Je kunt dit verhaal ook beluisteren!
Economen wordt vaak en graag verweten dat ze het over helemaal niets eens kunnen worden. Als je twee economen in een kamer zet, krijg je drie meningen, zo gaat de mare. Mark Rutte wenste zijn politieke tegenstanders ooit veel economen toe. Maar in tegenstelling tot wat veel mensen denken, zijn economen het over veel zaken roerend eens.
Grof gezegd: economen zijn voor vrijhandel en tegen protectionisme. Economen zijn voor een hard mededingingsbeleid en tegen welig tierende kartels en monopolies. Economen zijn voor een gelijk speelveld voor alle bedrijven en tegen voordeeltjes die sommige bedrijven wel en andere niet krijgen. Economen zijn voor het belasten van grond, onroerend goed en erfenissen en tegen subsidies op vermogensopbouw.
Economen zijn voor het beprijzen van CO2-uitstoot en tegen het geven van allerlei uitzonderingen aan de landbouw, luchtvaart en scheepvaart. Economen zijn voor een stabiel financieel systeem en tegen het subsidiëren van financiële instellingen.
Maar als vrijwel alle economen het erover eens zijn dat een maatregel moet worden ingevoerd, kun je er vergif op innemen dat de politiek dat niet doet.
Economen zijn traditioneel de grootste cheerleaders van vrijhandel.
Met de verkiezingen in aantocht is het daarom interessant om te kijken hoe de Nederlandse politieke partijen scoren op een aantal onderwerpen die economen belangrijk vinden. Hun opvattingen zijn ontleend aan de (concept)verkiezingsprogramma’s zoals die op 24 januari 2021 op hun websites stonden.
1. Vrijhandel
Economen zijn traditioneel de grootste cheerleaders van vrijhandel. Maar de afgelopen decennia zijn de schaduwzijden van globalisering zichtbaar geworden. Wereldwijd is de inkomens- en vermogensongelijkheid toegenomen. Laagbetaalden in westerse landen hebben hun loon zien dalen door concurrentie met China.
Populistische partijen hebben hier garen bij gesponnen. Donald Trump beloofde Amerika op de eerste plaats te zetten en begon een handelsoorlog met China. Het Verenigd Koninkrijk is met open ogen het brexit-ravijn ingelopen. In Nederland durft geen enkele politieke partij zich nog onomwonden uit te spreken voor méér vrijhandel. Sterker, PVV en FvD willen een Nexit.
De Partij voor de Dieren wil geen nieuwe handelsverdragen, het CDA spreekt helemaal niet meer over de voordelen van vrijhandel, net als PvdA, GroenLinks en SP. De PvdA heeft haar steun aan het door toenmalig minister Lilianne Ploumen zwaar bevochten CETA-verdrag ingetrokken. VVD en D66 zijn nog het positiefst, al zijn ook zij niet meer ongeclausuleerd voor meer vrijhandel, bijvoorbeeld bij buitenlandse staatssteun of monopolies.
De kritiek op en vraagtekens bij handelsliberalisering zijn deels terecht. Hoewel landen gemiddeld baat hebben bij meer vrijhandel is het helemaal niet gezegd dat iedereen daar vervolgens ook van profiteert. Te vaak zijn de voordelen van vrijhandel vooral ten goede gekomen aan de beter gefortuneerden, terwijl de onderkant van de arbeidsmarkt klappen kreeg door concurrentie met lagelonenlanden.
Economen kan worden verweten een blinde vlek te hebben gehad voor die verdelingseffecten. In theorie, zo zeggen ze, kunnen de winnaars van vrijhandel de verliezers altijd compenseren. Maar in de praktijk, zo blijkt, is dat nooit of nooit voldoende gebeurd, waardoor de inkomensverschillen zijn toegenomen.
Nu dreigt maatschappelijke onvrede over internationale handel zich juist tegen die handel te keren. Iedereen die wil weten waar dat toe kan leiden, hoeft alleen maar naar de brexit te kijken.
Maar vrijhandel en vrij kapitaalverkeer zijn voor Nederland van groot economisch belang, gezien de gigantische exporten naar en de enorme belegde vermogens in het buitenland, bijvoorbeeld van onze pensioenfondsen.
