In een luisterbui? Hoofdredacteur Ward Wijndelts leest voor.

In 2013 kwamen in San Francisco duizenden mensen bijeen om te kijken naar hoe een vijfjarig jongetje verkleed als Batkid in een Batmobiel de stad rondreed. Naast hem zat een acteur vermomd als Batman. Samen redden ze een vrouw in nood, ontmoetten de burgemeester, ontvingen de sleutel van de stad. Het spektakel werd georganiseerd door de Make-A-Wish Foundation. Het jongetje had leukemie en drie jaar chemotherapie achter de rug. Toen hem werd gevraagd wat zijn grootste wens was, had hij geantwoord: Batkid zijn.

Dat verhaal geeft je vast een warm gevoel, schrijft de Australische filosoof Peter Singer daarover in zijn boek Effectief altruïsme. Hem wel, in ieder geval. Maar, schrijft hij, het verhaal heeft ook een andere kant. Het vervullen van die kinderwens kostte naar schatting zo’n 7500 euro. Van dat geld kunnen de levens van bijna drie kinderen in ontwikkelingslanden worden gered. Het is, rationeel bekeken, geld dat niet goed is besteed. Je zou zelfs kunnen stellen dat geld doneren aan Make-A-Wish gelijkstaat aan er bewust voor kiezen om twee à drie levens níét te redden.

Nog een voorbeeld. Stel je voor, schrijft filosoof William MacAskill in Doing Good Better, dat je langs een gebouw loopt dat in brand staat. Je trapt de deur in, rent door de rook en vlammen naar binnen en draagt een poos later een kind naar buiten. Je hebt een leven gered, een ervaring die je vermoedelijk nooit meer zult vergeten.

Mooi, maar we kunnen veel meer dan dat, stelt MacAskill. Volgens grove schattingen kost het ruim drieduizend euro om een leven te redden van iemand in een ontwikkelingsland, mits je doneert aan de meest ‘kostenefficiënte’ hulporganisaties. Een bedrag dat veel mensen in welvarende landen elk jaar kunnen missen. Dat betekent dat we structureel, ieder jaar opnieuw, een leven kunnen redden. ‘Het is niet zo glamoureus als een deur intrappen en een brandend gebouw binnenrennen, maar wel een stuk efficiënter,’ schrijft MacAskill.

Dit is in een notendop de filosofie achter het effectief altruïsme. Singer is de theoretische grondlegger ervan, MacAskill een jonge filosoof die er samen met Toby Ord, ook een filosoof, een wereldwijde beweging van heeft gemaakt. Naar schatting zijn er tienduizenden aanhangers (onder wie een aantal extreemrijken zoals Elon Musk) die gezamenlijk miljarden euro’s hebben gedoneerd.

Het is een levensfilosofie die voortbouwt op het utilitarisme uit de achttiende en negentiende eeuw, waarbij het draait om het minimaliseren van de ellende in de wereld en het maximaliseren van het goede. Door logisch redeneren, kansberekening en wetenschappelijk onderzoek proberen effectieve altruïsten de meest efficiënte methoden te ontdekken waarmee ze de wereld kunnen verbeteren. Het gaat ze niet zozeer om goeddoen, maar om het meeste goeddoen. Het altruïsme wordt geoptimaliseerd, wat betekent dat de willekeur, de emotie en het intuïtieve, die normaal gesproken aan altruïsme zitten vastgeplakt, moeten worden losgeweekt. ‘We moeten inzien,’ schrijft MacAskill, ‘dat de ene manier van goeddoen, objectief gezien, beter is dan de andere.’

AGENDAHEDONISME

Efficiëntie, productiviteit en doelmatigheid hebben niet alleen onze werktijd, maar ook ons privéleven gekoloniseerd. We timmeren ons bestaan zo goed dicht dat er geen enkele ruimte meer is voor spontaniteit of verveling. Heel efficiënt, maar er is een keerzijde. Tom Grosfeld schreef voor Vrij Nederland een boek over agendahedonisme. Bestel het hier.

het meeste goed doen

In zijn artikel ‘Famine, Affluence and Morality’ stelde Singer dat we een groot deel van ons inkomen zouden moeten afstaan voor noodhulp. De bovengrens was het punt waarop wijzelf en ons gezin evenveel zouden verliezen als de ontvangers van onze hulp er baat bij zouden hebben.

