Waar is het volk gebleven? Je hoort er al lang niets meer van. Een heel enkele keer duikt het wel eens op bij iets officieels, in een toespraak bij een staatsbanket of wanneer de minister-president iets namens heel Nederland moet zeggen. Maar ook dan wordt er wijselijk van het ‘Nederlandse volk’ gesproken, in de zin van ‘bevolking’ of ‘iedereen’.
In Nederland zijn nog genoeg verschillen, maar van een ‘volk’ dat minder zou zijn dan de rest van Nederland is geen sprake meer. Je moet vreemde bedoelingen hebben om het nog over ‘het volk’ te hebben. Nederland is een tamelijk ‘inclusief’ land, om eens een modieus woord te lenen. Dat wordt alleen gebruikt in verband met nieuwkomers en vluchtingen, niet om een niet meer bestaande ‘volk’, er bij te laten horen. Iedereen hoort erbij.
Verbazingwekkend dan ook dat de Denker des Vaderlands René ten Bos in zijn nieuwe boek ‘het volk’ een prominente plaats heeft gegeven, tot in de titel Het volk in de grot toe. Ten Bos heeft het over iets dat heel pijnlijk is wanneer het waar zou zijn: er zou sprake zijn van een al tweeduizend jaar durende ‘legendarische minachting voor het volk’ door filosofen, zelfs van een ’bodemloze minachting voor het volk’, en van ‘onbegrip en minachting van de elite voor het volk.’
De behoefte om het volk te verheffen
Dit is geen kleinigheid, temeer wanneer Ten Bos die minachting voor het volk laat beginnen bij Plato (427-347 v. Chr.) en Socrates (469-399 v. Chr.). Dit is minachting met een geschiedenis. Het is een snoeihard verwijt in het gezicht van mensen die van denken hun werk hebben gemaakt, de filosofen, de intellectuelen en wat Ten Bos de ‘elite’ noemt. Een flink deel van de mensheid zou eeuwenlang door hen in de miezerige marge van de geschiedenis zijn weggeduwd.
Het is zeer de vraag of het de filosofen en de intellectuelen zijn geweest die zo onverschillig zouden hebben gestaan tegenover ‘het volk’ en niet eerder de meeste mensen die het materieel beter hadden (de adel, de rijken, de bourgeoisie, de middenstand). De ‘minachting’ die de filosofen c.s. zouden hebben voor het volk heeft te maken met iets dat je niet verwacht: volgens Ten Bos is dat de behoefte van de filosofen om ‘het volk’ te verheffen. Ze wilden met die verheffing het volk intelligenter maken, minder volk, terwijl het volk dat volgens Ten Bos misschien helemaal niet wilde.
Het volk moest van die onwetendheid ‘genezen,’ want onwetendheid is in de ogen van de filosofen c.s. ‘de wortel van het kwaad.’
‘Het volk’ vond zichzelf goed genoeg, dat had het paternalisme van de ‘elite’ niet nodig. De filosofen zouden ‘verheffingsfantasieën’ op het volk projecteren. Ze wilden het volk de weg wijzen uit de onwetendheid. Het volk moest van die onwetendheid ‘genezen,’ want onwetendheid is in de ogen van de filosofen c.s. ‘de wortel van het kwaad.’ Ten Bos vindt dat ‘genezen’ van ‘minachting’ getuigen: het volk is niet dom.
Plato’s grot
Het tweede dat in Het volk in de grot verbazing wekt is dat Ten Bos zijn tirade tegen de filosofen, intellectuelen en ‘de elite’ baseert op een tendentieuze interpretatie van de allegorie van de grot in de Politeia, het traktaat van Plato over de rechtvaardige inrichting van de samenleving, ook wel De staat of De republiek genoemd. Hij zegt een ‘nauwgezette reconstructie van de grotallegorie’ te geven, maar ik zou het eerder een postmoderne vervalsing willen noemen. Ten Bos laat zich niets gelegen liggen aan wat Plato schrijft.
Waar gaat die beroemde allegorie van de grot dan over? Over Plato’s Ideeënleer. Daar heeft Plato het wel vaker over in zijn dialogen (zoals in de Protagoras en de Parmenides), maar de grotallegorie is een van de meest aansprekende varianten. In een grot zit een groep vastgeketende gevangen mensen recht voor zich uit te kijken. Ze kunnen hun hoofd niet bewegen. Recht voor ze uit zien ze op een wand schaduwen van figuren bewegen, veroorzaakt door poppen en het vuur achterin de grot. Omdat ze niet beter weten houden ze die schaduwen voor de werkelijkheid. Een van de geketende mensen weet uit de grot te ontsnappen. Nadat hij aan het helle licht buiten is gewend en van zijn verwarring is bekomen staat hij oog in oog met de échte werkelijkheid.
