De titel van het nieuwe boek van Léon Hanssen neem je niet zomaar voor kennisgeving aan: Handboek voor de vagebond. Bij het woord ‘vagebond’ denk je niet aan de eenentwintigste eeuw. Je maakt direct een sprong terug naar de negentiende. Je ziet er ook meteen iemand in sjofele kleren bij, levend van ongeregelde baantjes, met een onvaste verblijfplaats, maar wel iemand die met een zekere trots uit zijn ogen kijkt, alsof dat ‘vagebond’ staat voor een vrije flierefluiter, een status waar menigeen jaloers op kan zijn.
Met de ondertitel van het boek bevinden we ons al in minder archaïsche tijden: In de voetsporen van vrije denkers. Het is vrij snel duidelijk dat de vagebond voor Hanssen een metaforische figuur is, iemand die staat voor een bepaalde houding in het leven. Het is meer dan alleen maar een veredelde landloper.
In de bijna zeshonderd pagina’s van het boek ontstaat een hele levensinstelling, hoe ongrijpbaar, fluïde, elastisch en bewegelijk ook. Die instelling wordt geïllustreerd aan niet de minste ‘voorlopers’ als Montaigne (in de geest), Rousseau (als wandelaar), Augustinus (als vijand van de vagebond), Jeroen Bosch (als schilder van ‘De landloper’).
Er zijn ook ‘grote vagebonden’ (Strindberg, Munch, Wittgenstein, Pasolini) en ‘aartsvaders’ (Thoreau, Dostojevski, Nietzsche, Kierkegaard). Bij die figuren horen huizen en hutten waarin ze verbleven, de reizen en wandelingen die ze maakten, en de speciale plaats die ze in de samenleving innamen. Of nog innemen.
Léon Hanssen probeert in die bijna zeshonderd pagina’s wel en niet te zeggen wat een vagebond is. De vagebond is moeilijk vast te pinnen, dat is het minste wat je van hem kunt zeggen.
Van grote woorden als ‘filosofie’ wil de vagebond (vooralsnog nooit een zij) niet horen. Hij wil steeds onder een etiket uitkomen. ‘Vage’ slaat op het vage dat aan de vagebond kleeft, maar dan niet omdat hij vaag of onduidelijk zou zijn.
Statistieken en cijferkolommen zijn aan de vagebond niet besteed.
Vaag omdat hij de mogelijkheid wil behouden om nog alle kanten op te kunnen: ‘Het vage is een ruimte waarin je niet vast te pinnen bent en waarin de verbeelding haar gang kan gaan.’ De vagebond is zo’n elusieve figuur dat Hanssen vijf pagina’s met twee kolommen nodig heeft om zijn ‘naaste of verre familie’ op te sommen. Dat gaat van de anarchist tot de kuieraar, van de bietser tot de zwierbol, van uitschot tot de zwerfhond. Het heet dan ook dat zijn identiteit uit ‘alles en niets’ bestaat en ‘van overal en nergens’ vandaan komt.
geen vriend van het kapitalisme
Hoe elusief, hoe ongrijpbaar ook, zeker is dat Hanssen zijn vagebond buiten de geijkte paden wil houden en dat we hem altijd in de rafelranden, de marge en de periferie moeten zoeken.
Ook is zeker dat de vagebond geen vriend is van het kapitalisme. In het kapitalisme zit alles behalve het geld vast. Bovendien moeten we tegenwoordig spreken van ‘bewakingskapitalisme’, wat de bewegingsvrijheid van de vagebond ernstig aantast. Wat zijn bewegelijkheid betreft heeft de vagebond verwanten in de klassieken: de pelgrim, de flaneur, de nomade en de bohemien.
Waarbij moet worden aangetekend dat de nomade en de bohemien inmiddels zo zijn getemd tot figuren uit een lifestyle-catalogus dat ze op hun beurt tot de periferie van het vagebondisme zijn gaan behoren.
tegen de dominantie van het meetbare
De vagebond duikt in alle hoofdstukken op als een tijdloze figuur. Maar hij is zeker een neo-romanticus en hij doet aan ‘progressieve regressie’, wat betekent dat hij in het verleden iets vindt dat hem in het moderne heden vooruit kan helpen.
De vagebond is ook tegen ‘de dominantie van het meetbare.’ Statistieken en cijferkolommen zijn aan hem niet besteed. Als het om rechtlijnigheid of omwegen gaat heeft de vagebond een illustere vijand in de kerkvader Augustinus, de schrijver van de Belijdenissen. Deze vijandschap heeft te maken met de karakteristieke manier waarop de vagebond zich in de wereld beweegt: wandelend, dolend, dwalend, verdwalend, flanerend.
Elke cultuur moet voeling houden met het kinderlijke.
Dat is een ketterse manier van verplaatsen, aangezien er volgens de katholieke kerk niet gedoold mag worden. Er moet rechtstreeks, zonder omwegen gelopen worden naar het doel en dat is: de Heer. ‘Wie tot kromme wegen neigt zal door de Heer worden geëlimineerd’ moet de profeet Jesaja gezegd hebben. De Heer zal de kromme wegen recht maken (wat funest zou zijn voor Cees Nooteboom, voor wie verdwalen de perfecte metafoor is voor het leven).
