor geregeld van mensen dat ik ‘zo scherp en geestig ben op Facebook’. Maar omdat ik naast alle grappen ook geregeld over racisme, seksisme en homofobie post en zo nu dan koloniale invloeden benoem, ben ik voor anderen een zeikerige social justice warrior, een snowflake.
Mijn zwarte Facebookvriend Jeremy vond dat ik het gedrag van witte mensen niet moest goedpraten.
Terwijl ik ook genoeg contrasterende ideeën heb. Zo vind ik dat iedere nieuwkomer de normen en waarden van een westerse samenleving dient te respecteren en hekel ik religieuze onderdrukking. Maar dat houd ik meer voor mezelf, dus die kant bestaat op Facebook niet. En al zou ik alle invalshoeken belichten, je doet het nooit goed. Zo deelde ik eens een artikel waarin werd beschreven dat je eerst de Hollandse directheid moet snappen om racisme in dit land te doorgronden. Een interessante observatie, maar mijn zwarte Facebookvriend Jeremy vond dat ik het gedrag van witte mensen niet moest goedpraten. Toen ik daar tegenin ging, schreef hij, via een privébericht: ‘Als kind van gemengde ouders zul je altijd de kant van witte mensen kiezen.’ Dat was het startsein voor dit onderzoek.
Een andere kennis, Pim, stuurde naar aanleiding van die discussie ook een privébericht, bang dat hij als witte Hollander in een publieke discussie zou worden neergesabeld door al die social justice warriors in mijn woke Facebookbubbel. Hij beklaagde zich over de dubbele moraal van links, waar hij mij ook onder schaart. ‘Jullie willen het vrije woord beperken waar dit land zo lang voor heeft gevochten. Alles wat als beledigend kan worden ervaren dient meteen te worden gecensureerd. De bron wordt gelijk afgeschilderd als homofoob of xenofoob. Eet je een burrito in de buurt van een Mexicaan? Cultural appropriation. Vind je massa-immigratie een probleem? Dan ben je een nazi.’
Tegenpolen
Pim en Jeremy (niet hun echte namen) vertegenwoordigen de extremen in mijn gematigde, linksige, tamelijk witte vriendenlijst. Ik heb ze slechts een paar keer in het echt ontmoet.
Omdat ik de heftige Facebookdiscussies zat ben, leek het me interessant om met ze af te spreken. Wat gebeurt er als ik uitgesproken outsiders uit mijn onlinewereld in de echte wereld confronteer met hun uitspraken?
Ik spreek ze los van elkaar, een-op-een, want ik wil dat ze zich vrij voelen om alles te kunnen zeggen. Hoe kijken Pim (wit, hetero, erg rechts) en Jeremy (zwart, homo, erg links) naar dezelfde stroom van informatie die ik deel? En hoe beoordelen deze twee tegenpolen mij, iemand die denkt tussen hen in te staan?
Jeremy en Pim willen graag meewerken, maar alleen anoniem, bang voor de repercussies die hun publieke uitspraken kunnen hebben. Jeremy post veel op Facebook, maar dat zien alleen zijn vierhonderd vrienden – en straks leest heel Vrij Nederland mee. Pim post haast niks en is bang dat hij door zijn rechtse meningen zijn baan kwijt kan raken.
De mannen verschillen in bijna ieder opzicht van elkaar, behalve in hun behoefte aan een grotere vrijheid van meningsuiting. Maar zijn ze ook bereid hun eigen ideeën te bevragen?
Ik trek voor beide gesprekken een uur uit. Zullen ze milder zijn als ze mij in de ogen kunnen kijken, en als we meer sociale cues tot onze beschikking hebben, zoals mimiek, intonatie en lichaamstaal? En zal ik sneller geneigd zijn om mijn standpunten bij te stellen?
De mannen verschillen in bijna ieder opzicht van elkaar, behalve in hun behoefte aan een grotere vrijheid van meningsuiting. Maar zijn ze ook bereid hun eigen ideeën te bevragen?
