Veel burgers zouden niet meer in feiten zijn geïnteresseerd: Telegraaf-lezers, ouders die hun kinderen niet willen laten vaccineren, PVV-stemmers die bang zijn voor de mosliminvasie, de ontkenners van klimaatopwarming en presidenten van grote landen. Maar u en ik zijn ook burgers. En u ontkent ook feiten. Ik ook. Wen er maar aan: het enige feit waaraan de mens zich in een feitenvrije samenleving nog kan vastklampen, is het feit dat er geen feiten zijn. We zijn het zo oneens over wie wel of niet de waarheid vertelt, dat iedereen ervan kan worden beschuldigd een leugenaar te zijn. Het doet denken aan de paradox van de Kretenzer die zegt dat alle Kretenzers leugenaars zijn. Generaties filosofen hebben gepuzzeld over de vraag of een Kretenzer de waarheid spreekt als hij zegt dat alle Kretenzers leugenaars zijn.

De klachten over feitenvrijheid – klachten die je vooral hoort in twee werelden: de journalistiek en de wetenschap – verdwalen in deze paradox. De journalist en wetenschapper kunnen niet met de leugen uit de voeten omdat het hun professionele roeping is om feiten te checken en aan te leveren. De journalistieke code: waarheidsgetrouw, neutraal, objectief, pluriform, open, verantwoordelijk enzovoorts, duidt er niet op dat de beroepsgroep geacht wordt feiten te verdoezelen of te verdraaien. De journalistiek is nodig om het ‘volk’ op de hoogte te houden, want een moderne, democratische samenleving, zo luidt het argument, stort in als het volk niet enigszins begrijpt hoe de wereld in elkaar zit.

Verheffing van het volk, daar draait het om. Dit levert de journalistiek de zo broodnodige legitimatie. De onderliggende redenering gaat ongeveer als volgt: de democratische samenleving kan alleen maar bestaan als er onder het volk een soort algemene wil tot waarheid is. Anders gezegd: als er in een democratische samenleving geen relatief grote groep mensen is die enigszins op de hoogte is van de feiten, die weldenkend met deze feiten kan omgaan en die op basis van die feiten ook juiste beslissingen kan nemen, dan wordt de bodem onder haar voeten weggeslagen.

Positieve emoties

Er is nu ook nog zoiets als ‘constructieve journalistiek’: journalisten dienen niet alleen feiten te rapporteren, maar ook na te denken over oplossingen voor problemen en bepaalde therapeutische effecten te creëren voor een publiek dat schoon genoeg zou hebben van de koele opsomming van droef stemmende feiten. Op een website over constructieve journalistiek lees je dan: ‘Wij kiezen ervoor om nieuws te brengen dat ervoor zorgt dat mensen zich verbonden en betrokken voelen.’ En een eindje verder dit: ‘Overconsumptie van slecht nieuws vermindert hulpvaardigheid en tolerantie, en veroorzaakt depressie en wantrouwen. Er is iets mis met de content, er is iets mis in de journalistiek. Daarom dalen oplagecijfers. We moeten zorgen dat het publiek weer bij ons wil horen.’

Sommigen zullen constructieve journalistiek een pervertering vinden van ‘echte’ journalistiek. Het zou ook de onafhankelijkheid van de journalist aantasten: hij schrijft voor een bepaald publiek en dat moet worden gevoed met positieve emoties.

Aantastingen van de onafhankelijkheid zijn er altijd geweest, ook omdat het publiek er niet is. Er zijn alleen maar bepaalde soorten publiek. De lezers van Het Financieele Dagblad willen wat anders dan lezers van De Telegraaf of Trouw. Maar je kunt hier ook denken aan kranten die, zoals de Duitse krant Bild destijds, geheel en al door de CIA worden gefinancierd om de anticommunistische stemming in het naoorlogse Duitsland er goed in te houden.

