In de vermaarde reeks lezingen De Brandende Kwestie die de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam (SLAA) in de eerste helft van de jaren tachtig in de Amsterdamse Balie organiseerde, was in oktober 1983 de beurt aan de criticus en essayist Cyrille Offermans.
Zijn lezing ging onder de titel Vroeg oud over alles wat in de samenleving de vitaliteit van mensen onderdrukte, van de ‘burgerlijke’ cultuur in het algemeen, het vervreemdende lopendebandwerk, het grote aantal cynische realisten tot de passieve consument die zich zo snel mogelijk voor de televisie op de bank nestelde. Dit was een patente manier om vroeg oud te worden.
Als een remedie tegen die veroudering voerde Offermans de kunst aan. Kunst is revitaliserend, die vernieuwt zich steeds en nodigt uit de wereld voortdurend met frisse ogen te zien, alsof alles elke dag opnieuw begint. In de kunst kom je geen uitgebluste grijsaards tegen: ‘Wie wel eens foto’s of filmbeelden heeft gezien van Picasso op zeer hoge leeftijd, of van Dubuffet of Buñuel of Arthur Rubinstein, moet het zijn opgevallen hoe vitaal die mensen waren, welke tegenwoordigheid van geest, welke betrokkenheid en welk een gevoel voor humor er uit hun ogen straalden.’
geen klagende mannen
Niets zo erg voor Offermans als klagende oude mannen die zich ook nog dood vervelen. In het ‘journaal’ dat hij van zijn leven en denken bijhield over het jaar 2017, Een iets beschuttere plek misschien, en het nieuwe deel Midden in het onbewoonbare over 2019, duiken consequent schrijvers en denkers op die staan voor het levend houden van de vitaliserende elementen van het bestaan.
Dat soort schrijverschap is Offermans’ voedingsbodem, daar komt de monterheid vandaan waarmee hij elke dag ‘zeer tot zijn genoegen’, zoals hij zelf zegt, achter zijn bureau plaatsneemt. Hij kan geen klagende mannen gebruiken. Wél de eruditie, de exactheid, speelsheid, het intellectualisme en de spanning in het werk van schrijvers als Georges Perec, de schrijver van onder meer Het leven een gebruiksaanwijzing.
Of de ‘opwekkende gedachten en sprankelende vondsten’ van de Tsjech Karel Čapek, schrijver van Oorlog met de salamanders, Hordubal, Het jaar van de tuinier en het boek over zijn hond Dasja. Met ‘blijmoedig meesterschap’ laat Čapek een analfabeet ironisch fantaseren over de zegetocht die zijn thuiskomst zal worden, na acht jaar afwezigheid. Maar het pakt anders uit voor deze ‘aanpassingskunstenaar’.
Of, een derde voorbeeld dat het beeld van de klagende oude mannen om zeep helpt: de inmiddels negentigjarige Hans Magnus Enzensberger, de levendige alleskunner met wie Offermans’ sinds de jaren zestig zoveel affiniteit heeft dat hij als zijn jongere evenknie kan worden beschouwd.
bewoonbaar maken
Er zijn natuurlijk nog veel meer schrijvers en denkers die tot Offermans’ vitalistische pantheon kunnen worden gerekend, maar deze voldoen om als achtergrond te dienen voor de sombere voorgrond die in Midden in het onbewoonbare ook is aan te treffen. Offermans’ essayistische actieradius is groot, maar bepaalde preoccupaties komen steeds terug en geven structuur aan de onderwerpen die hij behandelt. Hoe uiteenlopend ook, of het nu over de Gutmensch, vluchtelingen, de natuur, rechtlijnigheid, zijn vader of de analfabetisering van de jeugd gaat, er zit een duidelijk samenhang in.
‘Elke beschaving’, schrijft hij, ‘begint met het bewoonbaar maken van het onbewoonbare: het isoleren en vervolgens cultiveren van een plek die qua intrinsieke eigenschappen en context de beste overlevings- en ontwikkelingskansen biedt.’ Zo’n plek heeft Offermans door de jaren heen in drieëntwintig boeken met essays voor hemzelf laten ontstaan.
Maar om hem heen dreigen oorlogen, grondstoffen- en klimaatcrisis juist grote delen van de wereld onbewoonbaar te maken. Daar zit Offermans middenin. Hij citeert een creatieve lijst van Perec waaruit die onbewoonbaarheid om ons heen blijkt: ‘vuilstortzee, prikkeldraadkusten, kaalslagaarde, massagrafaarde, lijkenbergen, modderrivieren, stanksteden…’enzovoort.
Als één ding de samenhang in al deze grote en kleine essays vertolkt dan is het de afwezigheid van rechtlijnigheid.