Ongeveer veertig jaar lang werd Singers essay vooral gebruikt als een filosofische oefening. Het idee dat alle uitgaven die het strikt noodzakelijke overstegen gelijk zouden staan aan iemand laten sterven – want dat is wat Singer uiteindelijk suggereert – was de meeste lezers te gortig.

We moeten om te beginnen zoveel mogelijk geld verdienen ‘earning to give’. Het is dus beter om bankier te worden dan jongerenwerker, docent of zelfs dokter

Dat gold niet voor William MacAskill. De aan Oxford afgestudeerde filosoof richtte zijn bestaan in zoals Singer het had uitgetekend. Hij doneerde bijna zijn gehele inkomen aan goede doelen. Als hij vrienden ontmoette in de kroeg, zo is te lezen in een profiel in The New Yorker, bestelde hij alleen een glas water en vulde dat bij met een blikje bier dat hij in de supermarkt had gekocht. Voor het avondeten at hij meestal zelfgebakken brood.

Die manier van leven leidde in 2009 tot de stichting Giving What We Can. Wie zich erbij aansluit, belooft jaarlijks tien procent van zijn inkomen te doneren. Rond dezelfde periode zetten twee hedgefondsanalisten GiveWell op, een organisatie die onderzoekt welke goede doelen het meeste ‘goed’ doen met elke euro die ze ontvangen. Langzaam begonnen de contouren van een beweging zichtbaar te worden, die twee jaar later nog eens werden aangezet doordat MacAskill met een groepje gelijkgestemden de organisatie 80.000 Hours oprichtte, die adviseert met welk carrièrepad je de meeste levens kunt redden. Niet veel later kreeg de beweging een officiële naam: effectief altruïsme.

kink in de optimaliseringskabel

Misschien is het ook weleens tijd dat we met een meer rationele, doelmatige blik naar liefdadigheid gaan kijken. En dat het individu wordt aangespoord zijn consumptiepatroon kritisch onder de loep te nemen. Misschien kan het hier en daar wel een onsje minder, zodat er structureel geld overblijft waarmee levens kunnen worden gered.

Toch geeft effectief altruïsme ook een ietwat onheilspellend gevoel. In het boek van MacAskill las ik bijvoorbeeld hoe hij ons aanmoedigt om het kiezen van een baan te onderwerpen aan een nauwkeurige berekening waar we zo’n achthonderd uur voor kunnen uittrekken. Want maximaal goeddoen is niet iets wat ons aan komt waaien. We moeten om te beginnen zoveel mogelijk geld verdienen (‘earning to give’). Het is dus beter om bankier te worden dan jongerenwerker, docent of zelfs dokter. Maar: we moeten onze baan wel leuk genoeg vinden om het te kunnen blijven volhouden. Want als je niet gelukkig bent op je werk, ben je minder productief en loop je grotere kans op een burn-out. Dat is niet zozeer vervelend voor jou als persoon, maar vooral voor je ‘impact op de lange termijn’. Het is een kink in de optimaliseringskabel.

Deze ‘nieuwe manier van denken’, zoals MacAskill het noemt, slaat dus niet enkel op met een rekenmachine in de hand onze liefdadigheid vormgeven, maar verspreidt zich over meerdere terreinen van ons bestaan. Het moedigt een bijna robotachtige manier van leven aan, waarbij al onze handelingen instrumenteel en utilitair worden. Alles wat we doen, komt in dienst te staan van de herverdeling van welvaart, zodat, schrijft MacAskill, ‘we onze tijd of ons geld niet verspillen aan activiteiten waar mensen uiteindelijk niet beter van worden’.

koele boekhouders

Wat zegt het over onze manier van leven dat het essay van Singer in 1972 doodsloeg, maar vijftig jaar later zo hevig resoneert? Ik denk niet dat we moreel betere en hulpvaardiger mensen zijn geworden. Volgens mij ligt de verklaring in het gegeven dat we langzaamaan aan het idee gewend zijn geraakt dat ook onze persoonlijke levens steeds nadrukkelijker worden bekeken door de bril van calculatie en doelmatigheid. We zijn veranderd in koele boekhouders. Hebben het kapitalisme zo diep verinnerlijkt dat we uiteindelijk zelf bedrijven zijn geworden, kleine centra van ‘kapitalistische productie die onze tijd, emoties en familierelaties impliciet beprijzen’, zoals de Servisch-Amerikaanse econoom Branko Milanović schrijft in Capitalism, Alone. Wat niet te vangen is in data, niet kwantificeerbaar is, wordt niet als waardevol beschouwd. Het is onzichtbaar. Vanuit die gedachte opereert effectief altruïsme, waarmee het, net als de quantified self-beweging, een vertakking is van het dataïsme. Het beantwoordt aan ons verlangen om alles terug te brengen tot het meetbare. Data filteren emotionaliteit en intuïtie uit. We geloven dat we er elk proces mee kunnen verbeteren en optimaliseren. We berekenen, leggen bloot, strijken glad.

