Liever luisteren? We hebben het verhaal ook voor je ingesproken.

Nadat ik met onze baby in mijn armen in hoog tempo, en een beetje wiebelend, op en neer door de slaapkamer was gelopen – vier passen vooruit, vier passen achteruit – legde ik hem, weer slapend, voorzichtig naast mijn vrouw in bed en ging zelf aan de andere kant liggen, waar nog zo’n dertig centimeter vrij was. Net toen mijn oogleden weer zwaar werden, hoorde ik mijn andere zoon. Papaaaaaaaa. Voorzichtig sloeg ik de deken van me af. Ik hoorde de jongste zachtjes ademhalen, nog altijd vastgelijmd aan zijn moeder. Ik stapte uit bed, trok mijn badjas aan, zag op de klok dat het tien voor vijf was en liep zachtjes naar de deur. Papaaaaaaaa. Terwijl ik door de hal naar de kamer van mijn zoon liep, berekende ik hoeveel uur ik had geslapen. Van tien tot twee. En van drie tot vijf. Samen zes uur. Niet slecht. Papaaaaaaaa. Ik opende zijn deur, knipte het nachtlampje aan. Papa is hier, papa is hier.

Terwijl ik naast zijn bed zat, samen wachtend op het moment dat het aapje op zijn wekker wakker zou worden (om kwart voor zes), raakten mijn gedachten gevangen in allerlei rekensommetjes. Zou het niet efficiënt zijn wanneer ik straks nog een uurtje probeerde te slapen? Wat als ik voortaan om half negen naar bed zou gaan? Of zou ik dan lang wakker liggen? Dat zou pas tijdverspilling zijn!

Na een poos te hebben getobd, en net voordat het aapje wakker zou worden, vroeg ik mezelf ineens af wat mijn zoontjes nu eigenlijk aan het verstoren waren, mijn nachtrust of mijn productiviteit?

Die gedachte kwam waarschijnlijk bovendrijven omdat ik het essay 24/7 van de Amerikaanse hoogleraar moderne kunst en theorie Jonathan Crary aan het lezen was. Daarin laat hij zien dat onze slaap altijd zal botsen met de vereisten van de 24/7-wereld, omdat slaap gekenmerkt wordt door ‘diepe nutteloosheid’ en ‘intrinsieke passiviteit’, terwijl we in onze moderne wereld juist zoveel mogelijk levenssferen tot koopwaar willen maken, of op zijn minst zo willen bewerken dat ze onze productie of consumptie vergroten.

‘Het voortbestaan van dat enorm grote deel van het leven dat mensen slapend doorbrengen, bevrijd uit het moeras van gefabriceerde behoeften waar ze hun dagen in slijten, is een blijvende belediging in het aangezicht van het vraatzuchtige kapitalisme van onze tijd,’ schrijft Crary.

Kapitalistische kolonisatie

Onze nachtrust zou weleens het laatste bastion kunnen zijn dat zich verzet tegen de vercommercialisering en commodificatie (tot handelswaar maken) van vrijwel alle domeinen in ons leven. Het weerstaat vooralsnog, als laatste Gallische dorpje, de kapitalistische kolonisatie. Crary schrijft: ‘Het kan niet worden ingezet als onderdeel van het streven naar winst, en blijft daarmee een vreemde eend in de bijt.’

Het deed me denken aan de beruchte uitspraak van de eigenaar van Netflix, Reed Hastings, die in een interview eens zei dat niet andere platformen of de bioscoop, maar slaap hun grootste vijand was.

Maar, dacht ik terwijl ik mijn zoon met zijn knuffels zag stoeien (was dat verdomde aapje nou nog steeds niet wakker?), wat betekent het dat ik zo geobsedeerd ben met rekensommetjes maken van mijn slaapuren? Ik weet binnen tien tellen of ik voldoende heb geslapen om de werkdag productief door te komen. Dat is waar mijn gedachten bij het ontwaken direct naar uitgaan. Slaap kan misschien moeilijk gecommodificeerd worden (al denkt de miljardenindustrie die er tegenwoordig aan is vastgeplakt daar misschien anders over), maar de kapitalist die in mij – en ons – schuilt, begint slaap steeds minder te zien als een activiteit die waarde heeft in zichzelf en daarmee belangeloos is, en steeds meer als iets instrumenteels. Slaap is gekoppeld aan mijn productiviteit, aan mijn werkdag. En is daar dus onderdeel van, in plaats van dat het er los van staat, onafhankelijk van is.