De schrijvers die tot Offermans’ vitalistische pantheon horen zorgen door hun stijl en mentaliteit voor enige bewoonbaarheid, maar hun positie begint precair te worden. Er is in Europa een zo’n ‘rampzalige verdeeldheid’ aan het ontstaan (Hongarije, Turkije, Polen, Slovenië, Engeland) dat volgens Offermans een ‘complete politieke, sociale en culturele desintegratie van Europa’ niet langer uit te sluiten is.
onderliggende spanning
Er is in Midden in de onbewoonbare een onderliggende spanning tussen Offermans’ bewoonbare schrijvers en denkers en de steeds onbewoonbaarder wordende wereld. Die spanning wordt tijdelijk opgeheven wanneer Offermans in een bepaald onderwerp verzinkt, er helemaal in opgaat en dan tien pagina’s schrijft over een schilderij (Het vlot van de Medusa van Géricault), veertien pagina’s over Andrej Platonov, of opgaat in een stapeltje oude brieven van zijn moeder.
Ook wanneer hij het over huiselijke of familiale onderwerpen heeft is er altijd een moment waarop enige reflectie ontstaat, waardoor alles reliëf en diepte krijgt. Wanneer hij het over zijn tuinierende vader heeft (die al in 1971 is overleden, terwijl zijn moeder diep in de negentig is geworden), begrijp je waarom hij Čapeks boek over tuinieren zo aardig vindt: hier zijn verwante geesten nauwgezet in de grond aan het wroeten. Ook wanneer hij het over zijn vader heeft is reflectie niet ver weg: hij ziet in hem ‘een stille pleitbezorger van de continuïteit.’
Als één ding de samenhang in al deze grote en kleine essays vertolkt dan is het de afwezigheid van rechtlijnigheid. De ‘strikt lineaire mens’ is hier afwezig. Het rechtlijnige denken leidt tot rampen. Offermans vindt Elias Canetti, ondanks zijn bewondering voor zijn autobiografie en de roman Het martyrium, ‘een klootzak’: vanwege zijn absolutisme en de manier waarop hij met mensen in zijn omgeving omging. Bij Offermans’ oordelen, meningen of inzichten speelt altijd de vraag mee of het wel soepel is, elastisch, open, nauwgezet of vindingrijk. Nooit cynisch, nooit stoer.
experimenteercentrum
Offermans vond het onverdraaglijk om een boek over zijn leven en werk in 2019 te publiceren zonder ook maar iets te hebben gezegd over de impact van het coronavirus. Dat deed zich voor terwijl hij dit boek aan het voltooien was. Hij schreef er een nawoord over. Hij was altijd al zo bevangen door alle problemen waarmee Nederland en de wereld te maken had, dat het stilleggen van het leven (de lockdown) begin van het jaar ineens visioenen opriep van een heel ander, niet door de oude hectiek beheerst bestaan.
Volgens Offermans kan het coronavirus niet los worden gezien van de ‘verwoestende anarchie van het roofkapitalisme.’
Europa is helemaal geen ‘vermoeid continent’, het zou weer een ‘experimenteercentrum’ kunnen worden. De epidemie van 1348 (de Zwarte Dood) zorgde voor miljoenen doden, maar een paar decennia daarna bloeiden Florence, Venetië, Genua en Napels. De Renaissance verspreidde zich vervolgens over Europa. Zo zou het nu weer kunnen gaan.
Volgens Offermans kan het coronavirus niet los worden gezien van de ‘verwoestende anarchie van het roofkapitalisme.’ Het kon zo al niet doorgaan, maar door het coronavirus zullen we ons leven nu echt moeten veranderen. We moeten de kans waarnemen tot een drastische omschakeling. De pandemie is ‘een les, zij het een uiterst pijnlijke.’
De wereld was aan het verdorren, maar Offermans, die bij de gedachte lichtelijk opgewonden raakt, denkt dat Europa weer ‘het proefstation van de nieuwe tijd’ kan worden, net als in de veertiende eeuw. Zo’n drang tot drastische vernieuwing en omschakeling deed zich ook voor bij de financiele crisis van 2008. Toen dacht men ook dat het hele stelsel nu maar eens vernieuwd moest worden.
Cyrille Offermans heeft altijd de wereld van de ‘mogelijkheidszin’ hoog gehouden: een utopisch element is altijd een onderdeel van zijn denken geweest, al is het na verloop van tijd minder op de voorgrond getreden. Dat hij in de crisis rond het coronavirus mogelijkheden ziet voor algehele vernieuwing is maar al te begrijpelijk, maar het verrast wel na de boeiende zeshonderd pagina’s waarin het utopische nagenoeg afwezig is en de nadruk ligt op alles wat zich zo bewoonbaar en vitaal onder onze neus bevindt.
Midden in het onbewoonbare door Cyrille Offermans is uitgegeven De Arbeiderspers.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.