‘Mijn dochter en ik slenterden door de stad, door parken, sliepen ’s avonds bij mijn zus in Kampen, bij een vriendin in Enschede of bij mijn nicht in Tilburg,’ zegt Aicheline (54). ‘Ik kon maar geen woning vinden. Intussen probeerde ik een leven op te bouwen in Haarlem. Ik werkte daar als schoonmaakster in een ziekenhuis. Een baan met meer verantwoordelijkheid kon ik niet dragen. Ik had te veel aan mijn hoofd. Een woning is geen luxe, maar een essentiële basis. Het voelde – en het voelt nog steeds – alsof ik faalde. We waren altijd een hecht gezin. Mijn dochter is iemand die van lekker eten houdt, hapjes op tafel, televisie aan, en nu kan ik haar geen maaltje bieden, niet zeggen: kom vanavond maar lekker bij mama eten. Ze heeft geen thuis, voelt geen warmte.’

Intrekken

‘Ik ben programmacoördinator Tijdelijk Wonen binnen de Regenboog Groep, waar ook het project Onder de Pannen onder valt,’ zegt Tamara Kuschel. ‘We zitten in Amsterdam, Haarlem en Amstelland en zijn landelijk uitgerold, met lokale uitvoerders in onder meer Zwolle, Eindhoven, Breda en Utrecht. Rond 2015 merkten we binnen onze inloophuizen een nieuwe doelgroep op: de economisch daklozen. Ze vielen uit de toon omdat ze er verzorgd uitzagen, niet verslaafd waren en niet kampten met psychische problemen. Ze klapten hun laptop open en begonnen aan hun werkdag. Hun enige probleem: ze hadden geen dak boven hun hoofd. Wij proberen deze mensen tijdelijk – maximaal een jaar – bij iemand te laten intrekken. In koopwoningen, sociale huurwoningen, het maakt niet uit, als ze maar ergens tot rust kunnen komen, zich veilig kunnen voelen, zodat ze vervolgens, met behulp van een maatschappelijk werker, kunnen proberen om een eigen woning te vinden. We willen een springplank zijn.

Dat gaat zo: een potentiële huurder meldt zich aan, wij onderzoeken of hij inkomen heeft, stabiel is, geen zware psychische problemen heeft, geen schulden heeft, goed kan communiceren, in staat is om een eigen huishouding te voeren, samen kan wonen. Bij verhuurders die een kamer aanbieden, gaan we op huisbezoek. We willen weten wie we voor ons hebben, wat voor type het is en of de kamer geschikt is. Wanneer een huurder of verhuurder bij ons programma past, komen ze in het systeem en proberen we koppels te vormen.’

Aicheline woont bij Peter .‘Het grootste deel van de tijd zit ik hier, in mijn kamer, op acht vierkante meter.’
Iets terugdoen

‘Ik heb mijn hele leven in de hulpverlening gezeten,’ zegt Peter (48). ‘Vaak uit huis geplaatst, op straat gestaan, niet wetende waar ik terecht zou komen. En altijd stonden er mensen voor me klaar. Sinds kort woon ik weer op mezelf, in Haarlem, nadat ik na een relatie van negentien jaar van het ene op het andere moment geen woning meer had. Inmiddels gaat het goed met me. En ik wist: ik wil iets terugdoen. Want er zijn meer mensen die ineens op straat komen te staan.’

‘Ik vertrok op mijn negentiende van Curaçao naar Nederland,’ zegt Aicheline. ‘Twee jaar later had ik een woning. Ik werkte bij een zorgverzekeraar in de postkamer, ook mijn man had een goede baan. Ruim twintig jaar later verkochten we ons huis en keerden terug naar Curaçao met de kinderen. Mijn man en ik gingen een poos later uit elkaar. Twee jaar geleden verhuisde ik met mijn dochter terug naar Nederland. Ik wist niet dat het zo slecht ging met de huizenmarkt. Ik kon niets huren, kwam nergens tussen.

‘Als ik terugkom van mijn werk en hij is in de woonkamer bezig met zijn schilderijen, ruim ik de keuken op. Ik weet dat hij dat waardeert. Het is mijn manier van iets terugdoen.’

Een paar maanden nadat ik me had aangemeld bij Onder de Pannen, het was augustus 2022, werd ik gebeld door iemand van de stichting. Ik weet nog dat het een warme dag was. Ik was aan het ronddwalen, ging onder een boom zitten, hield de telefoon aan mijn oor en moest heel hard huilen. Er komt eindelijk hulp, dacht ik. Nu zit ik hier bij Peter. Mijn dochter kan helaas niet bij me wonen. Ik vond het eng om bij een man in te trekken. In november vorig jaar ben ik bij hem gaan wonen. Gelukkig kunnen we het goed met elkaar vinden, al doen we ook elk ons eigen ding. Als ik terugkom van mijn werk en hij is in de woonkamer bezig met zijn schilderijen, ruim ik de keuken op. Ik weet dat hij dat waardeert. Het is mijn manier van iets terugdoen.’