Dat betekent ook dat mijn slaap tegenwoordig iets is dat ik moet meten, controleren en optimaliseren. De Duitse socioloog Hartmut Rosa schrijft daarover in zijn boek Onbeschikbaarheid dat wij – moderne mensen – het kapitalistische idee hebben geïnternaliseerd dat we ons bereik in de wereld telkens moeten uitbreiden, steeds maar weer nieuwe gebieden moeten aanboren waarover we volledig kunnen beschikken, dat wil zeggen: die gebieden toegankelijk, beheersbaar, controleerbaar en bruikbaar maken.

Bezien vanuit het kapitalistische ethos, is slaap gewoon een heel vervelende, nutteloze onderbreking van onze productiviteit.

En laat slaap nou net iets zijn dat we heel graag willen vastgrijpen, naar ons toe willen trekken, maar bij uitstek een terrein blijft dat zich niet eenvoudig laat beheersen of controleren. We moeten nu eenmaal per etmaal een uur of zeven à acht slapend doorbrengen. We kunnen het meten en proberen te optimaliseren – wat we ook volop doen met biomonitoring-apps als Sleep Cycle, cursussen en dure medicijnen en vitamines – maar echt iets productiefs kunnen we er niet van maken. En dat frustreert de moderne mens, die zo gewend is om alles om hem heen te kunnen ombuigen naar iets dat zijn efficiëntie en prestaties verbetert (hoewel hij ook verwoed zijn best doet zijn slaapscore te verhogen ten behoeve van zijn prestaties de volgende dag).

Dat is waar ik die ochtend, in de slaapkamer van mijn zoon, zoal aan dacht, en ik begon me een beetje te generen. Niet dat ik voorheen almaar stilstond bij de verkwikkende werking van het slapen zelf, maar toch: kon er niet tenminste één gebied in mijn leven beschermd blijven tegen de neiging om er iets productiefs van te maken? Moest ik nu zelfs naar mijn nachtrust kijken door de bril van calculatie en doelmatigheid?

Aan de andere kant wist ik maar al te goed dat het kapitalistische ethos, dat ons verleidt om elke minuut van ons leven efficiënt vorm te geven, diep in ons zit verankerd. Bezien vanuit die mentaliteit is slaap gewoon een heel vervelende, nutteloze onderbreking van onze productiviteit.

Zeven dagen wakker

Jonathan Crary opent zijn boek met een anekdote over een vogel, de witkruingors. Het bijzondere aan deze vogels is dat ze zeven dagen achter elkaar wakker kunnen blijven. Tijdens de trek zoeken ze overdag naar voedsel en vliegen ze ’s nachts verder naar het noorden. Ze hoeven niet te rusten. Voor het Amerikaanse ministerie van Defensie reden genoeg om er uitgebreid onderzoek naar te doen.

De wetenschappers hopen uiteindelijk de komst van de slapeloze soldaat te bespoedigen. Ze willen ontdekken hoe ook de mens een week lang – en op termijn zelfs twee weken – wakker kan blijven, zonder dat zijn mentale en fysieke prestaties eronder lijden. Het menselijk lichaam moet verworden tot een machinaal efficiëntie-apparaat, schrijft Crary. En onze nachtrust is binnen dat streven maar een sta-in-de-weg.

Crary merkt terecht op dat de geschiedenis uitwijst dat dit soort oorlogsgerelateerde innovaties onvermijdelijk in een bredere maatschappelijke context zullen worden verweven. De niet-slapende soldaat zou dan een voorganger worden van de slaapvrije werknemer of consument. We zouden de antislaapmiddelen om te beginnen zo nu en dan gebruiken, om vervolgens niet meer zonder te kunnen. ‘Vierentwintigsuursmarkten en een wereldomspannende infrastructuur voor doorlopende arbeid en consumptie bestaan al langer, maar nu is er ook een menselijk subject in de maak dat daar perfect bij past.’

Een toestand van lobotomie

Het is een ontwikkeling waar aanhangers van het transhumanisme over het algemeen reikhalzend naar uitkijken.

Op Vice.com las ik een artikel van transhumanist Zoltan Istvan, die schrijft dat slaap voor hem voelt als een ziekte. ‘Gelukkig kunnen wetenschappers die in de toekomst voor ons genezen. Voor miljoenen mensen kan dat niet snel genoeg gebeuren. Slaap is waarschijnlijk de meest verkwistende activiteit van de mens – we brengen een derde van ons leven door in een toestand van lobotomie.’

