Napoleon Bonaparte was een groot strateeg en militair innovator. Onder hem boekte het Franse Revolutionaire leger de ene spectaculaire overwinning na de andere.
Een van zijn belangrijkste innovaties was de onderverdeling van zijn troepen in corps, divisies die elk beschikten over een eigen infanterie, cavalerie en artillerie. Deze overzichtelijke eenheden én de hoge moraal onder de dienstplichtige burgersoldaten in zijn Grande Armée stelden hem in staat om met complexe strategische manoeuvres machtige vijanden te verslaan.
De legers van de Europese mogendheden in die tijd waren uitgerust met musketten (vuurwapens die met een laadstok via de loop met loden kogels moesten worden geladen) en bajonetten. Een goed getrainde soldaat uit het Franse leger kon daarmee enkele keren per minuut een kogel afvuren. De artillerie bestond uit wendbare kanonnen op houten wielen. Het schip waarmee admiraal Nelson de Britse vloot aanvoerde toen hij de Frans-Spaanse vloot verwoestte, was vervaardigd uit het beste eikenhout en uitgerust met honderd kanonnen. Top of the bill spul voor die tijd. Maar tegelijkertijd schreeuwend ouderwets vergeleken met de legers die een goede eeuw later opnieuw heel Europa overhoop liepen.
De ontwikkeling in oorlogsvoering is nog nooit zo snel gegaan als tussen Napoleontische oorlogen en de Great War. Toen in 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak, droegen de soldaten gasmaskers en stalen helmen en soms zelfs machinegeweren. Er reden tanks en pantserwagens. Marinevloten bestonden uit stalen slagschepen en onderzeeërs. Gevechtsvliegtuigen stegen op vanaf vliegdekschepen. Maar de belangrijkste militaire innovatie van de negentiende eeuw was misschien wel het conservenblikje.
Culinair journalist Joël Broekaert onderzoekt een jaar lang wat bonen en de geschiedenis van de mens met elkaar te maken hebben. Lees de eerdere delen hier.
Hongerig leger
Want meer nog dan de Britse vloot of het Russische leger waren honger, ondervoeding en scheurbuik de grootste vijand van Napoleons leger. De Franse troepen waren gewend van het land te leven na hun vlotte overwinningen, totdat de aanvoerlijnen waren ingelopen op de voorhoedes. Maar de afstanden in Rusland waren groot, de slagen vaak niet doorslaggevend en van het verarmde platteland viel weinig te halen. Dat maakte het hongerige leger te afhankelijk van de kwetsbare aanvoerlinies. Van de weinige troepen die niet waren omgekomen in de strijd verhongerde een groot deel op de terugtocht. Napoleon viel in 1812 Rusland binnen met een leger van 700.000 man en keerde met minder dan 100.000 terug.
Een groot deel van Napoleons troepen verhongerde op de terugtocht. Van de 700.000 man die in 1812 Rusland binnenvielen, keerden er minder dan 100.000 terug.
Ergens hadden ze het wel een beetje zien aankomen. In 1795 loofde het Directoire, de Franse revolutionaire regering, een prijs van 12.000 francs uit aan degene die een manier kon verzinnen om voedsel – anders dan gezouten vlees en brood – houdbaar te maken om efficiënt over grote afstanden te transporteren op veldtochten. Veertien jaar werkte de Franse suikerbakker Nicolas Appert aan zijn uitvinding. In januari 1810 kon hij zijn geldprijs ophalen en later dat jaar verscheen van zijn hand L’art de conserver pendant plusieurs annees toutes les substances animales et vegetales.
Groene boontjes in de winter
Appert had de conserven uitgevonden. De eerste voedselwaren die hij in 1804 in zijn eerste conservenfabriekje inmaakte, waren – jawel – boontjes. Hoe het werkelijk zat, begreep men pas toen Louis Pasteur in 1861 – twintig jaar na de dood van Appert – aantoonde dat micro-organismes verantwoordelijk waren voor het bederf van voedsel. Maar Appert had goed aangevoeld dat als je voedsel luchtdicht afsluit en het dan voldoende verhit, het heel lang goed zou blijven.
Appert gebruikte aanvankelijk glazen flessen met een grote kurk en een metalen mantel, zoals bij een champagnefles. Die flessen waren zwaar en breekbaar, niet heel handig op verre veldtochten. De Britten kregen snel lucht van de nieuwe techniek en vervingen de glazen potten eerst door dichtgesoldeerde theeblikken en later door vertinde stalen blikjes, de tinned can.