‘De waarheid is dat het volk misschien helemaal geen waarheid wil. En ook geen feiten,’ zegt Ten Bos.
Het denken van de ontsnapte gevangene heeft tijdens zijn tocht uit de grot naar het licht een proces doorgemaakt. Hij heeft zich van de veranderlijke wereld van de schaduwen afgedraaid in de richting van het stralende ‘onveranderlijke.’ Dat is de wereld van het Goede en van de Ideeën. Het denken heeft bij de ontsnapte geleid tot verdieping en tot inzicht in de essentie van de dingen. Iedereen – ‘elk mens,’ zegt Plato – heeft dit vermogen tot ‘goddelijk schouwen’, maar de ‘meest begaafden’, de ontwerpers van de maatschappij, zijn er het beste voor uitgerust. De allegorie van de grot gaat over het door denken ontstaan van eeuwige Ideeën als het Goede, het Rechtvaardige, het Schone, de Waarheid. Het zijn ideaalbeelden waarop men zich kan richten in zijn gedrag.
René ten Bos maakt iets heel anders van de grotallegorie. Hoewel de tekst van Plato daar geen enkel handvat toe geeft vat Ten Bos de grot op als een toevluchtsoord waarin de gevangenen geen gevangenen zijn, maar een volk dat zich daar veilig en thuis voelt. Het wil niet uit de grot om zich met denken te verheffen tot de kennis van de eeuwige Ideeën en het verlangen naar waarheid.
‘De waarheid is dat het volk misschien helemaal geen waarheid wil. En ook geen feiten,’ schrijft Ten Bos. Hij is het eens met de Duitse filosoof Hans Blumenberg (op wie hij zich geregeld beroept) dat het volk het recht heeft in de grot in een schijnwereld te leven. Mensen hebben recht op hun illusies. Plato had zijn verheffingsfantasieën, maar volgens Ten Bos ‘spoken’ die tot in onze tijd door.
Een uit de duim gezogen interpretatie
Ten Bos geeft een geheel verkeerde voorstelling van zaken van Plato’s bedoeling met de grotallegorie. Ten Bos is als filosoof natuurlijk op de hoogte van Plato’s Ideeënleer, maar hij brengt die niet in verband met de allegorie, ook al vraagt de tekst erom. Daarmee doet Ten Bos wat hij in het hele boek doet: de waarheid niet meer zo serieus nemen. De grot als een toevluchtsoord presenteren staat haaks op Plato’s allegorische bedoeling. Ten Bos geeft er een uit de duim gezogen interpretatie van, maar schrijft ook dat hij filosofisch niet helemáál met de waarheid wil breken. Als hij dat meent (maar Ten Bos zwalkt nogal), dan had hij eerst uiteen moeten zetten wat Plato écht bedoelde.
Zijn ‘volk’ wil in zijn eigen bubbel van bier en voetbal blijven, ver weg van wat ‘netjes’ is.
Het volk in de grot is in een tijd van waarheidcrisis en feitenvrijheid een bewust provocatief essay tegen de waarheid en realiteitsprincipe in de filosofie. Plato wil dat de mensen in de grot opstijgen naar het licht van het inzicht en de realiteit. Dat is Ten Bos veel te verstandelijk, veel te sturend, veel te paternalistisch, veel te conformistisch, veel te homogeniserend, veel te veel hang naar harde waarheid.
Zijn ‘volk’ wil daar niet aan meedoen. Dat wil in zijn eigen bubbel van bier en voetbal blijven, ver weg van wat ‘netjes’ is. Ten Bos gaat er in zijn inleiding vanuit dat zijn ‘volkskunde’ wel niet ‘netjes’ gevonden zal worden. Dat is een verraderlijke manier van schrijven: wanneer je het niet met hem eens bent, ben je meteen ‘netjes.’
De filosoof als gewone jongen met een hekel aan ‘de elite’
Ten Bos, hoogleraar in de filosofie in Nijmegen en schrijver van verschillende boeken die ik hier positief heb besproken, bedient zich dit keer van een tamelijk schampere toon: die van de filosoof die een gewone jongen van de gestampte pot wil blijven. Niks poeha. Zo heeft hij het over de hedendaagse ‘elite’ waar hij niets van moet hebben: die elite is ‘vandaag de dag niet langer rijk of van adel, maar multicultureel, hoogopgeleid en tevreden.’