Helaas, schrijft Istvan, heeft hij slaap vandaag de dag nog nodig om normaal te kunnen functioneren. Als twintiger deed hij er al alles aan om het te ontlopen. Hij dronk veel koffie, nam caffeïnepillen, maar het lukte niet om zijn lichaam en geest scherp te houden met vier of vijf uur slaap per nacht.

‘Twee verloren uren, ik kan het aan. Maar een derde van mijn leven wegslapen – of ongeveer 26 jaar gemiddeld – is niet alleen krankzinnig, maar ook tragisch.’

Met jaloezie kijkt hij tegenwoordig naar drukke, succesvolle Silicon Valley-types die beweren maar drie tot vier uur per nacht te slapen. ‘Dat verklaart natuurlijk hun succes. Ze houden meer tijd over om te werken.’

Istvan houdt de wetenschappelijke beweging rondom slaap verminderen nauwlettend in de gaten. Hij verwacht dat er in de komende twee decennia een soort schedelimplantaat wordt ontwikkeld die onze focus- en denkvermogens dusdanig stimuleert dat we nog maar twee uur per nacht hoeven te slapen. ‘Twee verloren uren, ik kan het aan,’ schrijft hij. ‘Maar een derde van mijn leven wegslapen – of ongeveer 26 jaar gemiddeld – is niet alleen krankzinnig, maar ook tragisch.’

agendahedonisme

Efficiëntie, productiviteit en doelmatigheid hebben niet alleen onze werktijd, maar ook ons privéleven gekoloniseerd. We timmeren ons bestaan zo goed dicht dat er geen enkele ruimte meer is voor spontaniteit of verveling. Heel efficiënt, maar er is een keerzijde. Tom Grosfeld schreef voor Vrij Nederland een boek over agendahedonisme. Bestel het hier.

24/7-wereld

Dit soort toekomstfantasieën zou uiteindelijk kunnen leiden tot wat Crary omschrijft als onze 24/7-wereld: ‘Een helverlichte, schaduwloze vierentwintigsuurwereld. Een onverschillige duur, waarin slaap noodzakelijk noch onvermijdelijk is. Met betrekking tot arbeid maakt het de gedachte dat je kan werken zonder onderbreking plausibel, of zelfs volkomen normaal. Het ligt op één lijn met het zielloze, het levenloze, dat wat niet veroudert.’

Zouden we dat zomaar laten gebeuren? Wie Uncanny Valley van Anna Wiener heeft gelezen, is geneigd te denken van wel. In deze memoir beschrijft ze de wereld van Silicon Valley van binnenuit en laat zien hoe iedereen daar, van programmeurs tot grote tech-ondernemers, is geobsedeerd door efficiëntie. Voor hun slaap zijn ze vooralsnog afhankelijk van pilletjes en potjes die ze op internet kunnen bestellen, van technologische snufjes die de belofte dragen hun slaap te optimaliseren. De ex-collega’s van Wiener – ze is zelf gevlucht uit die wereld van dolgedraaid efficiëntiedenken – zagen hun lichaam als een platform. Als er een upgrade beschikbaar komt voor het besturingssysteem van hun laptop, zullen ze die zonder twijfel zo snel mogelijk downloaden. Dus waarom werkte het dan ook niet zo bij hun lichaam?

De geest van onze cultuur

Die manier van denken is niet meer voorbehouden aan enkele Silicon Valley-types. Deze programmeurs zijn de architecten van onze met technologie doordrenkte maatschappij. Wiener ontbloot hun geest, en legt daarmee ook de geest van onze cultuur vast.

Want, zoals filosoof Byung-Chul Han stelt in De vermoeide samenleving, onze ‘bedrijvige prestatiesamenleving’ is zo langzamerhand een dopingsamenleving aan het worden: ‘Nu al vinden zelfs serieuze wetenschappers dat het onverantwoordelijk is om zulke stoffen niet te gebruiken. Ze moeten algemeen toegankelijk worden. Niet alleen het lichaam, maar de mens als geheel verwordt tot niets meer dan een prestatiemachine die storingsvrij dient te functioneren en z’n prestatie dient te maximaliseren. Doping (waarmee Han doelt op die potjes en pilletjes, TG) is hoogstens een gevolg van een ontwikkeling die de mens als levend wezen – als zeer complex fenomeen – reduceert tot één vitale functie en prestatie.’

