Max van Rooy is vrijdag 8 december op 80-jarige leeftijd overleden, een maand nadat zijn biografie over zijn grootvader en architect H.P. Berlage verscheen.
Bij de architect H.P. Berlage ziet iedereen meteen de rood-bruine bakstenen waarmee de Beurs in Amsterdam is gebouwd, of de Burcht, het vakbondsgebouw aan de Henri Polaklaan. Denken aan de roomkleurige bakstenen waarmee het Haags Gemeentemuseum (nu Kunstmuseum) is gebouwd mag ook. Het gaat om de betekenis die Berlage aan de baksteen hechtte. Al het materiaal waarmee hij werkte verleende hij betekenis (glas stond voor licht en transparantie, beton voor soliditeit, ijzer voor fantasierijke constructie), maar aan baksteen hechtte hij in het bijzonder. Dat had met zijn idealisme te maken.
Met de baksteen zou worden gebouwd volgens het democratisch ideaal: de nietige enkeling, de baksteen, wordt tot massa, tot macht verheven door het cement van de geestelijke solidariteit. Zo dacht Berlage volgens Van Rooy: niets was zomaar iets, het kreeg van hem altijd een idealistische en maatschappelijke betekenis.
als de architect verliefd is
Achter alle gebouwen, huizen en villa’s die Berlage heeft gebouwd zit een visie op de mens en de samenleving, dat wordt meteen duidelijk uit Van Rooys biografie. Berlage bouwde voor de gemeenschap, hij wilde geen God in het diepst van zijn gedachten zijn, zoals Willem Kloos. Hij was een zachtaardige, maar hardnekkige, stijlvaste sociaal-democraat avant la lettre die uitkeek naar de tijd dat het kapitalisme het leven niet meer zou beheersen. ‘Goed te doen en goed te zijn,’ was ‘het hoogste toppunt van zedelijkheid’ voor Berlage. Pas als het kapitalisme was vervangen door een rechtvaardiger stelsel kon de cultuur pas echt tot ontplooiing komen. Tot die tijd was het niet mogelijk grote hoogte te bereiken.
‘Wanneer een architect verliefd is, dan bewondert hij in zijn meisje vooreerst een schoon geheel van zuivere lijnen die ‘t oog aangenaam aandoen en strelen.’
Berlage wilde aanvankelijk vanwege zijn tekentalent kunstenaar worden en werd aangenomen op de Rijksacademie in Amsterdam. Maar hij bedacht zich: als het goed ging zou de academie van hem een solistische, egocentrische, individualistische kunstenaar maken, iemand die alleen in zijn atelier zit, bezig met een stilleven of een interieursstuk. Hoe nuttig was dat? Van Rooy vraagt het zich namens Berlage af. In 1874, het jaar dat hij zich bewust werd van zijn sociale betrokkenheid, verruilde hij de schilderkunst voor de bouwkunst: met architectuur zou hij de gemeenschap kunnen dienen en zo zijn leven een hogere zin kunnen geven.
Berlage stond ‘nogal ernstig en licht filosofisch in het leven,’ schrijft van Rooy. Maar hij was nergens extreem in, ook niet in zijn ernst, zo blijkt uit De architect en famille, een toneelstuk in één bedrijf dat hij in het jaar van zijn huwelijk met Marie Bienfait (1887) schreef. De echtgenote in het stuk zegt tegen haar architect dat hij tijdens hun verlovingstijd nog wel eens aan iets anders dacht dan aan zijn vak. Waarop de architect antwoordt: ‘Wanneer een architect verliefd is, dan bewondert hij in zijn meisje vooreerst een schoon geheel van zuivere lijnen die ‘t oog aangenaam aandoen en strelen; hij roemt haar schoon gewelfd voorhoofd: is ‘t niet alsof hij aan een koepel denkt? Haar ogen zijn, vooral als ze zo helder zijn als die van jou, de venstertjes waardoor hij het vrolijk zonnetje, en van tijd tot tijd de bewolkte hemel te zien krijgt. De wenkbrauwen hangen als sierlijke jaloezieën enzovoort.’

stijlvast
Ook al was hij dan niet extreem, consequent was Berlage wel. In de tijd dat hij aan bijna niets anders dan aan zijn vak begon te denken was de katholieke architect Pierre Cuypers alomtegenwoordig met zijn neogotische architectuur, zoals in die jaren met de bouw van het Rijksmuseum en het Centraal Station, een archaïsche stijl die aan de middeleeuwen deed denken. Daar had Berlage helemaal geen affiniteit mee. Berlage had ‘een gereserveerd respect’ voor Cuypers, maar ‘amicaler kwam het niet’, schrijft Van Rooy.