Toen ik las over effectieve altruïsten, moest ik denken aan een essay van techjournalist en oprichter van de quantified self-beweging Gary Wolf. In The New York Times schreef hij dat wanneer we ons bestaan kwantificeren, we beschermd zullen zijn tegen de hinder van subjectiviteit en emoties. Hij benadrukte nog maar eens dat aanhangers van het dataïsme een onstilbare honger hebben naar het uitwissen van de ‘onbetrouwbare intuïtie’ van de mens en die willen vervangen door iets dat wél betrouwbaar is: cijfers. Dat is waarom effectief altruïsme niet alleen over zo efficiënt mogelijk goeddoen gaat, maar ook een opzet vormt naar een mechanisch en calculerend bestaan. Het normaliseert een manier van leven waarin nauwelijks ruimte overblijft voor dingen als intuïtie, twijfel, emotie, ondoelmatigheid en keuzevrijheid, terwijl ze pretenderen het gelijk aan hun kant te hebben, want de cijfers zijn onverbiddelijk: ze doen het meeste goed van iedereen. Vijftig jaar geleden verafschuwden we zo’n leefwijze nog en hielden die op afstand. Maar de moderne mens, met zijn obsessieve hang naar efficiëntie, doelmatigheid en het meetbare, deinst er niet langer voor terug.

wat is beter?

In Doing Good Better laat MacAskill treffend zien hoe hij zichzelf corrigeert wanneer hij zich laat leiden door zijn emotie en intuïtie. Hij beschrijft hoe hij een ziekenhuis bezocht dat verbonden was aan de Fistula Foundation, een organisatie die zich inzet voor het lichamelijk en geestelijk herstel van vrouwen en meisjes in Ethiopië die als gevolg van een gecompliceerde bevalling incontinent zijn geraakt.

De verhalen van de vrouwen raakten hem. Hij vond het hartverscheurend, wilde ze graag helpen. Maar hij wist dat hij dan niet het maximale uit zijn geld zou halen. Er waren organisaties die efficiënter waren dan de Fistula Foundation. Hij schrijft: ‘Wanneer ik zou doneren, zou ik de behoeften van sommige mensen voorrang geven boven anderen om emotionele in plaats van morele redenen. Dat zou oneerlijk zijn.’ De emotie moest eruit. Het draait niet om goeddoen, maar om het beste doen.

De calculerende houding waarmee effectieve altruïsten naar zichzelf en de wereld kijken, leidt tot de eliminatie van systeemkritiek.

Maar hoe bereken je wat het ‘beste’ is? Effectieve altruïsten maken daarvoor gebruik van QALY, een term die staat voor Quality-Adjusted Life Year. Daarmee berekenen ze bijvoorbeeld of het waardevoller is om tien mensen met aids te genezen of honderd mensen met ernstige gewrichtsontstekingen. Toets wat getallen in op een rekenmachine en voilà, het vertelt je wat beter is: voorkomen dat een vrouw slachtoffer wordt van huiselijk geweld, of het mogelijk maken dat een kind naar school kan.

Want het gaat niet alleen om levens redden, maar ook om het verbeteren van de kwaliteit ervan. Wetenschappers hebben via surveys in kaart gebracht hoe vervelend bepaalde ziektes of ongemakken zijn – van migraine tot blindheid of lage rugpijn. Zo beoordelen mensen met aids hun leven bijvoorbeeld als vijftig procent minder goed als het leven in volledige gezondheid. Na een beroerte is het leven vijfentwintig procent minder goed. En een matige depressie haalt zelfs zeventig procent van het levensgeluk af.

wie moeten we hebben?

Dan pakken we nu de rekenmachine erbij. We hebben 10.000 euro. We kunnen een veertigjarige van aids genezen of blindheid voorkomen bij een twintigjarige. De veertigjarige met aids zou zonder behandeling binnen vijf jaar sterven en met behandeling in tien jaar. De twintigjarige zou leven tot zijn zeventigste (er wordt uitgegaan van het mondiale gemiddelde), of hij nu blind wordt of niet. Wie zouden we moeten helpen? Het levensgeluk van mensen met aids die behandeld worden, stijgt van vijftig naar negentig procent. Het leven van de veertigjarige man wordt dus voor vijf jaar lang verbeterd met veertig procent: (40% x 5) + (90% x 5) = 6,5 QALY.

