Dertien jaar geleden was Robert Wiggers, adjunct-directeur van Wilde Ganzen, op een donorbijeenkomst van de Braziliaanse ngo CESE. Internationale donoren vertelden daar dat het fondsenwerven in Europa niet goed lukte en dat ze niet wisten hoeveel geld CESE de komende tijd van hen kon verwachten. Wiggers had zich dit al vaker gerealiseerd.
Zuidelijke ngo’s zijn enorm afhankelijk van hoe er in het Westen wordt gedacht. Niets zo veranderlijk als de thema’s binnen ontwikkelingssamenwerking. Van een needs based approach naar een rights based approach, en van microkrediet tot gender balance: steeds weer hebben noordelijke ngo’s (mede onder invloed van hun overheden) nieuwe ideeën over waar de aandacht binnen ontwikkelingssamenwerking zou moeten liggen. Ook het aantal landen dat in aanmerking komt voor hulp – en welke landen wel of niet – verandert steeds.
Enkele jaren ervoor, in 1994, had Wiggers de gevolgen van zo’n nieuwe oprisping ervaren toen hij voor de interkerkelijke organisatie voor ontwikkelingssamenwerking ICCO op dienstreis was in Centraal en West-Congo. ‘Ik was daar om alle Congolese partnerorganisaties te vertellen dat we gingen stoppen. De partners reageerden geschokt. Ze vertelden dat ze net dezelfde boodschap hadden gekregen van Brot für die Welt, Danchurch Aid, Christian Aid en een aantal andere internationale ngo’s. Hun organisaties zouden omvallen. Daardoor realiseerde ik me hoe gevaarlijk het is voor partnerorganisaties om zo afhankelijk te zijn van hun donoren.’
Wijzer geworden nam Wiggers in Brazilië het woord en zei: ‘Er moeten hier mogelijkheden zijn om zélf fondsen te werven. De middenklasse groeit en het bedrijfsleven floreert.’
‘Arme’ landen als Haïti (14), Liberia (19) en Sierra Leone (20) laten België (39), Zweden (42) en Frankrijk (72) ver achter zich op de world giving index.
Dat geldt uiteraard niet alleen voor Brazilië. In 2030 zal onze mondiale middenklasse zijn gegroeid tot 2,4 miljard mensen. Als die allemaal 0,5 procent van hun uitgaven aan goede doelen geven, dan zou dat 319 miljard dollar per jaar opleveren voor maatschappelijk-middenveldorganisaties, aldus de Charity’s Aid Foundation. Deze Britse organisatie die maatschappelijke en goededoelenorganisaties ondersteunt, publiceert jaarlijks de world giving index waarin valt te lezen hoeveel mensen wereldwijd geven en aan wie.
De organisatie vraagt mensen hoe vaak ze een vreemde hebben geholpen, geld hebben gedoneerd of vrijwilligerswerk hebben gedaan. Opvallend is de top tien: op de eerste plaats staat Indonesië. Dan volgen Australië, New Zeeland, de VS, Ierland en Groot-Brittannië, maar daarna zijn Singapore, Kenia, Myanmar en Bahrein aan de beurt. Nederland staat op nummer 11. ‘Arme’ landen als Haïti (14), Liberia (19) en Sierra Leone (20) laten België (39), Zweden (42) en Frankrijk (72) ver achter zich.
Geitenveiling
Sinds die bijeenkomst in Brazilië heeft het onderwerp Wiggers niet meer losgelaten. Binnen Wilde Ganzen ontwikkelde hij met zijn medewerkers en partnerorganisaties een intensieve training van enkele weken, plus coaching, om lokale ngo’s te leren zélf fondsen te werven. Wilde Ganzen zijn hierin pionier.

In sommige gevallen haalden de getrainde organisaties het twintigvoudige op van wat de training heeft gekost. Wiggers geeft enkele voorbeelden: ‘Een dorp in een afgelegen plattelandsgebied in Burkina Faso had 40.000 euro nodig voor een nieuwe school en enkele toiletgebouwen. Het dorp zelf bestond uit boeren, daar is weinig bij te halen. Ze bedachten wie er uit het dorp in de stad was gaan wonen en het gemaakt had. Sommige van die vertrekkers bleken heel vermogend te zijn. Het bedrag was in één keer bij elkaar.
Een ander voorbeeld is de Nkoilale Community Development Organisation in Kenia, waar Masai wonen. De organisatie wilde een kliniek bouwen. De Masai wilden geen geld doneren, ze hadden alleen vee, zeiden ze. Dus besloot de organisatie een koeien- en geitenveiling en -loterij te organiseren. De Masai wilden wél vee doneren. De koeien werden verloot en geveild, in sommige gevallen zelfs aan de oorspronkelijke eigenaar. En de kliniek is er gekomen.’
