Wanneer er‘iets op het spel staat’ is er een beslissend stadium bereikt. Dan gaat het omer op of er onder, om zijn of niet-zijn, buigen of barsten, om de ondergang ofde overwinning. Cyrille Offermans zegt niet rechtstreeks wat er voor hem op hetspel staat, ook al heeft hij zijn omvangrijke boek met essays en kritieken overliteratuur en kunst na 1945 de titel Water op het spel staat gegeven. Hij maakt er geen geheim van, maar je moethet wel in zijn essays zoeken.

Wat op hetspel staat is het verdwijnen van, samengevat in enkele worden, ‘de cultuur vande vrije ruimte’. De hele samenleving is steeds meer ingesteld op ‘nut’, allesmoet iets opleveren, niets kan onafhankelijk van economische druk ontstaan,alles moet voor rendement zorgen, alles wordt met het oog op rentabiliteitgedaan: ‘De ruimten waar de geest nog vrij kan waaien worden uitgerookt’, schrijftOffermans in het essay waarin hij er aan herinnert hoe in de achttiende eeuwhet wordt ‘nut’ een heel andere betekenis had. Toen werd (in 1784) de Maatschappij voor het nut van ’t algemeen opgericht‘ter vorming, verbetering en beschaving van den burger’. Het ging omvolksverheffing, om onderwijs en om morele en intellectuele vorming. Dat wasvorming om de vorming zelf, niet voor een economisch of praktisch doel. Nutbetekende toen: het hoeft geen nut tehebben. Het is slechts ten dienste van de beschaving.
Het isondenkbaar dat je tegenwoordig nog iets zou doen dat niet meteen iets oplevert.Aan de universiteiten bestaat de ‘vrije ruimte’ alleen voor de specialeuniversiteitshoogleraren, in het middelbaar onderwijs worden de vakkenliteratuur en kunst niet meer serieus genomen, in de professionele kunst wordtde voor vrije ruimte zorgende subsidie steeds meer teruggedrongen. De kunstwordt aan zijn lot overgelaten. In het verleden waren er nog mecenassen enopdrachtgevers.
Offermans wilniet apocalyptisch klinken, maar hij heeft het wel over ‘een op drift geraaktewerkelijkheid’ die de ‘bestaanszekerheid onder de voeten van de mensen wegslaat’– wat toch tamelijk afgrondelijk klinkt. Ook heeft hij het over een‘gemaltraiteerde, uit zijn voegen barstende wereld’.
Offermans stelt de diagnose van een complete cultuurcrisis, ziet dat de literatuur en de kunst daar niets tegen kunnen doen
Offermansgebruikt het woord niet, maar wat hij beschrijft komt neer op de verelendung van de cultuur. Het tot eenwrak of ruïne maken van de cultuur. De maatschappelijke rol van de literatuuris ‘tot een minimale restwaarde geslonken’, schrijft hij. De literatuur pastonder de huidige omstandigheden ‘bescheidenheid’. Offermans stelt de diagnosevan een complete cultuurcrisis, ziet dat de literatuur en de kunst daar nietstegen kunnen doen. Omdat de literatuur is ‘verdrongen naar de maatschappelijkeperiferie’ kiest hij voor de trotse positie van de door de maatschappijafgewezen geliefde.
In Wat er op het spel staat klinken twee geluiden: een wel degelijk bijnaapocalyptisch pessimistische dreun over de hedendaagse populistisch agressieve,door botte economie en rentabiliteit beheerste samenleving. En, het andere, eenkrachtig en vitaliserend geluid over de potenties en ‘de eindeloze rijkdom’ vande literatuur, hoezeer die dan ook wordt versmaad. Wanneer de afgewezengeliefde door de ogen van Offermans naar zichzelf kijkt ziet hij het werk vanschrijvers als Hugo Claus, A.F.Th. van der Heijden, Lucebert, Remco Campert,Tom Lanoye, Gerrit Kouwenaar, Jan Hanlo, Erwin Mortier, Stefan Hertmans en Joke van Leeuwen – allemaal schrijvers dieOffermans behandelt en die voor hem de vitaliteit van de literatuur vertegenwoordigen(dus veel meer dan Willem Frederik Hermans, Harry Mulisch of Gerard Reve). Hoeafgrondelijk hij ook over de samenleving denkt, Offermans is een vitalist dietegen de klippen op altijd potenties ziet. Hij wil altijd de Musiliaanse ‘mogelijkheidszinactiveren’.