Alt-right

Karl Popper, een van de meest prominente pleitbezorgers van de liberale democratie uit de twintigste eeuw, wees op een zekere vormgelijkheid tussen wetenschap en politiek: zowel de wetenschapper als de politicus moeten altijd bereid zijn zich in het licht van de realiteit te laten weerleggen. Zonder de bereidheid tot dit ‘fallibilisme’ open je de poort voor gevaarlijke politieke denkbeelden en ontwikkelingen. Poppers ideeën lijken me ook van toepassing op de journalistiek. Het onderzoeksveld van de journalist zou je kunnen zien als een plek waar alleen nieuwsgierige mensen met een open geest toegangsrechten hebben. De journalistiek wordt in deze visie niets anders dan een door en door transparant en open theater waar een weldenkend publiek toegang toe heeft. Of dat weldenkende publiek ook het ‘volk’ is, is nog maar de vraag. Zou ‘volk’ misschien dat deel van het publiek zijn dat vergeten is – door de rijken, door de wetenschappers, door de politici maar ook door de journalistiek?

Wil het volk openheid, eerlijkheid, neutraliteit en objectiviteit? Omarmt het de code van de journalistiek? Er is in onze tijd een krachtige intellectuele stroming die een volledig tegengesteld geluid laat horen. Deze stroming, die door de Britse filosoof Nick Land treffend omschreven is als ‘duistere verlichting’ (dark enlightenment), bestaat uit denkers die allerlei verschillende reactionaire denkbeelden koppelen aan een hevig anti-institutionalisme. Ze worden ook wel eens omschreven als ‘alt-right’, dat wil zeggen, ‘alternatief rechts’. Soms spreekt men ook van neo-reactionairen. Mensen die openlijk homofoob, islamofoob, antisemitisch, vrouwvijandig, antiliberaal, anti-establishment, anti-ecologisch durven te zijn.

Ze vormen een inspiratiebron voor hedendaagse politici, zoals de huidige Amerikaanse president. Ook politici als Geert Wilders of Thierry Baudet zijn vermoedelijk gecharmeerd door de ideeën die door de ‘duistere verlichters’ naar voren worden gebracht. Als Wilders bijvoorbeeld spreekt over de ‘linkse kerk’, die aan ‘de verkeerde kant van de geschiedenis’ zou staan, dan lijkt hij de buikspreekpop van Curtis Yarvin, ook bekend als Mencius Moldbug. Deze ultrarechtse blogger heeft de vrije pers en de universiteit diverse keren aangeduid als een ‘Kathedraal’, die geen andere bedoeling heeft dan andersdenkenden tot op het bot te treiteren. Niets zou in zijn ogen beter zijn dan de drastische vernietiging van deze Kathedraal.

Wil het volk wel openheid, eerlijkheid, neutraliteit en objectiviteit?

Het gaat hier dus om een iconoclastisch gedachtengoed. Het idee van de waarheid is daarbij het eerste vanzelfsprekende slachtoffer. Laat ik volstaan met een citaat van Milo Yiannopoulos, een beeldenstormer die er genoegen in schept om alles wat weldenkend wil zijn te bruuskeren en een troetelkind van Trumps voormalige chef-strateeg en senior counselor Steve Bannon: ‘We live in a post-fact world – and it is wonderful.’ Wat bezielt iemand die schijnbaar achteloos de vloer aanveegt met alle journalistieke pretenties om de waarheid te dienen? Ik wil hier drie centrale theses bespreken die kenmerkend zijn voor de duistere verlichting, om zo te laten zien dat het niet voor iedereen vanzelfsprekend is om het volk via waarheid en objectief feitenmateriaal te verheffen.

These 1: het draait om de agenda, niet om de waarheid

De eerste these is dat de spirituele hygiëne die eigen zou zijn aan journalistiek en wetenschap gewoon een belachelijke fantasie is. Het draait in beide werelden helemaal niet om de waarheid, maar om conformiteit met een bepaalde agenda en alles wat niet past binnen deze agenda wordt verworpen.

De geschiedenis van dit soort denken is lang en gaat minstens terug op Hegels notoire uitspraak dat als de feiten niet overeenkomen met de theorie, dat dat dan jammer is voor de feiten. Feiten zijn niet interessant en al helemaal niet in de zogenaamd open samenleving. Daarom kan Yiannopoulos ook doodleuk zeggen dat híj juist degene is die feiten noemt: ‘Ik ben geïnteresseerd in feiten en niet in gevoelens – gevoelens van de klaagbrigade.’