Voorwaardelijke liefde
Eerst wat achtergrondinformatie om te begrijpen hoe de politieke visies van Pim en Jeremy zijn gevormd. Jeremy (34) werd geboren op een Caribisch eiland, in een strengchristelijk maar hecht gezin. Zijn ouders zijn nog bij elkaar en hij heeft maar één zus, ‘een uitzondering in onze cultuur’. Zijn vader was ‘min of meer’ een dominee, dus het gezin ging meerdere keren per week naar de kerk, niet alleen op zondag. Jeremy studeerde internationale relaties in de VS, waar hij openlijk homoseksueel kon zijn. Hij was daar een van de weinige zwarte studenten.
Terug op het eiland zag Jeremy pas hoeveel homofobie er was en hoe gevaarlijk het was voor hem en zijn vrienden. Jeremy is wel eens in elkaar geslagen en vluchtte soms een paar maanden naar zijn tante in Miami, vooral toen hij activistischer werd en aan de slag ging als journalist.
Vier jaar geleden vroeg Jeremy asiel aan in Nederland. Hij kreeg vrij snel een verblijfsvergunning, woont nu in Amsterdam, werkt als LHBTI-activist en schrijft soms voor buitenlandse media. Zijn ouders houden van hem, maar steunen zijn levensstijl niet. ‘En voorwaardelijke liefde is geen liefde.’
Identiteitsdingetje
Als Pim (32) zichzelf zou moeten definiëren, zou hij zeggen: wit, man, heteroseksueel, seculier, rechts, maar grootstedelijk.
Hij groeide op in een klein plaatsje in het noorden van het land en komt uit een familie van fabrieksarbeiders en bouwvakkers. Pim woont nu al jaren in Amsterdam, waar hij in de culturele sector werkt, in zijn beleving een ultralinks wespennest. Zijn politieke voorkeuren komen niet van zijn ouders maar van zijn oudere broer, die actief was bij de VVD. Ze voeden nog altijd elkaars ideeën. Pim stemt ook jaren VVD, al is hij het niet per se met alles eens. ‘Soms denk ik dat het voor mij meer een identiteitsdingetje is, als een tegenwicht voor alle deugmensen op links.’
Pim loopt over van gedachten. Positieve discriminatie vindt hij onzin, net als quota’s bij bedrijven. Maar als hij dat op zijn werk zou zeggen, ligt hij eruit, dat weet Pim zeker. ‘Ik kan hier maar met een handvol mensen over praten, want de culturele sector is links, de kranten en talkshows zijn links. Mijn standpunten worden vooral online vertegenwoordigd, bijvoorbeeld in de filmpjes van Jonathan Haidt en Jordan Peterson. Maar het is oneerlijk dat links overal zijn verhaal kan doen, terwijl ik mijn ideeën niet mag uiten in de mainstream media. Dus zweven ze alleen maar door mijn hoofd, zonder dat ik ze aan anderen kan toetsen, wat mijn ergernis alleen maar aanwakkert.’
Pim is naar eigen zeggen gematigd. ‘Ik zeg alleen dat we voorzichtig moeten zijn met wat we binnenhalen in dit land, maar dan vinden mensen me gelijk een Wildersaanhanger.’
Wat zou Pim dan graag willen delen op Facebook? ‘Dat ongeremde massa-immigratie niet per se goed is en dat we een zekere uniformiteit moeten behouden in Nederland. Nieuwkomers moeten zich aanpassen en assimileren. Jij maakte laatst terecht een filmpje van Wilders belachelijk, maar hij had wel één goed punt: als je iedereen toelaat tot dit land, importeer je ook intolerantie. Jij vindt homorechten toch belangrijk? Homohaat is oververtegenwoordigd binnen de moslimgemeenschap – dat is een statistisch feit, helaas.’
Pim is naar eigen zeggen gematigd. ‘Ik zeg alleen dat we voorzichtig moeten zijn met wat we binnenhalen in dit land, maar dan vinden mensen me gelijk een Wildersaanhanger.’
Neerbuigende toon
Jeremy post van alles op Facebook. Ik sta altijd te kijken van zijn berichten, waarin hij het (al dan niet verkapte) racisme van witte mensen bekritiseert. Hij deelt screenshots van gesprekken op de datingapp Grindr, waarin witte jongens hem objectiveren vanwege zijn donkere huidskleur en alleen maar geïnteresseerd zijn in zijn ‘big black cock’.