Ingenieur Brian Donkin kocht het patent en industrialiseerde het proces. In de zomer van 1813 rolden de eerste blikjes canned beef van de band in zijn fabriek in Bermondsey. Datzelfde jaar kocht de Britse Admiraliteit 156 pounds van zijn conserven.
De Britten kregen snel lucht van de nieuwe techniek en vervingen de glazen potten eerst door dichtgesoldeerde theeblikken en later door vertinde stalen blikjes, de tinned can.
Van over heel de wereld kwamen lovende verhalen terug van zeelieden over het wonder van groene boontjes in de winter. Scheepsarts William Warner schreef in 1814: ‘[canned food] forms a most excellent restorative to convalescents, and would often, on long voyages, save the lives of many men who run into consumption [tuberculosis] at sea for want of nourishment after acute diseases; my opinion, therefore, is that its adoption generally at sea would be a most desirable and laudable act’. En zo geschiedde: in 1814 kocht de Britse marine een kleine drieduizend pounds; zeven jaar later was dat negenduizend pounds.
Conserven toonden zich een waarlijk betrouwbare manier om voedsel voor een hele lange tijd gezond en voedzaam te houden. Twee blikjes die de Arctische expeditie van 1824 ongeopend overleefd hadden, werden 114 jaar later nog steeds safe to eat verklaard. Ze waren enkel licht aangetast door het tin aan de binnenkant. Er zijn ook genoeg video’s op internet te vinden van ingeblikte soldatenrantsoenen uit de Tweede Wereldoorlog die er na opening nog steeds tamelijk vers uitzien.
Ananas uit Hawaiï
De uitvinding van het conservenblikje vond plaats midden in de zogeheten Industriële Revolutie. Een periode van mechanisatie, de opkomst van grote fabrieken en de arbeidersklasse, een ongekend hoge productie van staal en textiel. En van uitvindingen. Heel veel uitvindingen. Van de stoomturbine tot de spoorwegen, van de telegraaf tot dat blikje.
Het conservenblikje lijkt misschien een futiele zaak, zo tussen de stoomlocomotief en de telecommunicatie, maar het was de belangrijkste schakel in de transformatie van de eeuwenoude basismethodes om voedsel te conserveren (hoofdzakelijk drogen en zouten) naar het zeer complexe, hoog-industriële voedselsysteem van vandaag – waarmee ongekend hoge bevolkingsaantallen gevoed worden.
Gedurende de negentiende eeuw kwamen naast boontjes en vlees steeds meer geconserveerde producten op de wereldmarkt. Sardientjes in de jaren twintig, tomaten in 1847, Californische perziken in de jaren zestig en ananas uit Hawaiï in 1892.
Gedurende de negentiende eeuw kwamen er steeds meer geconserveerde producten op de markt. Sardientjes in de jaren twintig, tomaten in 1847 en ananas uit Hawaiï in 1892.
Pas tegen het einde van de eeuw – toen de conservenblikjes lichter, handzamer en makkelijker te openen werden (met een blikopener) – drongen ze door tot het gewone huishouden. Toch was vooral oorlog de drijvende kracht achter de popularisatie van de blikjes. In oorlogstijd ging de productie omhoog en soldaten namen hun goede ervaringen met blikvoer tijdens de strijd mee naar huis.
Exclusief blikvoer
Conservenblikjes voedden het westers imperialisme niet alleen doordat ze de legers en marines in staat stelden ver van huis en buiten het seizoen gezond te eten. Ze werden ook bij uitstek de basis voor het eetpatroon van overzeese westerse gemeenschappen over de hele wereld. Zo konden die zich blijven onderscheiden van de lokale bevolking door middel van hun eetpatroon. Exclusief blikvoer kreeg aanzien. Het eten van conserven werd overgenomen door lokale elites en later door grotere delen van bevolking. Begin twintigste eeuw begonnen ook andere landen hun eigen conserven te produceren, zoals Japanse krab en mandarijntjes.
Men kan met recht zeggen dat de uitvinding van het conservenblik een doorslaggevend moment is geweest in de globalisering van de wereld. En dat is allemaal begonnen met de ingemaakte boontjes van Nicolas Appert in 1804. Denk daar eens aan volgende keer dat je een blik boontjes achter uit de kast vist voor een snelle hap.
Bronnen: A. Davidson, Oxford Companion to Food; Leonard Debleeckere, ‘200 jaar ingeblikt: verpakking en wetenschap’, TIC, Vol. 25, nr. 100 (2007), p 17-19; T. Geoghegan, ‘The story of how the tin can nearly wasn’t’, BBC News Magazine; T. Noble et.al., Western Civilization; J. Surmont, ‘Nicolas Appert, weldoener van de mensheid’, Neptunus, nr. 310 (2014), p 10-15.

Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.