Langgeleden, in de jaren zeventig, was Offermans een ijverig lezer van de somberecultuuranalyses van Theodor W. Adorno. Wanneer nu de naam van Adorno bij hem valtis het altijd om zich tegen hem af te zetten. Hij wil niets meer hebben vanAdorno’s ‘radicaal negatieve houding’ tegenover alles. Hij is tegen zijn‘jargon van de onverzoenlijkheid’. Die zorgt er zelfs voor dat kunst die zichverheugt in een ‘kinderlijke kleurrijkheid’ zich in Adorno’s ogen al‘diskwalificeert’. De esthetiek van Adorno wordt volgens Offermans beheerstdoor een ‘geest van extremisme’. Er deugt niets.

Tegenoverdit negativisme (dat hij op een andere manier ook tegenkomt in de romans vanWillem Frederik Hermans) zet Offermans nu een verrassing: de ‘generositeit’ vande schrijver. Geïnspireerd door een uitspraak van Lucebert (‘de creatieve menswil zich uiten, hij wil geven, uitdelen, hij wil zich met de wereld als eenminnaar met zijn meisje verbinden’), schrijft Offermans: ‘belangrijkeliteratuur is een uiting van generositeit’. Zijn theorie daarbij is dat ‘eenambitieuze schrijver’ geen enkele verplichting aan de lezer heeft, hem ookniets vraagt, maar hem juist genereus iets schénkt: het beste wat hij te biedenheeft. ‘Het geschenk’, schrijft Offermans, ‘vraagt niet naar kosten ofinspanning, naar nut of noodzaak, alleen daardoor al slaat het een feestelijkgat in alle sombere realistische verwachtingspatronen. Een geschenk heeft depotentie mensen uit hun lethargie te bevrijden, hun zelfvertrouwen tevergroten, onvermoede krachten in hen los te maken. Voor een creatief geschenkgeldt dat in versterkte mate, los van zijn marktwaarde schenkt het een plezier(Barthes) dat door geen markt te bevredigen is.’
Deze opminst opmerkelijke gedachtevlucht is wel een onverwacht en krachtig antwoord opAdorno’s negativisme, maar is het ook reëel om van de lezer te verwachten dathij een boek steeds als een ‘geschenk’ van de schrijver opvat? Dat zal hetgeval zijn wanneer het om een schrijver gaat van wie elk nieuw boek wordtgekoesterd, maar dat is lang niet bij elke schrijver het geval. En het is bijelk nieuw boek steeds de vraag. Maar Offermans bedoelt het natuurlijksymbolisch: als een geschenk waar de lezer zijn voordeel mee kan doen. WantOffermans gaat ervan uit dat de schrijver de lezer ‘eer bewijst’ door ‘eenberoep te doen op zijn hoogste intellectuele en creatieve vermogens’. De lezerwordt op een Kantiaanse manier voor mondig gehouden. Hij wordt met koninklijkeegards behandeld. En wie met koninklijke egards wordt behandeld gaat zichvolgens kant ‘vanzelf een beetje koninklijk gedragen’.
In de vrijeruimte die Offermans onontbeerlijk vindt voor een cultuur en voor het ontstaanvan ambitieuze en genereuze literatuur, moet gespeeld kunnen worden. Wat op hetspel staat is misschien wel allereerst het spel zelf, zegt hij. Bij alleschrijvers die in dit vitale en soms wrange boek aan bod komen moet je dat ‘spel’tussen aanhalingstekens zetten omdat ze juist een ernstig spel spelen. Deliteratuur mag dan maatschappelijk naar de periferie zijn gedrongen, iedereendie een boek leest haalt haar daarmee bij toverslag naar het centrum.
Wat op het spel staat. Literatuur enkunst na 1945 isuitgegeven door Cossee.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.