‘Ik ben afgekeurd, ik werk niet,’ zegt Peter. ‘Ik ben veel met Angel, mijn hond. Om tot rust te komen, ben ik begonnen met Diamond Painting. Ken je dat? Je moet heel veel kleine steentjes volgens een patroon neerleggen en dat vormt zich dan langzaam tot een schilderij. Kijk maar naar de muur daar: allemaal zelf gemaakt.’

‘Soms kijken we samen televisie,’ zegt Aicheline. ‘Als ik dan naar bed ga, zeg ik: doei, ik ga naar huis. Af en toe klopt Peter dan nog even op de deur en kletsen we wat in mijn kamer. Ik kan heel goed met hem praten. Hij begrijpt wat ik doormaak, kan goed luisteren. Het is vooral even ventileren voor me. Het grootste deel van de tijd zit ik hier, in mijn kamer, op acht vierkante meter. Kijk, daar staat een koelkast, en daar mijn laptop en ik heb een klein balkon. Ik doe hier eigenlijk alles. Met de snelkookpan, daar achter mijn bed, kook ik mijn eten. De was laat ik buiten drogen. Ik vind het prettig hier.’

Beschaafd mens

‘Ik kon mijn studio in Amsterdam niet langer betalen,’ zegt Carmen Toledo (60). ‘Tijdens de coronacrisis verloor ik mijn vaste baan in de toerismebranche. Kort daarna viel ik hard op de grond toen ik de straat wilde oversteken. Ik had een hersenkneuzing, een gebroken elleboog, moest een jaar revalideren en had als zzp’er – ik ben theatermaakster – geen recht op een uitkering. Mijn inkomsten droogden op, ik kwam op straat te staan.’

‘Ik zag in Amsterdam matrassen onder bruggen liggen, mensen in portieken slapen,’ zegt Christina Rankin (57). ‘En dat liet me niet koud. Ik kocht vijf jaar geleden een huis met drie slaapkamers. Een paar jaar later waren mijn dochters het huis uit. Ik bleef alleen over, met al die kamers. Ik verhuurde ze een tijdje via Airbnb, maar dan veranderde mijn woning in een tijdelijk vakantiehuis. Dat wilde ik niet meer. Tegelijkertijd vond ik het zonde om die kamers leeg te laten staan. Er zijn zoveel stadsgenoten die geen woning kunnen vinden. Ik begon wat te googelen en te speuren en kwam toen een bericht tegen op Facebook over een woningzoekende vrouw, Carmen Toledo. Ik bekeek haar profiel en dacht: dit zou weleens kunnen werken. Het leek me een leuk, beschaafd mens. Via Onder de Pannen ontmoette ik haar. Het klikte. We hebben dezelfde interesses, zijn allebei een beetje ingetogen, gesteld op onze privacy, maar ook hartelijk. Het verbaasde me ergens wel. Hoezo is deze vrouw dakloos, dacht ik. Tsja, vette pech. Dan zie je hoe snel het tij kan keren.’

Kopje onder

‘Meestal gaat het zo: een man van eind 40 kijkt me aan, radeloos, verdrietig, bang, en zegt dat als je hem vijf jaar geleden had verteld dat hij hier zou zitten, hopend op een kamertje bij iemand thuis, hij je niet geloofd zou hebben,’ zegt Tamara Kuschel. ‘Hij had zijn leven toch op de rit! Een goede baan, leuk gezin, auto voor de deur, twee vakanties per jaar. Hij had alles voor elkaar, en plots zit hij hier. Dat leidt tot grote schaamte. Ze zien zichzelf in de spiegel en beseffen dat ze nu iemand zijn die hulp nodig heeft. Dat verandert hun zelfbeeld. We krijgen gemiddeld veertig aanmeldingen per week. De meesten zijn net gescheiden of als zzp’er kopje onder gegaan. Onder de Pannen heeft tussen de twee- en drieduizend economisch daklozen in het vizier. Maar de groep is veel groter. Volgens een ruwe schatting ligt het aantal alleen in Amsterdam al op 17.000. We proberen hun leven zo veel mogelijk op de rails te houden, want je glijdt gemakkelijk af. Zonder hulp sta je er na drie maanden significant slechter voor, na zes maanden is de kans groot dat je een verslaving of psychische klachten hebt. Daarom regelen we, om te beginnen, een postadres voor ze, zodat ze bureaucratisch gezien mee blijven doen, blijven bestaan, stabiel blijven. En dan zetten we ze het liefst zo snel mogelijk in een kamer vanwaaruit ze verder kunnen, plannen kunnen maken.’