Waarom maakt hij dit openbaar? ‘Ik ben gewoon eerlijk over de neerbuigende toon die witte mensen tegen me aanslaan,’ zegt Jeremy. ‘Ik deel die screenshots omdat mensen bewijs willen zien van racisme, anders wuiven ze het weg. Zo ging ik met een Nederlandse jongen naar een homo-evenement. Omdat ik zwart ben, dacht men dat ik een escort was, dat ik kreeg betaald voor mijn gezelschap. Daar spreek ik me dan over uit.’
Ik vraag hoe Jeremy aankijkt tegen het land dat hem een verblijfsvergunning, onderdak en veiligheid gaf. ‘Ik kijk kritisch naar iedere maatschappij waarin ik leef, dus ook naar Nederland. Ik vind niet dat ik iemand iets schuldig ben of dankbaar moet zijn, want ik heb zelf die kansen gecreëerd en overal voor betaald. Ik weet dat mensen hier verwachten dat ik iets terugdoe, maar mijn aanwezigheid is genoeg – ik maak de stad diverser.’
‘Ik haal mijn boodschappen bij de Turk, laat mijn haar doen door een Afrikaanse immigrant. Maar dat is niet het Amsterdam dat veel witte stadsgenoten willen ervaren.’
Jeremy woont in een ‘kleurrijk’ Amsterdam. ‘Ik woon om de hoek van een moskee en ben de enige in mijn straat die niet in een kaftan of hoofddoek loopt. Ik haal mijn boodschappen bij de Turk, laat mijn haar doen door een Afrikaanse immigrant. Maar dat is niet het Amsterdam dat veel witte stadsgenoten willen ervaren.’
Een witte man in een bruin lichaam
Hoe sta ik zelf ten opzichte van deze gepolariseerde visies? Ik oog net als Jeremy buitenlands, maar ik ben hier wel geboren en getogen. Ik heb ook kansen gecreëerd, maar zie tegelijkertijd alles wat dit welvarende land mij heeft gegeven. Ik ben het dus deels met Pim eens, dat iedereen in Nederland zijn verantwoordelijkheid moet nemen en dat je niet alles kunt afschuiven op anderen. ‘Je bent dan ook gentrified,’ zegt Jeremy, als ik hem vraag naar die opmerking over mijn vermeende trouw aan witte mensen. ‘Jij bent het schoolvoorbeeld van de succesvolle migrant, zonder strafblad. Je ben ook nog eens homo, maar loopt niet rond in leer. Je hebt een partner, huisje, boompje, beestje, met een hekje eromheen. Je bent een witte man in een bruin lichaam.’
En wat als ik alleen over migranten en racisme zou schrijven, zou dat mij meer ‘bruin’ maken? ‘Dat zou niet alleen saai zijn, ik zou het ook wantrouwen. Activisten die hun afkomst uitbuiten zijn vaak hypocriet.’
Ik schrik van zijn rigiditeit, omdat ik het juist fijn vind om te laveren tussen verschillende werelden. Is het niet mogelijk dat ik het beste uit beide culturen heb overgenomen? ‘Je hebt het grootste deel van jouw leven hier doorgebracht, niet in Pakistan. Je hebt gemengde roots, maar jij hebt één witte ouder die van jou houdt. Ik niet en dat maakt al het verschil. Jij bent het product van twee culturen die liefdevol samenkomen, ik zie vooral frictie.’
En wat als ik alleen over migranten en racisme zou schrijven (en posten), zou dat mij meer ‘bruin’ maken? ‘Dat zou niet alleen saai zijn, ik zou het ook wantrouwen. Activisten die hun afkomst uitbuiten zijn vaak hypocriet.’
Jeremy labelt graag, dat weet hij. ‘Maar zolang die labels bepalen welke kansen iemand krijgt in het leven, blijf ik me opwinden.’
Ben ik dan een rechtse rakker vergeleken met Jeremy, omdat ik de labeldrift vind doorgeslagen, omdat ik denk dat we zo niet verder komen?
