Dat de jaren zestig van de vorige eeuw in vele opzichten voor een duurzame bevrijding van van alles heeft gezorgd, zou ik niet graag ontkennen. Er zijn sindsdien vaak genoeg pogingen gedaan om de situatie van vóór die jaren weer te herstellen, te ‘restaureren.’

De jaren zestig zorgden voor een minder hiërarchische samenleving, jongeren en volwassenen die mondiger werden, autoriteiten die minder autoritair gingen optreden, seksualiteit en erotiek die in de openbaarheid kwamen, de verbeelding die aan de macht wilde, het wegvallen van de kerk als instituut en als instantie die de moraal bepaalde, kritiek op het consumentisme, de dekolonisatie, kritiek op het kapitalisme, het ruimer toelaten van gevoelens en emoties, de tweede feministische golf, baas in eigen buik en het ontstaan van alternatieve wereldbeelden.

Dit zijn verworvenheden die we niet graag loslaten. Wat er ook over de huidige toestand in Europa en de wereld te zeggen valt, deze voorbeelden van bevrijding zijn het beschermen en verdedigen waard, zeker nu een rechtse vorm van alternatiefheid zich steeds nadrukkelijker manifesteert – met de bedoeling er het nodige van terug te draaien.

Weinig opwindend

Toch heeft deze bevrijding ook voor iets onvoorziens gezorgd: nu er al zoveel is bevrijd, wat blijft er dan nog over om door nieuwe generaties te worden bevrijd? Er is en blijft genoeg om verontwaardigd over te zijn, elke pagina van de krant beschrijft wel een hedendaagse wantoestand, maar er zijn geen levensbepalende taboes meer die nog geslecht moeten worden, barricades die de doorgang belemmeren, utopieën die gekoesterd willen worden, vlammende polemieken die wekenlang gevoerd worden.

‘“Echte literatuur” wordt geschreven door gekken, kluizenaars, ketters, dromers, rebellen en sceptici.’

Dit bedoelt de Nederlands-Kroatische essayist en romanschrijver Dubravka Ugresic wanneer ze in haar nieuwe boek Het tijdperk van de huid schrijft dat we momenteel leven ‘in een keurig, maar weinig opwindend cultureel milieu waaruit alle gevaarlijke en verontrustende elementen van het artistieke leven zijn verdwenen: zelfstandig denken, verbeelding, integriteit, polemiek, opruiende (ja, écht opruiende) kunstenaarsacties, authenticiteit, soliditeit, opstandigheid en de bereidheid om persoonlijk risico’s te nemen. Zoals Jevgeni Zamjatin ooit in een brief aan Stalin schreef, wordt “echte literatuur” geschreven door gekken, kluizenaars, ketters, dromers, rebellen en sceptici. Ja, door hen en door niemand anders.’

Gebeurt dat nog?

Wanneer Ugresic in de overdrive raakt worden haar observaties navenant genadelozer. Dan is onze cultuur er een van ‘consensus.’ Dan is de literatuur tegenwoordig in handen van ‘ijverige en dociele ambtenaren.’ Dan is onze literatuur in handen van schrijvers die niet veel anders doen dan vrijmoedig surfen op internet en romans schrijven in de Twitter-modus. Bovendien heeft ‘de almachtige markt’ elk artistiek verzet gebroken. De tijd dat de literatuur ‘een klap in het gezicht van de publieke smaak’ was is voorbij. Alle verschillen zijn verloren gegaan, ‘alle ideeën over artistiek verzet en de dynamiek van de kunst’ zijn uitgewist.’

Niet te stillen honger

In plaats daarvan is volgens Ugresic ‘het tijdperk van de huid’ ingetreden, met de tatoeage als symbool. Iedereen geeft zich op Twitter, Instagram, Facebook en WhatsApp bloot en loopt er in de vorm van tatoeages mee te koop: ‘Bijna iedereen zit zijn alledaagse troep te twitteren, te sms’en, te liken en te facebooken, en beleeft de sociale netwerken als zijn natuurlijke habitat.’

De cultuur van de literatuur is vervangen door een niet te stillen honger naar trivialiteiten. De populaire cultuur trekt alles naar haar karaoke-niveau: ‘alle grenzen zijn vervaagd en niemand weet meer wat kunst is en wat echt, wat een imitatie van het leven is of het leven zelf, of misschien een imitatie van een imitatie.’

‘De wereld van deze tijd, een kadaver waarop we samengepakt zitten, verkeert in een niet al te beste staat.’