We zien hier een variatie op de Kretenzer paradox: ik kan alleen op uiterst intolerante wijze de tolerantie verdedigen. De kritiek die hier geleverd wordt op onze samenleving is niet achterlijk. Ook filosofen uit het linkse kamp hebben dergelijke gedachten geformuleerd. Onze samenleving is, aldus de feministische filosofe Avital Ronell, doortrokken van een verlangen om te testen: een test drive. En wat vooral getest wordt, is niet zozeer of dingen waar zijn, maar vooral of ze wel passen bij de politieke correctheid die zich van de weldenkende open-minded burger heeft meester gemaakt. Het kritische pluralisme van Popper is nooit echt kritisch en pluralistisch geworden – het is ontaard in een gelijkhebberig multiculturalisme van een democratie die niets anders dan ‘soft-totalitair’ is geworden.

De kritiek van alt-right moet je serieus nemen, ook al wordt ze soms ook verwoord door mensen met wie je liever niet geassocieerd wil worden. Je moet de vijand lezen, zei de liberale filosoof Isaiah Berlin ooit, want hij dringt door onze verdedigingslinie. Tegelijkertijd is die vijand niet alleen maar iemand die aan de andere kant van die linie staat. Ik hoop te laten zien dat die duistere verlichters met al hun iconoclasme diep verworteld zijn in onze cultuur. Maar voor het zover is, moeten we kijken naar de tweede en de derde these.

These 2: kennis is niet belangrijk, het gaat om doorzettingsvermogen

De tweede these is dat kennis de mens scheidt van het zijn. Weldenkende mensen geloven in de rol van de journalistiek en wetenschap als brengers van kennis over toestanden in de wereld. Daarom zullen ze ook van verbazing van hun stoel vallen als ze geconfronteerd worden met gedachtengoed dat kennis radicaal verwerpt. Wat zou er mis kunnen zijn met kennis? Maar onze beeldenbestormers passen in een lange traditie van wantrouwen tegen kennis en nieuwsgierigheid. Ze zijn zelf zeer belezen, maar tegelijkertijd waarschuwen ze met kracht tegen die belezenheid. Wederom een variant op de Kretenzer paradox: ik heb veel gelezen en ben erachter gekomen dat lezen onzin is. Waarom? Zeker in Amerika bestaat er grote twijfel aan de waarde van nieuwsgierigheid, intellectualiteit of weldenkendheid. Anti-intellectualisme is een sterke drijfveer voor veel Amerikanen. De intellectueel ziet tussen zwart en wit ook grijstinten en daarmee ondermijnt hij zijn beslisvaardigheid en dus ook zijn karakter. Niet kennis van zaken, maar doorzettingsvermogen en, inderdaad, besluitvaardigheid zijn echt van belang.

These 3: loyaliteit aan mensen is belangrijker dan loyaliteit aan de waarheid

De derde these wordt expliciet verwoord door Curtis Yarvin: waarheid is onzin. Waarom zou iemand zoiets willen beweren? Omdat waarheid niets bewijst. Wat wel wat bewijst, is dat je bereid bent de nonsens die iemand verkoopt, te geloven. Om het in een formule te verwoorden: loyaliteit aan mensen is altijd veel belangrijker dan loyaliteit aan de waarheid. Sterker nog, speuren naar die waarheid ondermijnt loyaliteit aan mensen. De intellectueel, de expert, de waarheidszoeker hebben maling aan wat normale mensen, het ‘volk’ dus, vinden. Ze vergeten de basis en die basis is dat we beter loyaal aan mensen kunnen zijn dan aan de waarheid. Waarheid betekent in het sociale verkeer helemaal niets.

De intellectueel heeft maling aan wat normale mensen vinden.

Een moeilijk ding

De drie – soms tegenstrijdige – thesen van de duistere verlichting laten zich dus als volgt samenvatten:

#1 Elke pretentie op de waarheid is onzinnig, hoogmoedig en verraderlijk.

#2 Als er al kennis van waarheid is, dan is ze meestal niet goed voor mensen, want ze vervreemdt hen van het zijn.

#3 Loyaliteit ten opzichte van mensen is belangrijker dan loyaliteit ten opzichte van de waarheid.