Barrières in internationale handel en kapitaalmarkten zijn nog altijd groot. Politieke partijen zouden misschien beter geen verzet moeten mobiliseren tegen vrijhandel, maar juist moeten zorgen dat de vruchten van die vrijhandel eerlijk(er) worden gedeeld, bijvoorbeeld door belastingen progressiever te maken of onderwijskansen te vergroten.
2. Mededinging en concurrentie
Wie vindt nog dat mededinging en concurrentie belangrijk zijn voor de economie? Sinds de Paarse kabinetten in jaren negentig is marktwerking van de politieke agenda verdwenen. Vrijwel niemand pleit nog voor meer concurrentie en hardere mededinging, op één terrein na: veel partijen willen, overigens volkomen terecht, de marktmacht van internetplatforms aanpakken.
Als het onderwerp al opduikt in de verkiezingsprogramma’s, dan is het vooral omdat mededinging en concurrentie vieze woorden zijn geworden. Sla de verkiezingsprogramma’s van CDA, PvdA, SP, GroenLinks en Partij voor de Dieren er maar op na. Marktwerking is ‘doorgeschoten’, met name in zorg, onderwijs, sociale huur en kinderopvang.
Marktwerking en mededinging zijn helemaal uit de mode.
Maar kapitalistische economieën kunnen nooit goed functioneren zonder eerlijke concurrentie, vrije toe- en uittreding op markten en spelregels om marktbederf te voorkomen. Dat vinden ook linkse economen zoals Joseph Stiglitz. De tucht van de markt moet het opportunisme van op winst beluste mensen en bedrijven beteugelen zodat het platte eigenbelang in goede banen wordt geleid en niet botst met het maatschappelijk belang.
Dat kan alleen als consumenten hun spullen ook bij een andere producent kunnen kopen als de aangeboden waar niet bevalt. Als werknemers zonder problemen kunnen overstappen naar een andere werkgever wanneer ze worden uitgebuit. En als kapitaaleigenaren hun geld kunnen terugtrekken als bedrijven er een potje van maken.
Maar marktwerking en mededinging zijn helemaal uit de mode. VVD en D66 zijn de enige partijen die daarover nog een serieuze paragraaf hebben opgeschreven in hun verkiezingsprogramma’s. Maar zelfs de VVD wil inmiddels ‘strategische sectoren’ beschermen. Als politieke partijen spreken over concurrentie, is het bovendien niet omdat ze meer concurrentie willen, maar omdat tegen oneerlijke concurrentie zijn.
Het CDA wil ‘geen concurrentie, maar samenwerking’ en legt de boeren in de watten. GroenLinks en Partij voor de Dieren komen op voor de biologische boeren. De PvdA wil minder valse concurrentie bij zelfstandigen en mensen in de zorg. En ChristenUnie en Partij voor de Dieren willen geen valse concurrentie door belastingvoordelen voor grote bedrijven. PVV, FvD en SP lijken geen opvattingen meer te koesteren over marktwerking en mededinging.
3. Belasting op onroerend goed
Al sinds Henry George (1839-1897) zijn economen hartstochtelijke pleitbezorgers van belastingen op land en onroerend goed – zie ook dit verhaal over de woningmarkt. Die belastingen zijn economisch namelijk de meest doelmatige belastingen die er bestaan. Ze verstoren het economisch proces nauwelijks, omdat de inkomens uit onroerend goed – inkomen in natura, huur, pacht en vermogenswinst – grotendeels ‘onverdiend’ zijn: geringe economische inspanningen zijn verricht door uitstel van consumptie of het nemen van risico. Mensen kunnen een belasting op onroerend goed bovendien vrijwel niet ontwijken of ontduiken.
Rechtse partijen zouden juist voor zulke belastingen moeten pleiten. Dan kunnen economisch veel schadelijker belastingen op inkomen uit hard werk en winsten uit onderneming veel lager worden. Maar ook linkse partijen zouden er voor moeten zijn, omdat daardoor de inkomens- en vermogensongelijkheid kan dalen.
Thomas Piketty heeft in zijn Kapitaal in de 21ste eeuw laten zien dat de vermogensopbouw in de westerse wereld vooral wordt veroorzaakt door opbouw van en waardestijgingen in onroerend goed. Die vermogensopbouw vertaalt zich vervolgens in groeiende inkomens- en vermogensongelijkheid en grotere verschillen tussen oude en jonge generaties. Belastingen op onroerend goed kunnen daarom de inkomens- en vermogensongelijkheid aanzienlijk verkleinen, zowel binnen als tussen generaties.