Dit is een simplistische typering van een flinke bevolkingsgroep, afkomstig van een filosoof die even later zegt dat ‘complexiteit’ het belangrijkste kenmerk van de hedendaagse samenleving is. Van hetzelfde kaliber zijn de opmerkingen over ‘de liberale democraat, die net doet alsof hij luistert naar het volk maar niets zozeer vreest als de populaire intelligentie.’
‘Populaire intelligentie’? Wat zou dat zijn? Nergens staat wat hij daar onder verstaat, maar in Het volk in de grot zijn hier en daar wel indirecte aanwijzingen te vinden voor wat het zou kunnen inhouden. Als we mogen aannemen dat die populaire intelligentie bij ‘het volk’ hoort dan heeft die populaire intelligentie ‘een enorme afkeer van uiterlijk vertoon en opgeblazen ego’s.’ Ik weet niet of dit nu zo kenmerkend is voor het volk, maar ik weet dan ook niet precies wie ‘het volk’ is.
Ten Bos wil een minimalistische filosoof zijn die zo min mogelijk met zijn verstand doet.
Te vergaand anti-rationalisme
Een ander kenmerk van de ‘populaire intelligentie’ leren we kennen via de filosoof Descartes, een van de rationalistische opvolgers van Plato. Descartes kwam tot de waarheid door ‘het verstand’. De waarheid werd zogezegd door het verstand ‘geproduceerd.’ Dat vindt Ten Bos, niet geheel ten onrechte, te beperkt. De populaire intelligentie werkt niet met het verstand. Bij de populaire intelligentie is iets heel speciaals aan de hand: daar dient de waarheid ‘zichzelf aan’, ‘manifesteert zichzelf’, schrijft Ten Bos. Of nog anders gezegd: de waarheid komt ‘opborrelen’, ‘alsof zij zich aankondigt of openbaart’. Dit is nogal magisch, maar zo ging het volgens Ten Bos ook in de Middeleeuwen.
Het anti-rationalisme van Ten Bos gaat ver. Te ver. Voor Ten Bos schijnt de wijsheid en de kennis van het volk vanzelf te moeten komen, zonder onderwijs. Ten Bos heeft ook een broertje dood aan het Griekse paideia en het Duitse Bildung, dat is onderwezen worden en kennis verwerven volgens een bepaald programma of methode: ‘het grote doel van alle paideia is’, schrijft Ten Bos: ‘mensen weerbaar maken tegen illusie, vervoering, verlokking.’
Je zou kunnen zeggen dat Ten Bos wil dat meer gebruik wordt gemaakt van natuurlijk aanwezige intelligentie – ook al noemt hij het zelf nergens zo. Hij wil geen kennis die geleerd moet worden, hij wil aangeboren kennis. Ten Bos wil een minimalistische filosoof zijn die zo min mogelijk met zijn verstand doet. Zijn volk moet niet denken, dat moet doen, op zijn Nijmeegs, niet op zijn Rotterdams.
Het volk als edele wilden
Er is zoals gezegd volgens Ten Bos in tweeduizend jaar niets veranderd ten aanzien van ‘het volk.’ Nog steeds dezelfde minachting en onderschatting van het volk. Zou het? Het is een zwaktebod om nu nog met een nog steeds geminacht ‘volk’ te schermen, terwijl iedereen toegang heeft tot alles, en op talloze manieren in de gelegenheid is om een stem al of niet te laten horen.
Ten Bos verdedigt het goed recht van ‘het volk’ om niet mondig te zijn, om (om het in zijn geest te formuleren) niet mee te doen aan de liberale weldenkende ratrace van goedgeïnformeerdheid. Dan zou dat volk in de ogen van Ten Bos te veel een product van de verlichte verheffing zijn, wordt dan te veel ‘gelijkgeschakeld.’ Blumenberg citerend zegt hij: ‘Is het niet altijd ongehoord als jij geweld wilt gebruiken tegen tevreden mensen om hun zo een geluk op te leggen dat ze niet kennen en dat niet van hen is?’ Ten Bos’ volk krijgt op deze manier veel weg van edele wilden.
Volgens de populistische filosofie is het waarheidsbegrip ‘overgeïntellectualiseerd’.
Uit Het volk in de grot is met weinig moeite een filosofie te distilleren met populistische trekken. Daarin maakt men zich sterk voor een ‘volk’ waarvan niet duidelijk is wie er onder moet worden verstaan. Dat blijft in het vage, maar des te krachtiger door Ten Bos retorisch demagogisch geponeerd. De populistische filosofie zet zich af tegen rationalisme, alsof dat er nog in zuivere vorm zou zijn buiten het zakenleven en technologische wereld.