De waarheid – als het domein van de feiten – is een moeilijk ding. We willen haar niet altijd horen en we willen ook niet zomaar één-twee-drie voor haar buigen. In die zin hebben die duistere verlichters ons niets te melden wat we niet al wisten. Het is meer het gegeven dat ze zich verheugen over deze situatie, dat ze de situatie van de feitenvrijheid omarmen en zelfs affirmeren, dat ons zo frustreert. En bovendien: wie denkt dat Trump een idiote president is, vergeet dat hij buiten Europa gezien wordt als een sterk leider. Sterke leiders hebben schijt aan de waarheid, leggen die waarheid het zwijgen op, vervormen en versluieren haar. De journalist is, zoals we nu in Turkije zien, het verbolgen en verongelijkte slachtoffer.

Met kettingen vast aan de muur

Ook feiten liggen moeilijk. De etymologie van het woord maakt dat duidelijk: feit komt van factum en dat komt weer van facere, wat ‘maken’ betekent. Als we dus een feit definiëren als ‘wat werkelijk is’, dan moeten we nooit vergeten dat het werkelijke gemaakt en geproduceerd is. Een feit is niet iets wat je aantreft, maar wat geproduceerd wordt. Werkelijkheid, zo heeft menig filosoof opgemerkt, is iets waaraan gewerkt moet worden.

Plato’s beroemde allegorie van de grot gaat over niets anders dan de vraag waarom het volk in de grot niet verlicht wil worden, waarom het zich liever laat bezwendelen door charlatans en illusie prefereert boven realiteitszin. Plato’s eigen afkeer van alles wat zintuiglijk is, is al een eerste aanwijzing voor het feit dat het in onze cultuur niet zo goed gesteld is met de liefde voor empirische waarheden en feiten. Bij hem gold de volgende stelregel: liever abstract redeneren dan feitelijk waarnemen. De erfenis van deze grondhouding is monumentaal. Plato hoopt op een week, deinend en plooibaar volk, want alleen zo’n volk kan uit de grot klimmen om te zien hoe de werkelijkheid echt in elkaar steekt. Maar het volk zit met kettingen vast aan de muur en er is er maar één die uit de grot klimt: Socrates. Hij ziet buiten de grot hoe de werkelijkheid in elkaar steekt en maakt dan een dodelijke fout: hij keert terug om het achtergebleven volk te beleren. Maar dat rotvolk laat zich niet beleren.

Die heikneuters in de grot

De boodschap is dan ook verduveld lastig: ‘Hé, jullie daar in die grot, die wereld van jullie bestaat alleen omdat er ideeën zijn en die ideeën zelf zien jullie niet. Wat je ziet, is een reeks illusies.’ Wat die heikneuters in de grot zien, is volgens Socrates een flauwe afspiegeling of afschaduwing van een ideële en reële werkelijkheid. Degene die terugkeert, heeft een fundamenteel probleem: zijn plicht om bewijzen te leveren is altijd groter dan zijn vermogen daartoe. Bovendien: je kunt praten als Brugman, waarschuwen voor het allerergste – maar voor de meeste mensen in de grot is het leven zo slecht nog niet. Dat verklaart de angst die mensen hebben dat hun cultuur naar de knoppen gaat, dat homoseksuelen het voor het zeggen zullen krijgen of dat Arabische jochies allemaal testosteronbommen zijn. Socrates berust tenslotte in de hardleersheid van de grotbewoners. Kennis, zo constateert hij, kan nu eenmaal niet anders dan elitair zijn.

Het is niet moeilijk om hier parallellen met de huidige toestand op de planeet te zien. Vergeet niet dat termen als ‘klimaatopwarming’, ‘globalisering’, ‘neoliberalisering’, ‘CO2-emissie’ of ‘teloorgang van biodiversiteit’ minstens zo abstract zijn als de ideeën van Plato. Goed, de teloorgang aan biodiversiteit is op de televisie of YouTube te bekijken. Je kunt zien hoe koraalriffen over de hele wereld naar de verdommenis gaan en hoe ijsberen zich vastklampen aan het laatste stukje drijfijs. Maar tegenover de zichtbaarheid van dergelijke gebeurtenissen staan de herinneringen aan duizenden en nog eens duizenden natuurfilmpjes waarin alles volmaakt volgens Gods eigen schepping koek en ei is. ‘Constructieve natuurjournalistiek’ zou je zoiets kunnen noemen. Extinctie is niet interessant en niet mooi, omdat leven veel interessanter en mooier is.

