Na weken van dichte deuren, journalisten achter afscheidingskoorden en cameraflitsen richting sluitende liftdeuren is het zo ver: het kabinet-Schoof is rond. En daarmee is duidelijk geworden dat dit kabinet zich niet zomaar laat vergelijken met de kabinetten-Rutte, of zelfs met de gedoogconstructie van Rutte I met de PVV. De beleidsmatige Barbapapa’s van PVV, VVD, BBB en NSC hebben zich namelijk in zoveel bochten weten te wringen dat elk stukje informatie meer vragen oplevert dan het beantwoordt. Om te voorkomen dat bewindspersonen straks als een nat zeepje door de handen van de controlerende macht glippen, zet Vrij Nederland de Haagse (on)logica op een rij om het kabinet-Schoof te begrijpen.

Informateur Kim Putters moest definiëren wat voor soort kabinet het zou gaan worden. Na een ronde langs historici, politicologen en bestuurskundigen kwam hij op de zelfbedachte term ‘programkabinet’: een regeerakkoord op hoofdlijnen dat het kabinet zal uitwerken in een regeerprogram, waarbij de helft van de ministers ‘van buiten’ komt. Politicoloog Simon Otjes constateerde dat er vooral sprake was van wat de Britse historicus Eric Hobsbawm an invention of tradition noemt. Opportunistisch rondshoppen in historische voorbeelden om de kunstgreep van het nieuwe kabinet legitimiteit te geven. ‘Maar in historisch opzicht is het programkabinet op zijn best een mengvorm tussen kabinetstypes uit verschillende periodes’, aldus Otjes.

Een ‘programkabinet’ met allerlei hoogdravende historische referenties is net zo goed te typeren als een ‘vaag regeerakkoord’

De definitie van Putters moest opheldering geven, maar hield vooral  verwarring in stand, die ook doorklonk in de Tweede Kamer tijdens het formatiedebat. Want wat is dit nou voor een kabinet? ‘Het kan van alles in zich hebben’, constateerde VVD-leider Dilan Yesilgöz. De Tweede Kamer wilde graag weten of alle vier de formatiepartijen ministers zouden leveren. Als dat het geval is, ‘dan is er eigenlijk gewoon een meerderheidscoalitie. Als u alle vier ministers levert, dan heeft u een meerderheidscoalitie’, vulde D66-fractieleider Rob Jetten aan. En zelfs als niet iedereen ministers zou leveren, ‘dan is dat nog steeds gewoon gedogen’, merkte SP-Kamerlid Jasper van Dijk op. ‘Dat kan’, zo luidde het weinig verhelderende antwoord van Yesilgöz.

Het mag dus van alles heten, maar vooral geen regeerakkoord en ook geen meerderheidscoalitie. Toch ziet het document – dat de naam ‘Hoofdlijnenakkoord’ heeft gekregen – eruit als een regeerakkoord. Het heeft een financiële verantwoording. En een titel, ‘Hoop, Lef & Trots’. Er is sprake geweest van een inhoudelijke uitruil van standpunten, waardoor de Tweede Kamerfracties van de betrokken partijen met de inhoud moesten instemmen. Als klap op de vuurpijl werd vorige week bekend dat de ministers afkomstig waren uit de verschillende partijen – net als bij een gewoon kabinet – terwijl die juist voor de helft ‘van buiten’ zouden komen. RTL verslaggever Fons Lambie wees er fijntjes op dat er in het laatste kabinet-Rutte net zoveel ministers ‘van buiten’ kwamen.

Politieke pruik en plaksnor

De vraag is hoelang dit kabinet zich geloofwaardig kan voordoen als een bepaalde regeringsvorm door wat extra zelfverzonnen etiketten op zichzelf te plakken. Een gevechtsvliegtuig zoals de Joint Strike Fighter verandert niet ineens van vorm omdat Haagse politici op een goede dag besloten deze F-35 te gaan noemen. Net zoals een bezuiniging een ombuiging noemen nog nooit meer geld voor de schatkist heeft opgeleverd. De voor de gemiddelde burger lastig te doorgronden termen ‘extraparlementair’ en ‘programkabinet’ fungeren vooral als politieke pruik en plaksnor, omdat de echte gezichtskenmerken – zoals de financiële afspraken, de goedkeuring van de Tweede Kamerfracties voor het akkoord en de door partijen zelf aangeleverde bewindspersonen – een vrij regulier kabinet mét de PVV verraden, waarbij het enige verschil een gebrek aan inhoudelijke concretisering van beleid is. Een ‘programkabinet’ met allerlei hoogdravende historische referenties is net zo goed te typeren als een ‘vaag regeerakkoord’.