Maar het eigen huis wordt in Nederland helemaal niet belast. Het wordt nog altijd met miljarden gesubsidieerd via de hypotheekrenteaftrek, die bij lange na niet wordt gecompenseerd door de belasting via het eigenwoningforfait. Bovendien zijn vermogenswinsten bij de verkoop van het eigen huis onbelast.
Dat de Nederlandse overheid, na decennia discussie en enige beperkingen, nog altijd nalaat op een goede manier belasting te heffen over huizen, steekt vrijwel alle economen als een graat in de keel. Ze vinden vrijwel allemaal dat het eigen huis op dezelfde manier moet worden belast als spaargeld. Veel economen vinden bovendien dat werkelijke vermogensinkomsten, inclusief vermogenswinsten, moeten worden belast. Maar geen enkele partij wil vermogenswinsten bij verkoop van huizen belasten. Alleen de ChristenUnie stelt voor om het eigen huis net als spaargeld te gaan belasten. Geen enkele andere partij wil de fiscale behandeling van het eigen huis fundamenteel veranderen.
Rechtse partijen (VVD, CDA, PVV, FvD) willen niets weten van verdere beperking van subsidies op het eigen huis. De meeste linkse partijen (D66, PvdA, GroenLinks, SP, Partij voor de Dieren) willen de hypotheekrenteaftrek weliswaar verder verminderen, maar ze doen dit soms op zo’n domme manier dat Nederland hard op weg is om geleidelijk de belastingheffing over het eigen huis te slopen.
Zo wil de PvdA de opbrengst van de beperking van de hypotheekrenteaftrek teruggeven in de vorm van een lager eigenwoningforfait en wil GroenLinks dat forfait helemaal afschaffen. Dat uitgerekend deze linkse politieke partijen dit bepleiten, is verbijsterend. Het vermogen in het eigen huis wordt dan steeds minder of helemaal niet meer belast. De overheid verliest vervolgens het belangrijkste instrument om de belastingen op arbeid en winst laag te houden en iets te doen aan de groeiende inkomens- en vermogensongelijkheid.
4. Belasting op erfenissen
De meeste economen – maar niet allemaal – vinden dat erfenissen veel zwaarder moeten worden belast. Ontvangers hebben voor het krijgen van hun erfenis geen persoonlijke inspanning hoeven te verrichten. Bovendien zegt de meerderheid van de mensen niet per se iets te willen nalaten aan hun kinderen. Het belangrijkste onderdeel van erfenissen – wederom: onroerend goed – is bovendien gesubsidieerd. De echt rijken zoeken de mazen van de wet op en kunnen via de bedrijfsopvolgingsregeling hun vermogen in bedrijven stoppen en die vervolgens vrijwel belastingvrij nalaten aan hun kinderen.
Door erfenissen zwaarder te belasten, kunnen de economisch veel schadelijker belastingen op inkomen en winst omlaag – dat zou rechtse partijen toch moeten aanspreken – en kan de overheid de inkomens- en vermogensongelijkheid veel beter verkleinen – iets wat linkse partijen zouden moeten willen.
Maar pleidooien voor verhoging van de erfenisbelastingen zijn overal ter wereld, ook in Nederland, electoraal suïcidaal. CDA, PVV, SP en ChristenUnie zwijgen daarom als het graf. Dat de VVD die belasting wil verlagen en FvD haar zelfs wil afschaffen is misschien geen verassing, maar ook een beetje dom. Die partijen willen kennelijk liever dat Nederland gaat rentenieren dan dat het gaat werken of ondernemen.
De PvdA zat samen met het CDA in regering Balkenende IV toen Jan Kees de Jager in 2010 de erfenisbelastingen fors verlaagde. De PvdA is bang voor de kiezer: ze wil alleen nog iets doen aan de erfopvolgingsregeling voor bedrijven, maar verder niets.
Ook GroenLinks is bang; die partij wil grote erfenissen weliswaar zwaarder belasten, maar kleine erfenissen juist minder.
Het meest opvallende is dat D66 GroenLinks ter linkerzijde lijkt te passeren door onomwonden voor hogere tarieven in de erfenisbelasting te pleiten.