Wie de moed nog niet heeft opgegeven, wil door de schil van hardleersheid en zelfgenoegzaamheid heen breken. De verleiding is dus levensgroot om zelf dan maar die realiteit te verdraaien. Ook de trouwste dienaren van de waarheid kunnen bezwijken voor propaganda. Het gaat ook in de journalistiek uiteindelijk om de overdraagbaarheid van ervaringen. De tocht uit de grot die Plato beschrijft, is voor alles een ervaring, iets wat hij aanduidt met het woord padeia en dat betekent, zoals we weten, het opvoeden en beleren van mensen totdat ze uiteindelijk goed functionerende burgers in de gemeenschap zijn. Je kunt dat alleen maar doen door die mensen ervaringen te geven of in elk geval over ervaringen te vertellen. Van de ervaring een ‘belering’ maken, is echter makkelijker gezegd dan gedaan.

De waarheid is niet automatisch een prestatie waar iedereen blij mee is.

De grot heeft helemaal geen behoefte aan andere werkelijkheden. Er heerst daar ook een bepaald soort waarheid, een waarheid in het halfduister, een schaduwwaarheid. Ook al stelt Plato dat de grotbewoners slechts schaduwen zien, hij ontkent niet dat er een wetenschap van die schaduwen is en dat de mensen in die grot een soort kennis hebben die ze bewezen en objectief juist achten. Dat ze niet werkelijk weten waar het om gaat, doet daar niets aan af. De kennis van de mensen in de grot stelt hen in staat om aldaar te overleven. Ze kunnen prima de volgorde van de schaduwen voorspellen of ze kunnen die schaduwen prachtig beschrijven of nabootsen. Ze kunnen ook een geschiedenis van die schaduwen schrijven. Er wordt in de grot kunst gemaakt, er worden mythen en verhalen verteld. En dan duikt er plotseling iemand op die zegt dat dit allemaal flauwekul is en dat er een echte wetenschap is die alles in de juiste context zou kunnen plaatsen.

Ongemakkelijke vragen

Wie waarheid claimt, heeft nog niet automatisch iets wat interessant is voor anderen. Je kunt het ook anders zeggen: in waarheid en feitelijkheid schuilt niet automatisch een prestatie waar iedereen blij mee is. Bij Plato zien we al de centrale vraag opduiken: zouden de mensen goede redenen kunnen hebben zich niet over te geven aan journalistiek? Kunnen journalisten wel feiten komen aandragen in een wereld die misschien helemaal geen feiten wil? Is verlichting mogelijk in een wereld die zich niet wil laten verlichten?

Als we deze gedachten naar de wereld van de duistere ‘verlichters’ brengen, dan borrelen ongemakkelijke vragen op. Zou de wereld van die de duistere verlichters niet ook een verdedigbare wereld zijn? Is het licht dat de journalistiek of ook de wetenschap in die wereld wil laten schijnen niet veel te zwak? Hoe kun je echt geloven dat waarheid levensnoodzakelijk is als elke dag weer blijkt dat mensen die waarheid of wat er van over is helemaal niet nodig hebben om het leven te leven? Waar komt de arrogantie vandaan om te denken dat feitenvrijheid geen zin aan een mensenleven zou kunnen geven? Waarom moet ons leven constant met de neus op de feiten worden gedrukt?

Steeds hebben ‘verlichters’ geprobeerd om met een beroep op feit en werkelijkheid de wanden van de grot aan gruzelementen te slaan in de hoop openheid in de duisternis te brengen of in elk geval te laten zien dat er bepaalde uitgangen zijn. Het eerste probleem is eenvoudig en heb ik zojuist aangeduid: zo open en vrij zijn ze zelf ook niet. Het tweede probleem is ook al aangeduid: mensen laten zich niet zomaar overtuigen dat ze hun ‘wereld’ moeten opgeven. En al helemaal niet door wat anderen feiten noemen. Want wat zijn die feiten nu eigenlijk?