Dermate vaag dat zelfs het Centraal Planbureau (CPB) in zijn doorberekening van de plannen waarschuwde dat het wel ‘aannames’ moest maken om überhaupt een basis te hebben om mee te rekenen: ‘vaak is niet in detail bekend hoe het extra geld zal worden besteed. Bij een aantal lastenmaatregelen zijn achterliggende berekeningen nog niet beschikbaar’, zo temperden de rekenmeesters de verwachtingen. Deze vaagheid maakt het lastig voor oppositiepartijen om dit kabinet straks rekenschap te laten afleggen. Het hoger of lager uitvallen van een bepaalde kostenpost kan bijvoorbeeld worden afgeschoven op het bordje van het CPB en diens ‘aannames’, in plaats van op de bewindspersoon met een ondoordachte beleidsmaatregel. Controle van het kabinet zal daarom grotendeels bestaan uit het afdwingen van concretisering – de Tweede Kamer zal meer dan ooit met de stofkam door de financiële haalbaarheid moeten.\

Politieke vaagtaal

De voordelen van politieke vaagtaal in het akkoord liggen grotendeels bij de regeringspartijen: het geeft ruimte om semantisch te slalommen langs politieke verantwoordelijkheid en tegelijkertijd voor een eigen invulling. Ondanks de op het eerste gezicht mooie combinatie van weinig politiek rekenschap en veel bewegingsvrijheid bleek het lastig om doorgewinterde bestuurders te vinden voor dit kabinet. Die voelen immers op hun sloffen aan dat het in de kern gaat om een gewoon kabinet m̩t de PVV. Een samenwerking die gevoelig ligt binnen VVD en NSC, ook omdat dit een kabinet is waarbij alleen de VVD ervaring heeft met regeren. Een groep onervaren bestuurders met veel politieke bewegingsvrijheid is volatiel. Grote onzekerheid, en als het misgaat, kan het ook goed misgaan Рniet bepaald een arbeidsvoorwaarde waar een ervaren politicus voor warmloopt.

Nieuwe partijen als BBB en NSC kunnen het gebrek aan ervaring deels oplossen door ‘experts’ aan te trekken. Zo werd Sandra Palmen (scribent van het Palmen-memo uit het Toeslagenschandaal waarin ze waarschuwde voor de perverse effecten van het beleid bij de Belastingdienst) als voormalig kritisch ambtenaar op de kieslijst gezet. Iemand die de ambtelijke taal doorgrondt, het wereldje kent en dat kritisch kan benaderen. BBB schoof tijdens de verkiezingscampagne voormalig militair en PhD-kandidaat aan de Defensieacademie Gijs Tuinman naar voren als haar defensie-kandidaat: iemand die begrijpt hoe de (zand)hazen lopen, en in het nieuwe kabinet mag aanschuiven als staatssecretaris van Defensie. 

Opvallend is dat de Tweede Kamer deels meegaat in het frame dat het kabinet-Schoof een geval apart is

Of dergelijke vakexperts ook per se betere Kamerleden of ministers zijn, is nog maar de vraag. Berucht voorbeeld is PvdA’er Ronald Plasterk als minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in het kabinet-Rutte II. Een wetenschapper op Onderwijs en Wetenschap, dat kon haast niet misgaan. Het ging ook heel goed, althans, op het gebied van (zijn soort) wetenschap. In de andere takken van onderwijs (primair, voortgezet, mbo en hbo) ging het een stuk minder. Plasterk bleek zich moeilijk te kunnen inleven. Daarnaast is politiek op zichzelf ook een vak: als minister moet je als spin-in-het-web niet alleen relaties met spelers in het veld en de ambtenaren goed houden, maar ook in staat zijn om eigen blinde vlekken te laten aanvullen. Of daar op zijn minst voor open staan. 

Opvallend is dat de Tweede Kamer deels meegaat in het frame dat het kabinet-Schoof een geval apart is. Op voorspraak van D66-Kamerlid Jan Paternotte vinden deze week ‘hoorzittingen’ plaats met de kandidaat-bewindslieden in de Tweede Kamer. Een sollicitatiegesprek zonder directe gevolgen. SP, CDA en SGP lieten RTL Nieuws weten hier niet aan mee te doen: ‘Er is al genoeg spektakelpolitiek in Den Haag’, stelde CDA-fractievoorzitter Henri Bontebal.