‘In veel lokale gemeenschappen is geen gebrek aan middelen. Ons beeld is achterhaald.’
Clara Bosco is senior-adviseur bij Civicus, de mondiale alliantie voor organisaties in het maatschappelijk middenveld. ‘In veel lokale gemeenschappen is geen gebrek aan middelen. Ons beeld is achterhaald. We moeten uitgaan van overvloed in plaats van tekorten. Vaak is er tijd, kennis, inzet en ook geld. Maar wij in het Westen bepalen de condities en zien hen als hulpeloos. We denken dat ze ons nodig hebben en vanuit die blik gaan we geven.’
Banen in stand houden
Tijdens het congres ‘Shifting the Power’ in mei werd duidelijk dat de ontwikkelingssector al jaren vindt dat de afhankelijkheidsrelatie anders moet, maar die stap steeds maar niet zet. ‘Westerse organisaties willen het bestuur en de besluitvorming niet opgeven,’ zegt Lau Schulpen, onderzoeker aan de Radboud Universiteit Nijmegen.
‘Ze hebben institutionele belangen,’ zegt Emanuel Kumi, onderzoeker aan de Universiteit van Leiden, ‘en zijn daarom niet echt geïnteresseerd in de duurzaamheid en zelfstandigheid van lokale organisaties. Ze hebben zelf banen in stand te houden bijvoorbeeld.’
‘Met hun geld en idealen beïnvloeden donoren de missies en programma’s van lokale ngo’s die dan uiteindelijk niet meer op de lokale context zijn ingesteld.’
Jelmer Kamstra promoveerde in 2014 op de gevolgen van westerse donorfinanciering en concludeerde dat die ‘op den duur het lokale maatschappelijk middenveld verzwakt en lokale geworteldheid in de weg staat’. ‘Met hun geld en idealen beïnvloeden donoren de missies en programma’s van lokale ngo’s die dan uiteindelijk niet meer op de lokale context zijn ingesteld. Als je je als ngo puur op idealen richt, wordt je zicht op hoe het er in de werkelijkheid aan toe gaat vertroebeld. Je oplossing sluit dan niet meer aan op die werkelijkheid. Daardoor kom je zelfs verder van je idealen af te staan,’ zei Kamstra in een interview met vakblad Vice Versa.
Kamstra in hetzelfde interview: ‘Om toegang te krijgen tot donorgelden conformeren ngo’s zich aan het door donoren gepromote professionele organisatiemodel. Doordat deze manier van werken veel geld kost, worden ngo’s steeds afhankelijker van financiële steun en gaan ze zich ook steeds meer op de wensen van donoren richten en steeds minder op die van de lokale bevolking. Dit zichzelf versterkende proces bevordert zo internationale afhankelijkheid in plaats van lokaal eigenaarschap en geworteldheid. Of zoals een van de medewerkers van de ngo’s het treffend verwoordde: “Als we onze eigen financiering hadden, zouden we dingen anders doen.”’

Nóg een reden dus om voor lokale fondsenwerving te kiezen. Kumi onderzocht in opdracht van Wilde Ganzen recentelijk of de ruimte voor het maatschappelijk middenveld weer toeneemt als organisaties lokaal gaan fondsenwerven. En dat blijkt indirect zo te zijn. ‘Ngo’s leggen dan weer verantwoording af aan hun bevolking in plaats van aan hun donoren. Het verwijt dat ze de belangen van het Westen dienen in plaats van die van hun eigen mensen kan hen dan moeilijker gemaakt worden. Organisaties worden onafhankelijker en autonomer en kunnen beter bij hun doelstelling blijven.’
Bovendien kunnen de organisaties zo ook hun achterban mobiliseren. En dat is nodig voor maatschappelijke verandering.
Wiggers: ‘Het vrouwenkiesrecht en de achturige werkdag voor arbeiders kwamen er niet zonder dat zijzelf op de barricades stonden. Je krijgt ook geen geld bij elkaar van mensen voor iets dat ze niet echt belangrijk vinden.’
Toegevoegde waarde
Terug naar de westerse ngo’s. Kumi is ervan overtuigd dat ook zij, evenals de zuidelijke ngo’s, moeite hebben om hun achterban betrokken te houden. Zij moeten op hun beurt voldoen aan de eisen die hun donoren stellen, van wie ze vaak voor een zeer groot deel afhankelijk zijn. Die donoren zijn onze overheid bijvoorbeeld, maar ook de Europese Unie. ‘Ook westerse organisaties worstelen op dit moment met een legitimiteitscrisis. Ze moeten voldoen aan de eisen van hun eigen donoren, maar bovendien aantonen wat hun meerwaarde nog is. Waarom zouden overheden niet direct aan zuidelijke organisaties doneren? Wat is de toegevoegde waarde van westerse organisaties?’
