Autoriteit wordt in twijfel getrokken, gezag ondermijnd, heilige huisjes worden bespot, de vertrouwde zingeving is weggevallen. Wanneer dit rijtje aangevuld wordt met standaardcrises als de opvang van vluchtelingen, de woningbouw, de stikstof, het klimaat, de toeslagen, corona, Gaza en Oekraïne, dan hebben we alles om te spreken van ‘tricky tijden’, zoals de antropologe Jitske Kramer doet. Voor Kramer zijn het niet alleen precaire tijden; het wegvallen van de zingeving ziet ze als een teken dat we ons aan het bezinnen zijn op iets nieuws. We leven naar keuze in een ‘vloeibare tussentijd’, een drempeltijd, een ‘liminale tijd’, een overgangstijd.

Dit een overgangstijd noemen wil zeggen dat je al afscheid hebt genomen van wat achter ons ligt. Kramer laat de mens als homo economicus achter zich, ‘het beperkte en eenzijdige mensbeeld van de strikt calculerende, rationele burger’. Omdat economie volgens Kramer toch maar ‘een verhaal’ is, kunnen we beter ‘nieuwe en andere principes kiezen’. Zo eenvoudig is het. Dat betekent niet dat Kramer haar tussentijd gebruikt om substantieel andere principes tegenover de door haar verafschuwde homo economicus te bedenken. Haar voorstel is om het kapitalisme te vervangen door een economie gebaseerd op inheemse wijsheid, in dit geval afkomstig van een Canadese stam die niet kapitaal, maar ‘de onderlinge verbondenheid van alle levende wezens’ als motor van de economie heeft. Jitske Kramer ‘begrijpt heel goed’ dat dit een stap te ver is, ‘maar we kunnen op zijn minst veel leren van het diepe besef van verbonden- heid dat hiervan uitgaat en het wederkerig- heidsprincipe met de natuur weer meer in ere herstellen’.

De trickster is een onbetrouwbare, sluwe, grappige, soms gewelddadige figuur die speelt met morele grenzen. Maar als de trickster zo onbetrouwbaar is, hoe moet het dan met de mensen die zo naar ‘verbinding’ zoeken?

Geïnspireerd door Arnold van Genneps boek Les Rites de Passage (1909) bedacht Kramer de liminale tussentijd omdat alles nu op losse schroeven zou staan. Zo’n periode van bezinning kan de verbeelding de sporen geven om van allerlei nieuws en beters te bedenken. Op zich is ruimte maken voor denken, worstelen en experimenteren uitstekend, maar Kramer gaat ervan uit dat deze overgangstijd zal worden gebruikt om ‘een nieuw gedeeld narratief’ te bedenken, met veel ‘verbinding’. Dat ‘narratief’, waarin veel magie en spritualiteit zal voorkomen, moet de status quo ‘uitdagen en bevechten’.

Kramer gaat ervan uit dat in deze tricky crisistijd veel mensen de weg kwijt zijn. Ze verdwalen doordat ze hun ‘mentale kaarten niet snel genoeg updaten met de realiteit’. Zelf gaat Kramer eens per jaar naar Mariëtta in Oost-Nederland ‘om mijn energie anders te focussen’. Mariëtta is iemand die bood- schappen krijgt van engelen, om door te ‘channelen’ naar anderen. Ze spreekt ook met kabouters. Kramer waarschuwt de lezer regelmatig voor misinformatie, maar vindt de conspiritualiteitbeweging (conspiracy en spirituality) ‘fascinerend’. Maar, zegt ze: ‘Uiteraard heb ik de waarheid niet in pacht, wie weet hebben ze gelijk. Of niet.’

De liminale overgangstijd van Kramer is er vooral om onbegrensd ‘verschillende ener- gieën te voelen’. Met een zwak voor spiritu- aliteit en ‘archetypes’ als de ‘trickster’, ‘de god, held én schurk van de liminale ruimte’. De trickster is een onbetrouwbare, sluwe, grappige, soms gewelddadige figuur die speelt met morele grenzen. Maar als de trickster zo onbetrouwbaar is, hoe moet het dan met de mensen die zo naar ‘verbinding’ zoeken? Tricky tijden is een idioot boek.