5. Beprijzing milieuschade
Een van de aartsvaders van de welvaartsanalyse, Arthur C. Pigou (1877-1959), pleitte er al in 1912 in zijn boek Wealth and Welfare voor om vervuilers te laten betalen voor de schade die zij aanrichten aan economie en samenleving. De vervuiling en opwarming van de aarde zijn nu te groot omdat niet alle milieukosten zijn doorberekend in de prijzen.
In Nederland bestaat er daarom nagenoeg unanimiteit onder economen voor het beprijzen van alle CO2-uitstoot, voor alle bedrijven, voor alle sectoren, zonder uitzonderingen en bij voorkeur in Europees verband. Dat kan door een CO2-belasting in te voeren of te zorgen dat vervuilers CO2-emissierechten moeten kopen in het Europese emissiehandelssysteem. Er zou bovendien een einde moeten worden gemaakt aan alle uitzonderingen voor de vervuilende landbouw, luchtvaart en scheepvaart.
Het is grappig: daar waar linkse partijen voortdurend met een beschuldigende vinger wijzen naar ‘doorgeschoten marktwerking’ als veroorzaker van zo ongeveer alle maatschappelijke ellende, omarmen ze allemaal, als ware discipelen van de vrije markt, het prijsmechanisme om ambitieuze milieudoelen te realiseren.
Evenzo hypocriet is de opstelling van rechtse politieke partijen. Daar waar zij de vrije markt ruim baan geven, weigeren ze om het marktmechanisme in te zetten voor het milieu.
PVV en FvD willen helemaal niets weten van het belasten van CO2; die partijen zijn klimaatontkenners. VVD en CDA gaan weliswaar mokkend akkoord met de net ingevoerde CO2-heffing voor de industrie, maar willen die ook weer direct afschaffen zodra het Europese emissiehandelssysteem strenger zou worden.
Het CDA kent geen enkele ambitie om milieuschade goed te beprijzen; die partij ligt aan de leiband van de landbouw. Ook de SP heeft weinig op met beprijzing; zij wil alleen vliegen duurder maken en een CO2-belasting invoeren voor grote vervuilende bedrijven.
Economen zijn dolenthousiast over rekeningrijden om zo de kosten van files in rekening te brengen bij de automobilist.
D66, PvdA, GroenLinks en Partij voor de Dieren bepleiten wel ambitieuze CO2-belastingen, die veel verder gaan dan alleen het belasten van de industrie. Maar alleen de Partij voor de Dieren, jawel, wil die heffing laten gelden voor de hele economie.
Veel partijen willen ook dat Europa minder gratis emissierechten uitdeelt aan bedrijven (VVD, D66, PvdA) of nu vrijgestelde sectoren onder het emissiehandelssysteem plaatsen, zoals de landbouw, scheepvaart of luchtvaart (D66, ChristenUnie).
VVD en PvdA willen dat beprijzing van milieuschade niet ten koste gaat van de internationale concurrentiepositie door middel van een Europese grenscorrectie voor CO2-belastingen (border tax adjustment). Uit de EU uitgevoerde goederen worden dan vrijgesteld van CO2-belasting en in de EU ingevoerde goederen krijgen een CO2-heffing.
Conclusie: alleen de Partij voor de Dieren en misschien GroenLinks komen in de buurt van wat de meeste economen bepleiten: alle CO2-uitstoot correct beprijzen, hetzij via een CO2-belasting, hetzij via duurdere emissierechten. PVV, FvD, CDA en SP nemen beprijzing van milieuschade niet of nauwelijks serieus en laten na om het grootste marktfalen dat de wereld ooit heeft gezien te corrigeren.
6. Rekeningrijden
Om dezelfde reden dat vervuiling een prijs hoort te krijgen, moet ook congestie een prijs krijgen. Mensen die in de auto stappen, houden namelijk geen rekening met de files die daardoor ontstaan en daarmee grote productiviteits- en vrijetijdsverliezen veroorzaken. Economen zijn daarom dolenthousiast over rekeningrijden om zo de kosten van files in rekening te brengen bij de automobilist. De files zullen op slag verdwijnen. Het gaat economen er bovendien niet om autorijden gemiddeld duurder te maken, de opbrengst van de kilometerheffing kan worden teruggegeven.