‘Voor een lobbyclub die opkomt voor de rechten van LGTBQI is het in sommige landen een stuk moeilijker om geld op te halen.’
Toch is het niet wenselijk dat de geldstroom vanuit het Westen naar het Zuiden helemaal stopt, vindt Kumi. ‘Voor een lobbyclub die opkomt voor de rechten van LGTBQI is het in sommige landen bijvoorbeeld een stuk moeilijker om geld op te halen. In landen als Ghana ziet men homoseksualiteit gewoon niet zitten, en dat maakt het lastig. Voor zo’n organisatie blijft steun van buitenaf belangrijk.’ Dat geldt ook voor andere onderwerpen, bijvoorbeeld meisjes- en vrouwenrechten in Arabische landen. Veel organisaties die daarvoor strijden, moeten onder de radar en buiten het zicht van de autoriteiten opereren. Ze kunnen niet de zichtbaarheid zoeken die voor lokaal fondsenwerven nodig is.

Kumi: ‘Het gaat om een balans. Sowieso hebben organisaties eerst nog tijd nodig om beter te worden in lokaal fondsenwerven. En zelfs als ze daar helemaal in slagen, zullen sommige organisaties nog steun van westerse organisaties kunnen gebruiken.’ Bosco: ‘De mondiale middenklasse groeit, maar gemarginaliseerde groepen dreigen door hen niet gezien te worden. We moeten hen blijven steunen met internationale solidariteit. Maar er is een grote verandering gaande over wie wat geeft en hoe. Hoe het nu gaat, vooral westerse organisaties die geld sturen en de machtsrelatie die daarmee gepaard gaat, dat zal stoppen.’
Een voorbeeld in Mombasa, Kenia
Wilde Ganzen heeft sinds 2005 al bijna twintigduizend organisaties getraind om zelf fondsen te werven. Een van de organisaties die dit jaar na een training door een partner van Wilde Ganzen is begonnen met fondsenwerven, is Tele Family uit Mombasa, Kenia. De organisatie is actief in de wijk Likoni, een grote ‘informal settlement’ ofwel sloppenwijk, waar ongeveer 1 miljoen mensen leven. De helft tot driekwart van hen is jonger dan 18 en heeft weinig perspectieven. Tele Family biedt praktische beroepsopleidingen aan, voor bijvoorbeeld kleermaker, schoenmaker of sieradenmaker. Ook heeft de organisatie een succesvol microkredietprogramma voor vrouwen en een skills centre waar jongeren kunnen leren omgaan met computers en andere praktische vaardigheden kunnen leren. Via de organisatie worden ook kinderen gesponsord door mensen in Nederland, en zo kunnen ze naar school.
Yunua Nyachomba is algemeen manager van de Stichting: ‘We hadden voor de training nooit gedacht aan lokaal fondsenwerven. Maar we bleken het af en toe al te doen, bijvoorbeeld als we entreegeld vroegen voor een bijeenkomst. Nu hebben we een veel effectievere en meer doordachte strategie. In Kenia is het niet gebruikelijk om te doneren aan ngo’s. We geven aan elkaar, aan familie of buren, als we het moeilijk hebben.’
‘Toch zijn we om geld en middelen gaan vragen. Er zijn rijkere en armere mensen, ook in een sloppenwijk. We zijn begonnen in Likoni zelf en organiseerden een groot diner met entree waar we mensen voor uitnodigden. We maakten folders en ontwikkelden een elevator pitch. Sommige vrouwen die we met microkrediet hebben geholpen, draaien nu een goede business in Likoni. Zij brachten zakken rijst mee, die we van de begroting af konden halen. Het restaurant maakte de maaltijd met korting voor ons, in ruil voor banners die de eigenaars mochten ophangen. Een bank en een paar bedrijven uit Likoni doneerden ook, en gaven acte de presence, net zoals enkele lokale politici. We hebben na het diner met elkaar gesproken over de problemen in Likoni en wat wij hieraan proberen te doen.’
‘Hiervoor waren we vrij onbekend in Likoni. We werkten in de luwte via de kerk en het geld kwam vanuit Nederland. Inmiddels is niet alleen het training centre helemaal lokaal gefinancierd, ook het skills centre gaat hard die kant op. En het einde is nog niet in zicht. We zijn het Corporate Social Responsibility (CSR)-beleid van de bedrijven in Mombasa gaan lezen en hebben verschillende voorstellen geschreven. Binnenkort sturen we hen een follow-up.’
‘En na Mombasa is heel Kenia aan de beurt. Er ligt nog een enorm potentieel om te ontdekken. Over tien jaar hopen we helemaal geen geld uit Nederland meer nodig te hebben.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.