Nogal bekrompen
De grap is dat de liberale Pim mij van hetzelfde beticht. Hij vindt de posts waarin ik pleit voor sensitiviteit rondom labels ‘nogal bekrompen’. Zoals toen ik schreef dat witte mensen niet altijd moeten vragen waar ik vandaan kom. ‘Ik wil dat gewoon kunnen vragen,’ zegt Pim, ‘omdat ik geïnteresseerd ben en een gesprek wil aanknopen. Bij mij hoor je dat ik uit het noorden kom, daar mag je ook naar vragen.’ Ik zeg dat dat anders is, omdat diezelfde vraag van een wit naar een gekleurd iemand impliceert dat je anders bent en er dus niet bij hoort. ‘Ja, maar nu vul jij mijn intenties in en ben je bij voorbaat al beledigd. Dan denk ik: jezus, mag ik dan niks meer vragen?’
Face to face blijkt het heel makkelijk om de mening los te koppelen van de emotie.
De mannen sparen mij niet. Gelukkig maar, want dat was ook de bedoeling. En omdat hun observaties met humor worden verteld, zonder toeschouwers, steekt het mij niet. Face to face blijkt het heel makkelijk om de mening los te koppelen van de emotie. Ik merk dat Jeremy en Pim het ook fijn vinden om zo open over hun opvattingen te praten, omdat ik expliciet zeg dat ik geen oordeel wil vellen.
Als we bij het onderwerp abortus aankomen, vraagt Pim: ‘Dus jij vindt het goed om baby’s te vermoorden?’ Ik glimlach, denk dat hij een grap maakt, maar hij is bloedserieus. ‘Ik ben er niet inherent op tegen, maar ik vind wel dat het aantal abortussen moet worden teruggedrongen.’
Als hij dit op Facebook had gepost, was de hel vast losgebarsten. Maar nu praten we er kalm over.
Morele superioriteit
Ik zag laatst een mooi filmpje met activist, fotograaf en schrijfster Ayishat Akanbi, getiteld ‘The problem with wokeness’. Daarin zegt ze dat ‘empathie en wederzijds begrip zijn vervangen door morele superioriteit’, waarbij verschillen worden uitvergroot en de ander wordt beschaamd. ‘Sociale media zijn de digitale versie van een schoolkantine; wie mag bij je zitten en wie niet? We beoordelen mensen alleen nog op wat ze zijn – witte man, lesbische vrouw – en niet meer op wie ze zijn. Terwijl mensen onder hun politieke overtuigingen en woede vaak dezelfde leegte voelen.’
Het is belangrijk dat we in de onlinewereld niet worden gereduceerd tot onze meningen. En dat kan alleen als je een compleet beeld krijgt van iemand, in de offlinewereld.
Het is dus belangrijk dat we in de onlinewereld niet worden gereduceerd tot onze meningen, wil Jeremy ook benadrukken. En dat kan alleen als je een compleet beeld krijgt van iemand, in de offlinewereld.
Heilige huisjes
Door Pim en Jeremy beiden een uur te interviewen, heb ik de mensen achter de soms extreme visies beter leren kennen. Ik snap nu dat Jeremy er genoeg van heeft dat mensen in de supermarkt altijd denken dat hij daar werkt. Labels zijn voor hem belangrijk, omdat hij dagelijks op die labels – zwart en queer – wordt gewezen. ‘De meerderheid van de wereldbevolking is gekleurd, dus het is belachelijk dat ik als minderheid word weggezet, alleen omdat de meerderheid van dit land wit is.’
En aan de andere kant van het spectrum staat Pim, die zijn geboorteland snel ziet veranderen, daar graag over wil debatteren, maar voelt dat hij monddood wordt gemaakt door zijn landgenoten. ‘Persoonlijke ervaringen moeten niet het enige criterium zijn om te mogen meepraten,’ vindt Pim. ‘Het tribalisme viert hoogtij,’ vervolgt hij. ‘Iedere stam heeft heilige huisjes. Voor links zijn dat feminisme, homorechten en de strijd tegen racisme, voor rechts is dat een ongelimiteerde vrijheid van meningsuiting. Wij komen in opstand als komieken niet vrij kunnen spreken of rechtse denkers van universiteiten worden geweerd.’