Mensen die blind zijn, beoordelen hun levensgeluk op veertig procent. Blindheid voorkomen levert dus een verhoging van zestig procent op. En dat vijftig jaar lang, in het geval van de twintigjarige. Dat leidt tot de volgende som: 60% x 50 = 30 QALY.

De cijfers liegen niet. Wie het meeste goed wil doen, helpt de twintigjarige.

De waarde van een menselijk leven gereduceerd tot rekensom. Het is inherent aan het utilitarisme: het maximaliseren van ons welzijn, als totale som van alle mensen op aarde maal hun levensgeluk, gaat bijna altijd gepaard met het lijden van een kleine groep mensen, of beter gezegd: nummers. Het ene leven is minder waard dan het andere.

Wanneer we deze manier van denken verleggen naar een domein als de kunstmatige intelligentie – effectief altruïsme oefent een grote aantrekkingskracht uit op programmeurs, wiskundigen en techondernemers – zal de zelfrijdende auto van de toekomst zonder aarzeling uitwijken voor de twintigjarige bij wie blindheid nog voorkomen kan worden, en de veertigjarige aidspatiënt doodrijden.

het spel meespelen

De calculerende houding waarmee effectieve altruïsten naar zichzelf en de wereld om hen heen kijken, leidt niet alleen tot een verschraling van het persoonlijke leven, maar ook tot de eliminatie van systeemkritiek, aangezien dergelijke kritiek qua efficiëntie nooit in de buurt komt van een smak geld doneren aan een kostenefficiënt goed doel. Dat werd eind vorig jaar treffend geïllustreerd door historicus Rutger Bregman, die in een artikel voor De Correspondent het gedachtegoed van de beweging samenvatte als ‘het hebben van morele ambitie’.

Hij stelde dat veel mensen hun talent verspillen omdat ze het vertikken een grotere bijdrage te leveren aan een betere wereld. Mensen die tijd en energie stoppen in bijvoorbeeld de ‘woke-beweging’, wat dat ook mag zijn, zijn weliswaar idealistisch, maar doen niet zoveel ‘goed’. Bregman schreef: ‘Als we kijken naar de concrete successen van de woke-beweging, dan blijkt de opbrengst mager. Natuurlijk, woorden doen ertoe en vormen op een bepaalde manier zelfs de werkelijkheid, maar uiteindelijk is het belangrijker wat je doet.’

Effectief altruïsme had wat dat betreft uit de koker van de positieve psychologie kunnen komen, een quasiwetenschappelijke stroming die ten diepste neoliberaal is. Het moedigt aan om ons vizier op onszelf te richten en niet op maatschappelijke structuren. De aandacht moet vooral niet uitgaan naar het systeem dat verantwoordelijk is voor zoveel armoede, lijden en ongelijke kansen, maar naar het individu en diens handelingen. Hoe kan dat individu – de intellectuele, sociaaleconomisch bevoorrechte, westerse held – het verschil maken?

Al met al legitimeert deze beweging de status quo. Ze bezegelt, in navolging van het neoliberalisme en de positieve psychologie, het einde van de revolutie, om met filosoof Byung-Chul Han te spreken. De revolutionairen – bijvoorbeeld de voorvechters van de Black Lives Matter-beweging of de initiatiefnemers van de antikapitalistische tegenbeweging quiet quitting – maken plaats voor de effectieve altruïsten die met hun spreadsheet in de hand de systeemkritiek beteugelen. De problemen die door het kapitaal zijn veroorzaakt, moeten worden opgelost op de voorwaarden van datzelfde kapitaal. We moeten het spel meespelen, zoveel mogelijk geld doneren aan het meest efficiënte goede doel en dan de zingeving – ‘kijk ons eens gezamenlijk het basisonderhoud van miljoenen mensen garanderen’ – opsnuiven. Peter Singer schrijft dat het kapitalisme nu eenmaal leidt tot de beste resultaten. Het is volgens hem niet verkeerd wanneer de rijken steeds rijker worden. Want, zo redeneert hij, dan hebben ze alleen maar meer geld om uit te delen aan de armen. Bill Gates en Warren Buffet zijn voor hem de grootste effectieve altruïsten in de geschiedenis, omdat ze meer geld dan wie dan ook hebben weggegeven.

krankzinnige kansberekeningen

Goeddoen optimaliseren is een complexe opdracht. Idealiter zouden we na verloop van tijd op een punt terechtkomen waarop we zeggen: zo is het genoeg. Maar het kan altijd nóg efficiënter. Daar lijken effectieve altruïsten nu de hinder van te ondervinden. Sinds een paar jaar zijn ze namelijk in de ban van de lange termijn, een thema dat MacAskill uitwerkt in zijn nieuwe boek What We Owe the Future.

