Het ligt voor een etholoog, een bioloog die het gedrag van dieren bestudeert, niet voor de hand om het gedrag van zijn eigen soort, de bioloog te bestuderen. Een etholoog zoekt naar eigenschappen die voor bepaalde apen, vogels of vissen karakteristiek zijn en hoopt daarin patronen te vinden. Maar van afwijkingen en uitzonderingen houdt hij ook.
Wie het gedrag van biologen bestudeert (Midas Dekkers, Jelle Reumer, Dick Hillenius, Maarten ‘t Hart, Frans de Waal, Jan Tinbergen, Redmund O’Hanlon, Richard Dawkins) zal er niet gauw een vinden die zijn eigen leven zo belangrijk vindt dat hij al tijdens zijn leven zijn persoonlijke correspondentie publiceert. Zo personalistisch zijn ze meestal niet.
Van specialist naar omnivoor
Dat wordt anders wanneer de bioloog zich ontwikkelt tot een schrijver of essayist. Dan gaan de deuren naar de rest van het leven vanzelf open. Van specialist naar omnivoor. En dan nog is het verrassend dat de bioloog Tijs Goldschmidt, die al vanaf zijn eerste boek Darwins hofvijver (1994) literatuur bedrijft, een kloek boek met brieven aan vrienden, familie en collega’s publiceert onder de titel Onvoldoende liefdesbrieven.
Volgens Goldschmidt is het schrijven van brieven vaak een vorm van verbaal vlooien. Maar zo intiem wordt het hier vanaf 1989 niet in brieven aan onder meer Menno Wigman, Matthijs van Boxsel, Nico Frijda, Jet Bakels, Joyce Roodnat, Roy Villevoye, Joop Goudsblom, Anna Tilroe en Joost Zwagerman. Goldschmidt is slechts onbekommerd persoonlijk. De brieven zijn vooral de moeite waard omdat ze een grote hoeveelheid mooie kennis bevatten die op een vloeiende manier wordt opgediend. Goldschmidt weet wel alles van de stekelbaars, maar hij is een generalist die in alles is geïnteresseerd als een specialist. Hij houdt zich ook goed op de hoogte van de literatuur, moderne kunst en de poëzie. Hij is een toegewijd danser, van tango tot salsa.
Zijn vader, die geen kinderen had willen hebben, noemt Goldschmidt met lichte wrok ‘een toegewijd narcist.’
Goldschmidt is een zorgzame en in de ander geïnteresseerde briefschrijver. Niet opdringerig en al helemaal geen narcist want achter dat woord zit een klein trauma: zijn vader noemt hij met lichte wrok ‘een toegewijd narcist.’ Dit duidt op een van de gevoelige achtergronden van deze brieven. Zijn vader had helemaal geen kinderen willen hebben: ‘Hij vertelde me als kind al dat hij me niet had gewild, al formuleerde hij dat aardig: “omdat hij te veel van me hield om me het leven aan te doen.”’
Zijn vader had sinds de oorlog weinig vertrouwen in het leven en heeft dat aan zijn kinderen overgedragen, ‘in elk geval op mij.’ Opmerkelijk dan ook dat hij het in een brief uit 2013 heeft over de suïcidale gedachten die bij hem opkomen, speciaal wanneer hij langere tijd zit, niet als hij beweegt, ‘alsof er iets in mijn hoofd niet goed is afgesteld.’
Een broedende maar solide werker
Van dat gebrek aan vertrouwen in het leven is niet veel te merken in de brieven. Goldschmidt is een broedende maar solide werker die het ene essay met verrassende observaties na het andere publiceert in boeken als Oversprongen, Kloten van de engel en Vis in bad.