Ik heb bedenkingen bij de stelling dat trouw aan de waarheid een voorwaarde van onze democratie is. Ik geloof er niets van. En ik geloof ook niets van een journalistiek die zichzelf legitimeert als de verkondiger van waarheid en de ontdekker van feiten. In de eerste plaats hebben ‘verlichters’ zelf altijd moeite met de ‘feitelijkheid’ van de werkelijkheid gehad. Het door Plato benoemde gevaar dat de ‘verlichters’ de zaak zelf bezwendelen, is nooit helemaal denkbeeldig geweest. Journalisten hebben het nooit alleeen maar van de neutrale observatie van feiten moeten hebben.

Dé Koude Oorlog of hét Einde van de Geschiedenis hebben nooit echt plaatsgevonden, het waren aannames die journalisten de mogelijkheid gaven om historische gebeurtenissen (oorlogen in Zuidoost-Azië en Afrika, het Varkensbaai-incident, de schijnbaar ongebreidelde verspreiding van het neoliberalisme) te verklaren. Maar het zijn en blijven denkconstructen en die laten zich niet wegdenken uit de journalistiek. Zou het hele idee van objectieve en waarheidsgetrouwe journalistiek iets anders zijn dan zo’n soort denkconstruct? Wie nog niet overtuigd is, moet maar eens denken aan de braaf links-liberale pers, die niet vermocht in te zien dat Trump wel degelijk kansen maakte op het winnen van de verkiezingen.

Gejammer over feitenvrije journalistiek

Als ‘donkere verlichters’ opmerken dat kennis mensen vervreemdt van het zijn, dan begrijpen we nu misschien beter waarom ze in bijvoorbeeld de Amerikaanse samenleving zo’n gevoelige snaar raken. We zijn inmiddels allemaal vervreemd van de oude Griekse gedachte dat kennis gelukkig maakt. Toch is de hele constructieve journalistiek op dat sentiment gebaseerd. Ik zeg niet dat de aanhangers van die journalistiek gelijk hebben. Het enige wat ik beweer, is dat ze een behoefte uitspreken die veel mensen hebben. Het volk heeft geen behoefte aan een redelijkheid die niet wil begrijpen dat ze geen opening biedt naar geluk. Zo’n redelijkheid sleept haar eigen pathologie achter zich aan: ze kan niet anders dan van dat geluk iets kleins en onbeduidends maken.

Het gejammer over feitenvrije journalistiek is gebaseerd op iets wat zelf fundamenteel feitenvrij lijkt te zijn: het idee van de journalist als dienaar van waarheid en feitelijkheid. Journalisten moeten zich niet aan dit onzinnige idee overgeven. Tegelijkertijd heb ik willen laten zien dat deze onzin diep verankerd is in onze cultuurgeschiedenis. Pleidooien voor een positivistische dienstbaarheid aan feiten zullen niet helpen in een wereld die gedomineerd wordt door een soort die niet in staat is om veel realiteit te verdragen. Het volk in de grot koestert die grot, of we dat nu leuk vinden of niet. Maar het heeft ook een argument. Het volk weet bijzonder goed dat het idee van dienstbaarheid aan feiten zelf niet meer dan een feitenvrije fictie is. Dit is de kracht van de duistere verlichting: ieder zelfverklaarde redelijkheid kan ontmaskerd worden als een leugen of een ideologie.

Zou het idee objectieve journalistiek meer zijn dan een denkconstruct?

De feiten waar het in de journalistiek om gaat, zijn niet meer de neutrale observeerbare feiten van vroeger. Het gaat niet om de vraag of het buiten 8 graden is of om de vraag of vlees eten gezond is of niet. Het gaat om klimaatopwarming of om de vleesindustrie. Iedereen die hier wat over beweert, wordt partizaan in een maatschappelijk debat. In een wereld die geen feiten wil, moeten journalisten zulke partizanen zijn. Ze moeten pakkende verhalen schrijven en goede argumenten bedenken om de maatschappelijke discussie te voeden. Dat heeft niets met constructieve journalistiek te maken. Dat heeft te maken met een journalistiek die op de huid van de tijd wil zitten, zonder de wereld mooier te willen maken dan ze is.

Lees hier het artikel van de Denker des Vaderlands over de ‘Duistere Verlichting’:
de beste term voor het veelkoppige monster van Amerikaans rechts.

Dit artikel is gebaseerd op de KIM-Lezing 2017, een initiatief van het KIM, Forum voor reflectie op journalistiek en de KRO/NCRV.