Maar het verhaal lijkt erg op dat van de CO2-belasting. VVD, CDA, PVV en FvD wijzen rekeningrijden af, vaak op hoge toon, PvdA en SP doen er het zwijgen toe, terwijl GroenLinks, Partij voor de Dieren, ChristenUnie en D66 wel (een vorm van) rekeningrijden willen invoeren.
7. Kapitaaleisen banken
De Grote Recessie, die begon in 2008 na de val van Lehman Brothers, was een diepe financiële crisis. Banken hadden enorme financiële risico’s genomen met verpakte hypotheken terwijl ze hun activiteiten vaak met minder dan 2 procent eigen geld hadden gefinancierd en met meer dan 98 procent geleend geld.
De omvang van de bancaire sector was bovendien vaak meermalen groter dan de economieën waar die banken opereerden, in Nederland ruim vijfmaal het nationale inkomen. Overheden moesten wereldwijd banken redden met geldverslindende steunoperaties om een financiële implosie te voorkomen. Het grote publiek was, terecht, woedend op de banken.
De financiële sector heeft veel hogere kapitaaleisen succesvol weten te saboteren, met steun van VVD en CDA.
Economen waren unisono: verhoog de kapitaaleisen van banken. Die kapitaaleisen leggen op hoeveel eigen vermogen banken moeten hebben per euro balanstotaal. Meer eigen geld in banken is de beste garantie op het voorkomen van nieuwe financiële crises, want banken, en dus hun aandeelhouders, zitten dan allereerst op de eigen blaren als er teveel financieel risico wordt genomen. Het financieel stelsel wordt stabieler en de belastingbetaler wordt gespaard.
De kapitaaleisen voor banken werden vervolgens een piepklein beetje aangescherpt. De financiële sector heeft veel hogere kapitaaleisen succesvol weten te saboteren, met steun van VVD en CDA. Regering Rutte III heeft de net wat hogere kapitaaleisen voor Nederlandse banken weer verlaagd toen Europa die niet verder ging verhogen. Banken moeten nu minimaal 3 (!) procent eigen vermogen hebben op hun balanstotaal en systeembanken iets meer.
Drie procent eigen vermogen wordt door de meeste economen nog altijd als belachelijk laag en veel te gevaarlijk beschouwd. Die kapitaaleisen moeten minimaal naar 15 procent worden opgehoogd. Anat Admati en Martin Hellwig schreven in 2013 een wereldberoemd boek, The Bankers’ New Clothes, waarin ze bepleiten dat de kapitaaleisen zelfs zouden moeten worden opgeschroefd naar 25 procent van het balanstotaal.
Wat zeggen de politieke partijen nu in hun verkiezingsprogramma’s? VVD, CDA, PVV, FvD en SP zeggen er niets meer over. D66, PvdA, GroenLinks, ChristenUnie en Partij voor de Dieren bepleiten gelukkig nog wel hogere kapitaaleisen. Maar elk politiek momentum voor wezenlijke hervorming van de financiële sector lijkt inmiddels vervlogen.
Rode lap op een stier
De lijst met onderwerpen waar economen het over eens zijn, is veel langer. Denk bijvoorbeeld ook aan: stoppen met subsidies op vermogensopbouw, afschaffen van landbouwsubsidies, verminderen van fiscale prikkels voor opbouw van schulden, of de noodzaak van grotere investeringen in onderwijs en onderzoek.
Veel maatregelen die economen verstandig vinden, worden nooit ingevoerd. Economen kan ongetwijfeld worden verweten dat ze dingen niet helder voor het voetlicht brengen. Zo spreken mededingingsbeleid, belastingbeleid of kapitaaleisen bepaald niet tot grote politieke of publieke verbeelding. Sommige voorstellen raken direct aan grote belangen.
Welgestelden, bedrijvenimperiums, vastgoedmannetjes, agrariërs en bankiers zijn uitermate succesvol in het veiligstellen van hun economisch schadelijke privileges bij conservatieve partijen. Te meer omdat het progressieve partijen aan elk zelfvertrouwen ontbreekt om die politiek aan de orde te stellen.
Bepaalde onderwerpen werken bij het electoraat zo sterk als een rode lap op een stier, dat angstige politici die mijden. Zolang onderwerpen te complex, politieke belangen te groot of voorstellen electoraal te riskant zijn, wordt economisch verstandiger beleid nooit ingevoerd.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.