Carmen Toledo (l) woont bij Christina Rankin: ‘We zijn allebei een beetje ingetogen, gesteld op onze privacy, maar ook hartelijk.’
Domino-effect

‘Je kan me toch niet zomaar op straat gooien, sputterde ik nog tegen,’ zegt Bert Kok (60). ‘Maar mijn vrouw was onvermurwbaar. Nadat we waren gescheiden, behield zij het huis en belandde ik op straat. Toen ben ik maar een poos in een bed & breakfast gaan zitten. En daarna in een hotel. Gelukkig vond ik via Onder de Pannen vrij snel een kamer bij een mevrouw die Ingrid heet. Het was een van de duurdere kamers: 420 euro per maand. Maar dat was prima. Ik had een baan bij een Chinees restaurant en werkte als taxichauffeur. Ja, ik heb veel aan Ingrid gehad. Ze heeft me geholpen om mijn leven weer op de rit te krijgen. Want je belandt in een soort domino-effect: scheiden, op straat staan, kennissen en vrienden verliezen. En dan sta je alleen.’

‘Door een kamer te verhuren, verdiende ik wat extra geld. Dat kon ik goed gebruiken. Daartegenover staat dat je je privacy opgeeft.’

‘Er zit geen kwaad in bij die man,’ zegt Ingrid Bense (56). ‘Hij is te lief voor deze wereld. Dat wist ik natuurlijk niet van tevoren, dus dat was even afwachten, maar ik heb geluk gehad. We zijn bevriend geraakt en hebben nog altijd contact. Als er iets met me zou zijn en ik bel Bert, al is het midden in de nacht, dan staat-ie er. Door een kamer te verhuren, verdiende ik wat extra geld. Dat kon ik goed gebruiken. Daartegenover staat dat je je privacy opgeeft. Ik was gewend om alleen te zijn, mijn kinderen zijn het huis uit. Maar al met al voelt het prettig om iemand te helpen.’

‘Ik ben een echte Amsterdammer,’ zegt Bert Kok. ‘Maar toen ik na negen maanden een eengezinswoning in Gouda kon huren, heb ik het toch maar gedaan. Ik heb een ruime woonkamer, drie slaapkamers, een grote zolder, niks te mopperen, kortom. En in Amsterdam of Amstelveen zat het er niet in. Nu moet ik opnieuw banden opbouwen. Dat is moeilijk. Ik werk hier weer als taxichauffeur, heb redelijk goed contact met een aantal collega’s en heb leuke buren, maar die dingen verwateren toch altijd snel, is mijn ervaring.’

Wonen is een recht

‘Soms maakt dit alles me ontzettend boos,’ zegt Tamara Kuschel. ‘Deze mensen worden van het kastje naar de muur gestuurd. Ze hebben niet genoeg problemen om recht te hebben op hulp, hebben alleen een huisvestingsprobleem. “Daar gaan we niet over”, krijgen ze dan van de gemeente te horen, “dat is je eigen verantwoordelijkheid”. En dat is heel zuur. Falend overheidsbeleid richt eerst enorme schade aan – bedankt, Stef Blok – en vervolgens wordt de verantwoordelijkheid – bedankt neoliberalisme – bij de burger gelegd. Maar wonen is een recht. Je kunt niet over bestaanszekerheid praten en mensen tegelijkertijd geen plek geven waar ze kunnen wortelen. Wij plakken pleisters op beleid dat tekortschiet. Een groot deel komt neer op verwachtingsmanagement. De boodschap die we aan veel Amsterdammers geven is dat het ’m hier niet gaat worden. Dat valt dan rauw op hun dak. Soms is hun baan het enige wat ze nog hebben. Dat willen ze dan vasthouden. Maar tegenwoordig is het makkelijker om werk te vinden dan een woning, dus moedigen we ze aan om toch maar effe te kijken of ze niet iets soortgelijks kunnen vinden in Overijssel. Dat zijn geen leuke gesprekken. Maar dat is wel wat we ze te bieden hebben. Het is bar weinig, af en toe.’

Goede match

‘Christina is heel easy going,’ zegt Carmen Toledo. ‘Ik kook weleens tortilla’s voor haar – ik ben van Spaans-Uruaguyaanse komaf. Of we luisteren samen naar de radio. Verder zit ik veel op mijn kamer. Het is er licht, schoon, klein, gezellig. Meer heb ik niet nodig. Als ik maar kan schrijven. De afgelopen maanden heb ik hard gewerkt aan een theaterstuk dat ik schrijf en regisseer: Shakespeare’s sister, gebaseerd op het werk van Virginia Woolf, mijn derde voorstelling alweer. Het wordt in oktober en november gespeeld. Hoewel ik in deze kamer tot rust ben gekomen, heb ik nog geen uitzicht op een woning voor mezelf. Ik ben nog altijd op zoek naar een stabiel inkomen. Alleen: ik kan geen lichamelijk zwaar werk doen, ben al best op leeftijd en spreek nog niet zo goed Nederlands, al ben ik druk aan het oefenen. Dat maakt het lastig. In de tussentijd verdien ik een klein zakcentje door op katten te passen, Spaanse les te geven en teksten te vertalen naar het Spaans.’