Het gaat ervan uit dat het leven van iemand die nu op aarde is, evenveel waard is als dat van iemand die nog geboren moet worden, of dat nou over 10.000 of 100.000 jaar is. Vanuit dat gezichtspunt is het al snel niet zo efficiënt meer om met het hier en nu bezig te zijn. Het zal altijd meer opleveren om de toekomst van de mensheid op de lange termijn te verbeteren, aangezien het potentieel aantal toekomstige mensen misschien wel miljoenen of zelfs miljarden malen groter zal zijn dan het aantal dat momenteel leeft, en heeft geleefd.

Doneren aan een initiatief dat de kans op een AI-Apocalyps met 0,001 procent vermindert, doet meer ‘verwacht goed’ dan geld aan een initiatief tegen malaria geven.

Dat betekent concreet dat steeds meer effectieve altruïsten doneren aan organisaties die bijdragen aan het verminderen van de kans op ‘existentiële risico’s’ waardoor de mensheid zou uitsterven. Tienduizend euro doneren aan een initiatief dat de kans op een AI-Apocalyps met 0,001 procent zou verminderen, zou meer ‘verwacht goed’ doen dan wanneer dat bedrag wordt gedoneerd aan een initiatief tegen malaria.

Want de meest radicale aanhangers van deze filosofie gaan ervan uit dat de mensheid bijna oneindig zou kunnen doorleven. Ze speculeren over de kolonisatie van andere planeten waarop we verder zouden leven, of over de mogelijkheid van het ontwikkelen van computersimulaties waarin onze geesten zullen doorleven. Niet voor niets liet Elon Musk op Twitter al weten dat zijn gedachtegoed in grote lijnen overeenkomt met het nieuwe boek van MacAskill (al wordt daarin niets geschreven over het koloniseren van andere planeten).

Het gevaar van deze krankzinnige kansberekeningen is dat ze al het leed in de wereld relativeren. Ze maken ons onverschillig. De Holocaust, de naderende klimaatcatastrofe, toekomstige humanitaire rampen: zolang de mensheid niet volledig wordt uitgeroeid, zijn het maar kleine rimpelingen in het grotere geheel.

gestript van alle menselijkheid

De filosofie achter effectief altruïsme doet denken aan wat de Israëlische filosoof Yuval Noah Harari in zijn boeken voorspelt, namelijk dat onze menselijke capaciteiten uiteindelijk vervangen zullen worden door algoritmische rekenkracht. Op die manier wordt de mens beroofd, of bevrijd, van zijn keuzevrijheid. Niet wijzelf, maar een algoritme – of in het geval van de effectieve altruïsten een rekensom – bepaalt wat we moeten doen, welke keuzes we moeten maken.

Onze illusies over vrije wil zullen verdwijnen. Waarschijnlijk zullen we in de toekomst zelfs neerkijken op ons vroegere handelen, waarbij we onze intuïtie volgden en keuzes maakten (welke mensen we hielpen, met wie we trouwden) die niet ondersteund werden door data. Hoe kon men zo leven, zullen we ons vertwijfeld afvragen. Maar wat blijft er over wanneer ons leven louter draait om bijdragen aan de maximalisatie van de totale hoeveelheid geluk en welzijn in de wereld? De mens zelf wordt dan een instrument, een middel om waarde mee te maximaliseren.

Daarin schuilt waarschijnlijk het grootste gevaar van koelbloedige bewegingen als het effectief altruïsme en het dataïsme in het algemeen: onze intuïtie, onvoorspelbaarheid en autonomie – kortom alle eigenschappen die ons menselijk maken – worden uitgewist en vervangen door calculatie en doelmatigheid.

Wat zou dat, op de lange termijn, doen met de kwaliteit van ons leven? Hoeveel QALY zou het kosten om een arme ziel, beroofd van zijn intuïtie en spontaniteit en gereduceerd tot een stuk gereedschap, weer tot leven te wekken?

Ik zie de rekensom graag tegemoet. In de tussentijd koester ik mijn inefficiënte altruïsme.