Ook Crary rekent niet op al te veel weerstand. Tegenwoordig staat immers het idee centraal dat alles wat natuurlijk is, veranderd kan worden. Zelfs de dood hoeft niet meer onvermijdelijk te zijn, volgens sommige denkers. In lijn met die gedachte wordt ons voorgehouden dat er toch helemaal niets mis is met medicijnen die het mogelijk zouden maken om honderd uur achter elkaar te werken. Wie of wat is daar nou op tegen?

Positieve psychologie

In het boek Droom meester van psycholoog Tim Post lees ik dat lucide dromen kunnen dienen als waardevol gereedschap voor het ‘mentaal sterker dromen van onszelf tijdens de slaap, met alle voortvloeiende positiviteit op ons mentale welbevinden en ons persoonlijk slagen van dien’. Sinds de jaren tachtig wordt er wetenschappelijk onderzoek verricht naar de lucide droom. Dat zijn nachtdromen waarin je je ervan bewust bent dat je droomt, zonder dat je wakker wordt. Je kunt de droom beïnvloeden, naar je hand zetten.

De lucide droom is niet per se op het schild gehesen met het doel om van onze nachtrust iets productiefs te maken. Maar binnen onze neoliberale samenleving is dat al snel de draai die we aan zo’n nieuw fenomeen geven. De lucide droom verwordt dan tot iets wat uit de koker had kunnen komen van de positieve psychologie, iets wat lijkt op manifesteren of positief visualiseren: we wenden het aan om onze doelen te behalen en onze prestaties te verbeteren.

Post schrijft dan ook dat onze hersens tijdens de lucide droom aan ‘mentale krachttraining’ doen. Daarvan zouden we overdag de vruchten plukken. ‘Lucide dromen verlenen ons toegang tot een levensechte droomwereld waar we, tijdens de slaap, doelbewuster onszelf sterker zouden kunnen dromen. Dromen bieden ons als zodanig allerlei gelegenheid voor zelfstudie en persoonlijke groei.’

‘Een componist draaide in zijn lucide droom aan een fictieve radio en zocht zo naar nieuwe melodieën, die hij zich de volgende ochtend nog kon herinneren.’

Treffend is een interview met de Volkskrant, waarin hij vertelt dat veel mensen die hij begeleidt, beginnen met avonturendromen waarin ze bijvoorbeeld seks hebben, vliegen of de loterij winnen. Leuk, dacht ik. ‘Oppervlakkig’, noemde Post het. Hij zei dat hij zijn cursisten aanraadt om in hun lucide dromen iets zinvols te doen. ‘Je kunt iets repeteren in je slaap, zoals een presentatie of een rijexamen, je kunt je creativiteit stimuleren en bijvoorbeeld gaan schilderen, je kunt zingevingsdromen hebben waarin je Boeddha ontmoet.’

In Trouw vertelde slaaponderzoeker en neurowetenschapper Martin Dresler iets soortgelijks, namelijk dat je in een lucide droom al slapend allerlei vaardigheden kunt oefenen, zoals piano spelen of skiën, en dat uit wetenschappelijk onderzoek bleek dat het daadwerkelijk tot betere prestaties leidde in het echte leven. ‘Zo was er een componist die lucide dromen gebruikte als inspiratiebron. Hij draaide in zijn droom aan een fictieve radio en zocht zo naar nieuwe melodieën, die hij zich de volgende ochtend nog kon herinneren.’

De lucide droom maakt zo, via een omweg, alsnog iets productiefs van onze nachtrust. Daar zou ik Zoltan Istvan op moeten attenderen.

De zin van het leven

Hoe zou de Duitse filosoof Josef Pieper (1904-1997) vandaag de dag naar onze nachtrust hebben gekeken? In zijn klassieker Leisure. The Basis of Culture (1947) schrijft hij dat de bestaansvoorwaarde van cultuur is gelegen in de rust, en dat de rust een van de fundamenten van de westerse cultuur is. Het is een grondhouding waarin de zin van het leven tot uitdrukking komt.