Berlage zoog tijdens zijn studie aan het Polytechnikum in Zürich de invloed van Gottfried Semper en Friedrich Schinkel op, architecten die voorstander waren van een opener, minder feodale samenleving, met een nieuwe moraal, nieuwe esthetiek, met beschavingsidealen tegengesteld aan de biedermeiercultuur. Het ging erom dat ‘alle gotische details’ overwonnen moesten worden. Naar het voorbeeld van Sempers bedevaart langs de Duitse ‘cultuurstijlen’ maakte Berlage na zijn afstuderen een jaar lang een Grand Tour door Italië om alle paleizen, kerken, stadhuizen, torens en villa’s te zien die Jacob Burckhardt noemt in Der Cicerone, met De cultuur van de renaissance in Italië, een van Berlages lievelingsboeken. De zachtaardige Berlage had een hartgrondige afkeer van de spilzieke Roomse kerk die hij tegenkwam. Die uitte zich in barokke schittering en verblindende rijkdom ‘die iemand toch koud laat’. Hij had later ook niet veel op met ‘wanstaltigheden’ als art nouveau en jugendstil.
Dat Berlage ‘een obsessie met stijl’ had wilde niet zeggen dat hij zelf als bouwmeester al snel stijlvast was. Zijn voorbeeld Gottfried Semper had Der Stil geschreven, een tweedelig boek dat de heersende verwarring probeerde te kanaliseren. In een lezing in 1889 maakte Berlage van die verwarring een ‘verblijdend’ gegeven omdat we daardoor ‘nog iets groots te verwachten hebben’. Die verwarring betekende in die tijd wel dat Amsterdam lange tijd geen Beurs kreeg. De vele ontwerpen die bij prijsvragen ter tafel kwamen werden steeds afgekeurd.
Dat er in 1903 toch een Beurs op het Damrak stond was het werk van wethouder Willem Treub. Die had ‘Berlage bij de arm’ genomen en hem, geheel onafhankelijk van welke jury of commissie ook, de opdracht gegeven de Beurs te ontwerpen. Het werd een ‘proeve van gemeenschapskunst’ omdat er op de achtergrond en voorgrond bevriende kunstenaars en schrijvers aan meewerkten en meedachten als Rik Roland Holst, Herman Gorter, Jan Toorop, Albert Verwey, Karel de Bazel, Henri Wiessing en Pieter Lodewijk Tak. Berlage had een network van vrienden en collega’s die weinig op hadden met de tegenhanger van de gemeenschapskunst: de ‘lyrische solokunst van Tachtigers’ als Willem Kloos en Lodewijk van Deyssel.
de liefhebber van torens
Berlage was een ‘vreselijk zachtaardige man’ schrijft zijn dochter Miep in haar memoires, maar hij had ‘uitgesproken oordelen’. Deze lichte tegenstelling laat Max van Rooy in dit laconieke en veelzijdige boek goed uitkomen. Berlage hield hardnekkig, maar niet verkrampt, vast aan zijn eigen ideeën. De Beurs, een gebouw ten behoeve van het floreren van het kapitalisme, werd in dezelfde Berlaagse sobere stijl uitgevoerd als de Burcht, het grootse vakbondsgebouw van de diamantbewerkers. Berlage vertaalde de ‘edle Einfalt und stille Größe’ waarmee de archeoloog Johann Winckelmann het woord ‘klassiek’ omschreef met ‘soberheid’. Maar zo sober zijn die gebouwen nu ook weer niet (ja, in vergelijking met die katholieke ‘praalgebouwen’) als je ziet hoeveel werk er is gemaakt van stilistische eenheid en verfijning.
‘Stijl’ werd iets met de Beurs, de Burcht, het Jachthuis Sint Hubertus en het Haags Gemeentemuseum. Alles in deze bouwwerken is familie van elkaar, verwijst naar elkaar, de trappen, de lambriseringen, de meubels, het sluitwerk, de vloeren, de lampen, de betegelingen, de kleuren, de ramen. Dit is Berlages ‘Stijl is eenheid in veelheid’ in de praktijk.
Met Het pantheon der mensheid heeft de liefhebber van torens zich uit kunnen leven op acht torens die gewijd zijn aan de vrijheid, de liefde, de bezieling, de macht, de vrede, de moed, de kennis en de bezonnenheid.
Jan en Annie Romein hebben geen ongelijk wanneer ze in Erflaters van onze beschaving schrijven dat Berlage als schrijver niet uitblonk en nogal warrig kon zijn. Maar daar stond wel zijn ijver tegenover. Hij heeft door zijn vele artikelen in bouwkranten en architectuurtijdschriften een levendig aandeel gehad in het ontstaan van ideeën omtrent het nieuwe bouwen. Ook schreef hij de nodige boeken, zoals Over stijl in bouw- en meubelkunst, Schoonheid in samenleving en Het wezen der bouwkunst en haar geschiedenis
Het heeft iets aandoenlijks en vergeefs om Berlage, de bedenker van zoveel grootse gebouwen tot en met ontwerpen voor een Vredespaleis, een Wagnertheater en Beethovenhuis (geen van drieën gebouwd), aan het eind van het boek op een foto te zien zitten naast een tafel waarop de tekening staat van zijn Het pantheon der mensheid. Hier heeft de liefhebber van torens zich uit kunnen leven op acht torens die gewijd zijn aan de vrijheid, de liefde, de bezieling, de macht, de vrede, de moed, de kennis en de bezonnenheid. Een mooi botsend rijtje.
‘Heb ik dat gemaakt?’. De vormende jaren van H.P. Berlage, bouwmeester door Max van Rooy is uitgegeven door Prometheus.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.