Ugresic gebruikt de huid als symbool voor cultureel verval wanneer ze het heeft over de balseming van het lijk van Lenin in Moskou. Tientallen mensen zijn al jaren dagelijks bezig ervoor te zorgen dat het lijk niet in verval raakt. Op een gegeven moment begint Ugresic in het verval van Lenins lijk de wereld te zien: ‘De wereld van deze tijd, een kadaver waarop we samengepakt zitten, verkeert in een niet al te beste staat. De huid wordt steeds donkerder, er verschijnen paarse plekken, de schedel waaruit de hersenen zijn verwijderd, is gebarsten en de hoofdhuid opengescheurd; overal verschijnen onheilspellende , donkere pigmentvlekken en de nagels zijn blauw verkleurd…’

Niets meer om voor te kuren

Ugresic is een antropoloog die alles wat mensen doen beschouwt als manieren om zich als mens in stand te houden. In een kuuroord bekijkt ze als een röntgenoloog de gasten en probeert te zien wat er onder het oppervlak van hun gedrag schuilgaat aan bedoelingen, verlangens en ambities. En wat het kuuroord zelf wil uitstralen voor de nu postcommunistische bezoekers. Die hebben niets meer om voor te kuren: ze zijn opgeschaald en bevinden zich nu in een ‘wellnesscentrum’ waar de baden zijn aangevuld met een tandarts, een plastisch chirurg, een personal coach, iemand voor je nagels en iemand voor je voeten.

Ugresic benijdt de Tsjechische schrijver Hrabal het talent waarmee hij ‘afval in iets kostbaars kan veranderen.’

Door deze observaties krijgt ze geen hoge pet op van de mens. Op de achtergrond (en zeker ook op de voorgrond) van alles wat Ugresic schrijft bevindt zich het feit dat ze ooit uit Kroatië en de hoofdstad Zagreb is vertrokken/gevlucht om een wereldburger met standplaats Amsterdam te worden. Het uiteenvallen van Joegoslavië in Kroaten, Serviërs, Kosovaren en Bosniërs, met alle daarbij horende etnische en nationalistische oorlog en ellende, is een blijvende ergernis voor haar.

Ze zegt niet zo groots te kunnen denken als de Tsjechische schrijver Bohumil Hrabal, die een oprechte liefde voor alle mensen koestert, ‘mannen en vrouwen, winnaars en verliezers, slimmeriken en domoren, geluks- en pechvogels.’ Ze benijdt hem het talent waarmee hij ‘afval in iets kostbaars kan veranderen.’ Zelf heeft ze met de domheid aanzienlijk minder consideratie dan Hrabal. ‘In plaats van mezelf in het warme water van empathie onder te dompelen, zal ik eerder van een heilige woede vervuld zijn, alsof in mijn functieomschrijving ook “engel der wrake” vermeld staat.’

De godfather van de karaokecultuur

In het kader van de culturele analyses in Het tijdperk van de huid komt Andy Warhol ook weer even langs. Dat was ook al het geval in het briljante essay ‘De karaokecultuur’ in Europa in sepia (2015). Daarin kreeg hij de rol van de godfather van die ‘karaokecultuur’, een cultuur die, zag Ugresic met een scherp oog, steeds meer bestaat uit navolging, ontlening, imitatie, nadoen, parasitisme, herhaling, andermans rol spelen, amateurisme. Warhol legde daarvoor de basis door eenvoudig foto’s van anderen uit te vergroten en te bewerken met kleurvlakken. Dat werd karakteristiek voor het postmodernisme in de kunst.

Hoe meer we bewaren, hoe meer we vergeten: ‘We produceren voortdurend vuilnis dat we daarna verzamelen.’

Volgens Ugresic hebben mensen voortdurend het gevoel dat hen iets ontglipt. Het leven gaat te snel. Daarom leggen ze alles wat ze doen vast en bewaren het. Dat maakt de technologie steeds meer mogelijk. Hoe meer we bewaren, hoe meer we vergeten: ‘We produceren voortdurend vuilnis dat we daarna verzamelen,’ schrijft Ugresic in het laatste essay. Daarin zeilt ze gevaarlijk langs de afgronden van het miserabilisme.

Het wordt wel heel beroerd: ‘We worden bedolven onder afval, brokstukken, fragmenten, vuilnis, puinhopen en de overblijfselen van iets wat korte tijd geleden nog zinvol en functioneel was. Tegenwoordig is ons metaforische huis, net als het landschap eromheen, niet meer dan een vuilnisbelt. Langzaam maar zeker zullen we ons bij de meeuwen en kraaien aansluiten en vraatzuchtig rondscharrelen tussen iemands ingewanden, plastic zakken, vodden en bedorven etenswaren…’ Ugresic laat zich soms al te zeer verleiden tot deze apocalyptische taal van de engel der wrake.

Het tijdperk van de huid door Dubravka Ugresic is uit het Kroatisch vertaald door Roel Schuyt en uitgegeven door Nijgh & Van Ditmar.