Het bijzondere aan het dunne boekje van Pieper – eigenlijk zijn het twee essays – is dat hij er in die tijd al op wees dat er nauwelijks meer een vrije ruimte van spirituele activiteit bestond – niet in het lummelen, niet in de rust en dus ook niet in de nachtrust. Met vrij bedoelde hij: niet ondergeschikt gemaakt aan de productienorm. Hij zag dat de rust, in brede zin, in dienst kwam te staan van de arbeid. Maar, schreef hij: ‘De rust is er niet omwille van de arbeid – ongeacht de hoeveelheid kracht die de werkende aan haar ontleent; de zin van de rust is niet het lichamelijke of geestelijk herstel, om kracht te geven voor nieuwe arbeid – hoe goed zij dit ook mag doen! Hoewel het juist is dat, wie ’s avonds pleegt te bidden, beter inslaapt, kan toch niemand omwille van de slaap het avondgebed willen zeggen.’

Een paar regels verder: ‘Evenzeer zal niemand die zich slechts omwille van het herstel aan de rust overgeeft, haar eigenlijke vrucht, de als in een diepe slaap verkregen verkwikking, ervaren. De rust vindt haar rechtvaardiging niet in het effect, dat de functionaris daardoor zonder storingen en uitvallen functioneert, maar in het gegeven dat de functionaris door de rust mens blijft – hetgeen inhoudt dat hij niet opgaat in het bekrompen milieu van een strikt omgrensde functie, maar dat hij in staat blijft de wereld als geheel in beeld te krijgen en daarmee zichzelf te verwerkelijken als een wezen dat op het geheel van het Zijn gericht is.’

Dat is, in het kort, de reden waarom het vermogen om te rusten volgens Pieper tot de grondvermogens van de menselijke ziel behoort.

En vooruit, nog één citaat, omdat het waarschijnlijk in onze tijd, 75 jaar nadat Pieper het schreef, nog treffender de vinger op de tijdgeest legt: ‘Zonder twijfel hebben artsen gelijk wanneer ze zeggen dat rusteloosheid ziek maakt. Maar het is zeker onmogelijk te rusten omwille van de gezondheid. Het is onuitvoerbaar. Rust is überhaupt niet realiseerbaar zodra men haar opvat als een middel.’

Rusten om het rusten

Toevallig verscheen onlangs het langverwachte vervolg op Leisure, in de gedaante van het manifest Rest is Resistance, geschreven door de Amerikaanse dichter Tricia Hersey, beter bekend als ‘The Nap Bishop’, en nog beter bekend als de beheerder van de Instagrampagina ‘The Nap Ministry’ (500.000 volgers). Al tien jaar lang roept ze mensen op om meer te slapen, zowel overdag als ’s nachts. Haar boek werd na verschijning direct een New York Times-bestseller.

Het manifest is poëtisch en meanderend van aard, met veel herhaling. Het is dunnetjes qua theorie en bevat geen doorgecomponeerde, doordachte filosofische bespiegelingen. Toch zette Hersey me, met haar kritiek op onze doelmatige, op efficiëntie gerichte manier van leven, aan het denken.

Zo vraagt ze zich af of wij eigenlijk wel weten wat échte rust is en hoe dat voelt, aangezien we vanaf onze geboorte onophoudelijk zijn blootgesteld aan een kapitalistische mentaliteit die tot diep in de vezels van de samenleving reikt.

We hebben die manier van denken zo geïnternaliseerd, lijkt ze te willen zeggen, dat we rust haast automatisch, zonder dat door te hebben, benaderen als gereedschap waarmee we onze productiviteit kunnen verbeteren. Rusten om het rusten, slapen om het slapen: we hebben het misschien wel nooit gekend.

Hersey wil onze rust en slaap niet langer bekijken door de bril van het kapitalisme, dus als iets wat instrumenteel wordt benaderd, maar het daaruit losrukken. Het moet weer dat ondoordringbare bastion van weleer worden en ons via die weg terugbrengen tot onze ware aard, tot wie we waren voordat we de kapitalistische mentaliteit verinnerlijkten (zij schrijft ‘grind culture’, een typisch Amerikaans begrip dat op hetzelfde neerkomt: het idee dat heel hard werken en lange werkdagen maken uiteindelijk leidt tot succes en er gewoon bij hoort).

‘We moeten slaap zien als iets dat waardevol is in zichzelf,’ schrijft Hersey, in navolging van Pieper. ‘Het maakt ons menselijk. Dat is de enige rechtvaardiging. We rusten niet om op te laden, niet om productief te zijn. We rusten eenvoudigweg omdat het ons goddelijke recht is om dat te doen.’

Dat moet ik morgenochtend, nadat het aapje op zijn wekker is wakker geworden, maar eens aan mijn zoontje uitleggen.