De valse prestige van postenverdeling

Het kabinet-Schoof kenmerkt zich deels als een meerderheidskabinet-dat-niet-zo-genoemd-mag-worden, maar een wezenlijk verschil met traditionele meerderheidskabinetten is dat de kiezers van populistische of rechts-radicale partijen veel minder waarde hechten aan ministersposten die van oudsher als prestigieus worden gezien. Traditioneel zijn dat de posten van premier, maar ook van de penningmeester, de minister van Financiën. Feitelijk bepalen verkiezingen wie er over de centen gaan. Welke beleidsterreinen meer of minder investeringen verdienen, en hoe de begroting dus wordt ingedeeld, hangt sterk af van de onderliggende ideologie. Een progressieve partij zal eerder klimaatinvesteringen bepleiten en een conservatieve partij een kerncentrale. Een stevige positie in het kabinet is als je de aangever bent (premier) en penningmeester tegelijkertijd (Financiën). De vraag is natuurlijk of kiezers die prestige ook in deze ministersposten zien.

De VVD lijkt volgens deze establishment-logica de winnaar: de liberalen gaan over de ministeries van Financiën, Justitie en Defensie. Sociaal-economisch gezien, zo merkte ook Simon Otjes op, ligt de regie vooral in handen van de VVD en NSC: ‘De PVV heeft dramatisch slecht onderhandeld’, was zijn constatering. Dat is nog maar de vraag: zowel BBB als PVV heeft immers de voor hun achterban belangrijke posten gekregen. PVV mag Migratie, Ontwikkelingssamenwerking en Volksgezondheid onder haar hoede nemen: voor haar achterban belangrijke beleidsterreinen. Hetzelfde geldt voor de BBB: met Landbouw en Wonen hebben ze vrijwel het hele stikstofdossier op het bureau liggen. Een haast revanchistische uitruil.

VRIJ NEDERLAND VERNIEUWT

Er gaat veel veranderen bij Vrij Nederland. Zo gaan we de redactie uitbreiden, de website en het blad opnieuw vormgeven en ons meer richten op onze oorspronkelijke missie. Benieuwd? Lees hier meer!

De glans kan nog eens extra worden versterkt door portefeuille-haviken aan te leveren. Dit is met name bij de PVV een reëel scenario: Marjolein Faber wordt minister van Asiel en Migratie. In 2022 gebruikte ze tijdens een debat het woord ‘omvolking’, een beladen term omdat deze vanaf de jaren 30 werd gebruikt door de nazi’s. Tegenwoordig wordt deze term vooral gebruikt in radicaal- en extreemrechtse kringen als beschuldiging richting een elite die de witte Europese bevolking zou proberen te vervangen door migranten. Ook suggereerde Faber dat de regering-Rutte onderdeel was van ‘de vijfde colonne’, een term die verwijst naar groepen die tegen het landsbelang in werken. Hierna mocht ze niet meer het woord voeren tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen. Haar kandidatuur zorgde – na premierskandidaat Ronald Plasterk en aspirant-minister van Asiel en Migratie Gidi Markuszower – voor het zoveelste crisisoverleg van het aankomende kabinet.


Deep State Dick

De PVV vormt een interessante combinatie met een premierschap van Dick Schoof. Vanuit radicaalrechtse hoek wordt de regeringsleider beschouwd als onderdeel van de eerder genoemde vijfde kolonne, gekscherend is hij al omgedoopt tot ‘Deep State Dick’. Zijn verleden bij de inlichtingendiensten maakt Schoof ook niet geliefd bij islamitische koepelorganisaties. Deze vroegen zich in De Volkskrant af in hoeverre Dick Schoof-de-inlichtingenman een voorbode is van Dick Schoof-de- premier. Uit onderzoek van NRC bleek immers dat NCTV-baas Schoof een belangrijke rol speelde in het uitvoeren van heimelijk onderzoek binnen de moslimgemeenschap door gemeenten, bedrijven en de NCTV zelf. Iets waar deze partijen helemaal geen bevoegdheid toe hebben, en die alleen geheimagenten – wanneer er sterke verdenkingen bestaan – mogen uitvoeren. NCTV-medewerkers waarschuwden Schoof hier in 2017 al voor, maar deze kritiek verzweeg hij voor de toenmalige burgemeester van Almere, Franc Weerwind (D66), toen die zijn twijfels uitte. Zal deze premier – als voorzitter van de ministerraad – optreden als facilitator van politieke wensen, zoals hij in het verleden meermaals deed als NCTV-ambtenaar? Of zal hij waken voor rechtsstatelijk onuitvoerbare plannen? 

Zolang er nog zoveel chaos heerst rond het kabinet zijn de rollen tussen coalitie en oppositie omgedraaid: waar oppositiepolitiek vaak wordt geassocieerd met het kiezen van de aanval – de eerder genoemde ‘spektakelpolitiek’ – lijkt het voeren van oppositie nu vooral te gaan zitten in het hoofd koel houden. De Tweede Kamer als blindengeleidehond in plaats van waakhond.