Hanssen ruimt veel plaats in voor de vagebond als iemand die de ernst van het leven op een speelse manier opvat. Hij maakt daarbij dankbaar gebruik van Johan Huizinga’s Homo ludens, die immers alle cultuur ziet als een vorm van spel. Elke cultuur moet voeling houden met het kinderlijke. Het woord valt niet vaak bij Hanssen, maar ‘authenticiteit’ in de zin van onbedorvenheid, speelt in alles waar de vagebond voor staat een rol.
Zoals in wat Hanssen als de ‘oerscène’ van onbekommerd geluk beschouwt: Jean-Jacques Rousseau die uren op zijn rug in een bootje op het meer bij het St. Peterseiland ligt te dromen, zoals hij beschrijft in de vijfde van de Overpeinzingen van een eenzame wandelaar: ‘Daar liet ik, languit in de boot liggend en mijn ogen naar de hemel gericht, mij langzaam met het water meedrijven, soms een paar uur achter elkaar, verzonken in talloze verwarde maar heerlijke dromen.’
op de dool
Het Handboek van de vagebond bestaat uit capita selecta uit het veelzijdige leven van de vagebond. Denkers, schrijvers dichters, zoals Wittgenstein of Nietzsche krijgen van Hanssen een ongeregeld, vagebontisch leven, in een afgelegen hut aan een fjord in Noorwegen, of in een kleine kamer in de bergen bij Sils-Maria, zoals Nietzsche, of in de vermaarde Waldense hut van Thoreau, waar zijn moeder elke week zijn schone was kwam brengen. Ze zoeken allemaal de afzondering.
Wij zijn allemaal deel van deze ‘tragische ervaring’ van de moderne mens.
Dat de katholieke kerk niet wilde dat er door de gelovigen gedoold (gevagebondeerd) zou worden is maar al te begrijpelijk. Toen Nietzsche in De vrolijke wetenschap de dood van God liet verkondigen door een krankzinnige man, verloren velen hun houvast, er was zelfs sprake van ‘nihilisme’.
Ook Dostojevski liet weten dat met de dood van God alles mogelijk werd. De gelovige ging ‘op de dool’ en belandde in een niemandsland waarin hij zijn eigen waarden moest gaan vormen. Hij kwam in een permanente overgangsfase terecht, zwalkend en vagebonderend tussen zekerheid en onzekerheid, zich bevindend op de brug die moet leiden naar een nieuwe mens met een nieuwe moraal, maar nu door hemzelf vormgegeven.
Met deze ‘bewustzijnsproblematiek’ worstelt men nog steeds. Wij zijn allemaal deel van deze ‘tragische ervaring’ van de moderne mens die geen houvast meer heeft aan God, maar het uiteenvallen in fragmenten en talloze opties hoeft niet destructief te zijn, dat dolen kan zelfs creatief zijn. De rol die Hanssen de vagebond hierbij geeft is die van beschermer van de argeloosheid, de speelsheid en de vrijheid. Hij bekijkt de wereld van een afstandje.
milde polemiek
Het Handboek van de vagebond is in de geest van de hoofdpersoon gecomponeerd als een rapsodie, een verzameling langere en kortere stukken bij elkaar gehouden door de vele gedaanten die de vagebond aan kan nemen. Maar Hanssen drijft soms ook van hem weg om te verzinken in de vagebontische kanten van het leven van Kierkegaard, Wittgenstein, Pasolini of Virginia Woolf.
Hanssen zegt dat we moed moeten verzamelen om de vertrouwde paden te verlaten.
Het is ook een rapsodie omdat Hanssen zich van tijd tot tijd laat meeslepen door de genoegens van het vagebontische leven in de periferie, waar hij vrij is van alles – zoals Rousseau in zijn boot. Dan kan hij overmoedige zinnen schrijven als: ‘Elk nieuw moment biedt de mogelijkheid jezelf opnieuw uit te vinden en onbegane paden te betreden.’ Elk moment?
Hanssen, eerder de geslaagde biograaf van Menno ter Braak en Mondriaan, heeft een hang om te vluchten naar onbestemdheid, in de geest, in landschappen en in ‘vage terreinen’ waar zich niets afspeelt. De uitspraak van Marx dat het na het interpreteren van de werkelijkheid tijd wordt dat hij veranderd wordt, wil Hanssen variëren in: niet de wereld veranderen, maar laten. Laat de wereld maar een tijdje op zichzelf. Dit komt op allerlei plaatsen in het boek terug, dan heet het ‘loslaten’, ‘vieren’, wegdraaien, omspelen of vrijheid verwerven. Het moet niemand onbekend voorkomen.
Het valt wel op dat de Hanssen als vagebond tegen het einde van dit erudiete en charmante boek in milde polemiek gaat met de filosoof die hem in het boek lang heeft begeleid: Nietzsche. Hij breekt een lans voor wat Nietzsche juist als een mentaliteit voor zieken en futlozen beschouwde: voor mildheid.
Hij vraagt de mensheid om mildheid in de omgang met de wereld, ‘om haar niet langer eindeloos te veranderen en te benutten, maar haar eindelijk eens te laten of zelfs stilletjes te verlaten.’ Hanssen zegt dat we moed moeten verzamelen om de vertrouwde paden te verlaten die ons in de fouten van het verleden laten volharden. Het ziet er naar uit dat de coronacrisis dat voor ons gaat doen. Alle ruimte om te vagebonderen.
Handboek voor de vagebond. In de voetsporen van vrije denkers door Léon Hanssen is uitgegeven door Querido.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.