Hij is een oprechte rationalist in de geest van Rudy Kousbroek, dat wil zeggen: niet zonder emoties. In de brieven doen zich op de voor- en achtergrond alle gevoelige kwesties voor die spelen in de biologie, de neurowetenschap, evolutie-biologie: kunnen dieren denken? Hoeveel verschil is er tussen de mens en het dier? Is er sprake van homoseksualiteit bij dieren? (Frits Staal denkt van niet). Liggen wij mensen aan de leiband van de genen (zoals Edward O. Wilson denkt) of is er nog ruimte voor cultuur en opvoeding (Goldschmidt denkt van wel)? Is de homo sapiens inderdaad funest geweest voor miljoenen plant-en diersoorten? Goldschmidt bewondert Daniel Dennett en Richard Dawkins (behoudens zijn kruistocht tegen de religie), Thomas Nagel en Frans de Waal.
Specialisaties hebben consequenties: daarom werd de neus van de olifant een alternatieve voorpoot.
In een flink deel van de brieven beantwoordt Goldschmidt soepel essayistisch-deskundologisch vragen van vrienden en collega’s. Waarom hebben veel sociologen een weerzin tegen een biologische benadering van menselijk gedrag? Is er sprake van een trompe-l’oeileffect door de eivlekken op bepaalde vissen? Kun je een overzicht geven van biologen die goed konden schrijven? (Antwoord: Von Humboldt, Tinbergen, Wallace, De Waal, Hillenius, Holub).
Filosoof Coen Simon krijgt aan de hand van de olifant een lesje over het dier als wezen waarin alles met elkaar samenhangt. Specialisaties hebben consequenties: om het enorme lijf in de lucht te houden heeft de olifant sterke en zware poten nodig. Die kan hij niet gebruiken om mee te eten. Daarom werd de neus van de olifant een alternatieve voorpoot (een neushand). Daarmee kan hij takken afbreken, iets naar zijn mond brengen en zelfs schilderen.
Een erotisch verhaal voor Linda
Goldschmidt begon in de jaren tachtig wel als onderzoeker van cichliden in het troebele Victoriameer (dat twee keer zo groot is als Nederland), maar heeft zich nadien graag laten afdwalen, zodat het kan voorkomen dat hij aan iemand schrijft dat hij ‘zit na te denken over het decolleté, om precies te zijn over de biologische betekenis daarvan.’ Dan komen vanzelf ook de rue d’amour en de push-up bh aan de orde.
Hij schrijft ook een erotisch verhaal voor Linda. Daarna is er weer alle ruimte voor de vraag in welke mate de mens een ‘invasieve soort’ is die als een invasie heeft ingewerkt op de natuur. Of de vraag welke ‘sleutelfactoren’ de homo sapiens zo succesvol hebben gemaakt (groot brein, voedselgeneralist).
Met vondsten als hoe zebra’s aan hun strepen komen, tilt Goldschmidt zichzelf en de lezer op.
Aan Anna Tilroe, die in 2008 bezig is met een kunstproject over ‘Grandeur’ legt Goldschmidt uit hoe zebra’s aan hun strepen komen. De individuele zebra’s in wording weten dat natuurlijk niet, maar hun genen ‘weten’ het wel. In een bepaald stadium van de ontwikkeling van het embryo hebben genetici een ‘regelgen’ (een soort schakelaar) ontdekt die wordt aangezet tot activiteit. De genen die vlak langs de ruggengraat liggen krijgen dan om de zoveel millimeter het signaal ‘trek een zwarte streep naar beneden.’ In die vondst schuilt voor Goldschmidt grandeur: ‘je voelt je even opgetild als je er kennis van neemt.’
Dat optillen doet zich voor de lezer van deze brieven ook herhaaldelijk voor. Als Goldschmidt het heeft over democratie bij dieren, over dialekten in gebarentaal, dat in de mislukkingen van veldwerk de grootste schoonheid zit, dat de mens nodig opnieuw gedefinieerd moet worden ten opzichte van het dier en dat het lied van de orka echt meer van muziek heeft dan van taal. Ja echt.
Onvoldoende liefdesbrieven door Tijs Goldschmidt is uitgegeven door Van Oorschot.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.