Het idee dat het iedereen kan overkomen, is beangstigend. Het is makkelijker om jezelf voor te houden dat die mensen het aan zichzelf te danken hebben.’

‘Ik woon in een klein huis,’ zegt Christina Rankin. ‘Toch leven Carmen en ik redelijk los van elkaar, onze ritmes zijn verschillend. Soms eten we samen, kletsen we nog even na in de keuken. Carmen is heel netjes. Dingen glimmen meer als zij heeft schoongemaakt. We praten ook weleens over haar situatie als dakloze. Ik wil haar helpen, maar soms valt er niet meer zoveel over te zeggen. Het is ingewikkeld. Vorige week ben ik met mijn dochter gaan kijken naar haar theatervoorstelling. Ik heb veel van het maakproces meegekregen, zag hoe ze hier aan tafel met mijn naaimachine kostuums maakte en bewerkte. Ze hield me ook op de hoogte van de ontwikkeling van het script. Ik vraag me af of ik hierna – in maart zit het Onder de Pannen-jaar van Carmen erop – nog zo’n goede match zal vinden. Ik denk het niet.’

Liever niet over nadenken

‘De mensen die in de villa’s aan de Amstel wonen, melden zich niet als verhuurder bij ons,’ zegt Tamara Kuschel. ‘Het merendeel woont in een sociale huurwoning en kan de huurinkomsten – doorgaans ergens tussen de 250 en 500 euro – goed gebruiken. Maar bovenal doen ze het omdat ze beseffen dat we in een wooncrisis zitten en ze voelen dat het eigenlijk niet zou moeten kunnen dat zij in een groot huis wonen, met kamers die leegstaan, terwijl er elders mensen in hun auto slapen. In onze maatschappij geloven we heel erg in het idee van de dakloze als iemand die dat aan zichzelf te wijten heeft, in plaats van dat het aan het systeem ligt. Daarom is het moeilijk om voldoende verhuurders te vinden. We kregen bijvoorbeeld eens een huis in Uithoorn aangeboden dat leegstond. Een prachtig dijkhuis, knus buurtje, ideaal voor net gescheiden economisch daklozen met kinderen en een goed inkomen: de huurprijs zou, voor drie huurders, ongeveer tweeduizend euro per maand bedragen. Maar de omwonenden gingen allemaal de barricade op. “Ja, ja,” zeiden ze, “jij kan wel zeggen dat ze geen problemen hebben, maar wij weten uit ervaring dat er altijd meer aan de hand is wanneer iemand dakloos is.” En ik snap het ergens. Het idee dat het iedereen kan overkomen, is beangstigend. Het is makkelijker om jezelf voor te houden dat die mensen het aan zichzelf te danken hebben.’

Dweilen met de kraan open

‘Een jaar is voor de meesten niet genoeg,’ zegt Tamara Kuschel, ‘de wooncrisis is alleen maar groter geworden. Er zit nul beweging in de woningmarkt. Vanaf de buitenkant lijken we een charmant initiatief, en elke match, elke kamer, elke dakloze die een tijdelijk plekje krijgt, is er een. Maar de cijfers zijn… niet gigantisch. Het is dweilen met de kraan open. We helpen maar een fractie van de mensen die onze hulp nodig hebben, terwijl er heel veel werk in zit.’

‘Mijn jaar zit er bijna op,’ zegt Aicheline. ‘Ik ben tot rust gekomen, heb een auto gekocht, er een maatje bijgekregen, maar geen woning voor mezelf gevonden. Over een maand sta ik weer op straat, moet ik weer aankloppen bij mijn nicht in Tilburg, bij vriendinnen. De laatste weken zit ik voornamelijk op mijn kamer. Ik huil veel. Mijn hoop op iets voor mezelf en mijn dochter is vervlogen. In een jaar kan veel gebeuren. Maar een jaar gaat ook snel voorbij.’

Carmen Toledo (l) woont bij Christina Rankin: ‘We zijn allebei een beetje ingetogen, gesteld op onze privacy, maar ook hartelijk.’

Aicheline (r) woont bij Peter ‘Het grootste deel van de tijd zit ik hier, in mijn kamer, op acht vierkante meter.’