Sociale media gaan niet meer over verbinden, maar over verbale oorlogsvoering het uitvergroten van tegenstellingen.
Al die stammen proberen een plekje te bemachtigen in deze grote, gecompliceerde wereld – dus ook online. We zoeken bevestiging bij gelijkgestemden en vormen een front tegen een gedeelde vijand. En dankzij dat klote-algoritme van Facebook komen de verhitte discussies bovenaan de tijdlijn; het midden wordt ondergesneeuwd. Sociale media gaan dus niet meer over verbinden, maar over verbale oorlogsvoering en het uitvergroten van tegenstellingen.
Mijn gelijk
Ik besef dat ik in Facebookdiscussies ook vaak mijn gelijk wil halen, mezelf wil beschermen tegen publieke vernedering en dat ik mensen met tegengestelde meningen soms te snel in hokjes wegzet, zodat ik ze niet meer serieus hoef te nemen – white privilege, zie je wel?
Voor Pim en Jeremy gold dat net zo goed. Door ze op een bepaalde manier te labelen, frame ik alles wat ze zeggen. Pim zegt dit, want hij is wit en hetero. Jeremy zegt dat, want hij is zwart en gay. Daarbij hield ik te weinig rekening met hun levenservaring, persoonlijkheden en blinde vlekken. Tegelijkertijd irriteert het me als anderen hetzelfde bij mij doen.
‘Life is short’, las ik laatst in een treffende meme op Facebook. ‘Make sure you spend as much time as possible on the internet – arguing with strangers about politics.’
De les lijkt duidelijk: we moeten allemaal wat minder ruzie maken op sociale media. ‘Life is short’, las ik laatst in een treffende meme, nota bene op Facebook. ‘Make sure you spend as much time as possible on the internet – arguing with strangers about politics.’
Schreeuwen in een publieke arena leidt zelden tot wezenlijke inzichten en kritisch zelfonderzoek. Het kost je vooral veel tijd en energie. Als een discussie escaleert, zal ik in het vervolg dus vaker voorstellen om even wat te gaan drinken om de boel te depolariseren, zoals ik ook met Pim en Jeremy deed.
Over muren klimmen
Natuurlijk kan ik niet met iedereen afspreken. Bovendien is de onlinewereld niet meer weg te denken. We moeten dus een manier vinden om ons ook online tot elkaar te verhouden. Hoe dat beschaafder kan? Geen idee. De geest is uit de fles en het lijkt me sterk dat de massa op sociale media teruggaat van hard en grof naar genuanceerd en respectvol.
Toch is er ook hoop. Terwijl wij tijdens de Zwarte Pieten-discussie van de afgelopen maanden zaten te schuimbekken op Facebook, werd Jerry Afriyie in de echte wereld uitgescholden en bekogeld met eieren. Ik vind het bewonderenswaardig hoe kalm hij bleef. In plaats van online om zich heen te slaan, ging hij eind november in gesprek met de ‘blokkeerfriezen’, bij een van hen thuis, zonder camera’s of publiek. Na afloop had iedereen meer begrip voor elkaar. ‘We zijn een gesegregeerd land,’ zei Afriyie later tegen de Leeuwarder Courant. ‘Iedereen zit achter zijn eigen muren, in zijn eigen bubbel. Gelukkig zijn er mensen die proberen om over die muren heen te klimmen.’
Naschrift: Hoe denken Pim en Jeremy over elkaar, na het lezen van dit artikel? Jeremy zegt dat Pims ideeën aansluiten bij wat hij van andere conservatieven hoort in Nederland. ‘Zijn standpunten worden breder gedeeld dan wij denken.’ Pim zou willen dat Jeremy mensen meer als individu ziet en minder labelt op afkomst, huidskleur en seksualiteit. ‘Discriminatie is verschrikkelijk en ik ben net zo voor gelijke kansen als Jeremy, maar ik denk dat het averechts werkt als je continu deze hokjes blijft benadrukken. Beoordeel mensen liever op hun daden.’ Jeremy heeft nog iets anders opgestoken van ons gesprek: ‘Alles wat ik online uit is veel moeilijker om recht in iemands gezicht te zeggen.’

Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.