Volgens de populistische filosofie is het waarheidsbegrip ‘overgeïntellectualiseerd’: ‘geen wonder dat het volk van de wetenschap vervreemd is.’ Met de ‘naakte waarheid’ valt in Ten Bos’ filosofie niet te leven. We hebben onheil afwerende middelen nodig, zoals mythes en religie. Net als de alt-right beweging heeft de populistische filosofie moeite met de waarheid en met de feiten. Het is niet vanzelfsprekend het volk te verheffen via de waarheid en objectief feitenmateriaal.
‘De zelfverklaarde weldenkenden’ versus de zombies
De populistische filosofie wil niets weten van ‘verheffing’ en denkt dat de rede helemaal niet nodig is voor geluk. Je hoeft niet te weten hoe de zon werkt om te genieten van zijn warmte. Volgens de populistische filosofie zouden mensen wel eens goede redenen kunnen hebben zich ‘niet over te geven aan wetenschap en journalistiek.’ Die willen, net als Plato en Socrates, de mensen ook alleen maar verheffen.
De populistische filosofie vraagt zich af waarom de lezer van een kwaliteitskrant denkt dat hij iets beters leest dan de lezer van De Telegraaf of Story. Volgens de populistische filosofie heeft politieke correctheid zich meester gemaakt van de ‘weldenkende open-minded burger’. De populistische filosofie heeft geen vertrouwen meer in experts. Gegeven de ‘overweldigende complexiteit van het leven’ heeft het voor de gemiddelde burger helemaal geen zin ‘om zich aan de genade van de intellectuele elites uit te leveren.’
Het volk leest geen kranten, want dan zou het tot het ‘weldenkende publiek’ gaan behoren en ‘het is nog maar de vraag of dat het volk is,’ schrijft Ten Bos: ‘We zien de zelfverklaarde weldenkenden zo voor ons: mensen die zichzelf al lezend voortdurend de maat nemen en zich aan de bittere realiteit blootstellen. Mooi hoor, maar zit het “volk” hierom te springen?’ Krijgen de mensen die tot Ten Bos’ volk behoren langzamerhand niet iets van zombies?
René ten Bos manoeuvreert zich met filosofische middelen in het vaarwater van de populistische waarheid- en feitenontkenners.
De grot als vluchtoord: ‘de realiteit is zo fijn nog niet’
Ten Bos ontwikkelt tussen alles door ook nog een grotfilosofie. De kern daarvan is dat de ‘bittere realiteit’ buiten de deur wordt gehouden. Een grot is een vluchtoord. Daar vlucht je naartoe als je, zoals de leden van Ten Bos’ volk, bang bent voor de realiteit. Alle vormen van bescherming tegen die realiteit zijn goed: de grot, de bubbel, de sfeer, de cocon, de pilaar, de drank: ‘de realiteit is zo fijn nog niet’, schrijft ten Bos, ‘we komen allemaal uit de geborgenheid en willen er steeds weer naar terug.’
Vandaar dat de ‘gevangenen’ in Plato’s grot in de ‘interpretatie’ van Ten Bos niet uit de grot willen. Ze zijn bang voor het licht. Ze willen niks leren. Ten Bos haat Plato omdat hij de gevangenen juist uit de grot naar het licht, het inzicht en de realiteit wil brengen. Het heeft iets aandoenlijks, zoveel afkeer van de realiteit, maar meer ook niet.
Met Het volk in de grot manoeuvreert René ten Bos zich met filosofische middelen in het vaarwater van de populistische waarheid- en feitenontkenners. Daarbij raken de zegeningen van het rationalisme uit het zicht en houden we een zombie-achtig volk over dat zich tevreden voelt met de eigen opborrelende en zich vanzelf manifesterende waarheden. Voor dat volk geldt dat ‘kennis’ de mens scheidt van het ‘zijn’.
Er is veel voor te zeggen dat ‘realiteitszin’ niet alles is en dat de gevangenen in Plato’s grot daar misschien beducht voor zijn, maar Ten Bos maakt van zijn volk angstige wezens die niet tegen het licht kunnen. Ze zoeken zo snel mogelijk onheil afwerende middelen en vluchten in grotten, bubbels en cocons. Ze zoeken verlichting in de duisternis.
Het volk in de grot. Waarom mensen geen feiten willen door René ten Bos is uitgegeven door Boom.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.