Het was natuurlijk de titel van het boek die mij aantrok: Essayism. Die zegt dat er zoiets zou bestaan als ‘essayisme’, zoals je filosofische stromingen hebt als het existentialisme, humanisme of idealisme, zo zou er een manier van denken zijn die ‘essayisme’ kan worden genoemd. Er is veel over het essay en de essayistiek geschreven, maar zo specifiek als verondersteld wordt met ‘essayisme’ niet. Dat is ook gevaarlijk. Het essay is zo’n vrijzinnig genre dat het zich niet echt definitief laat omschrijven. Bij het essay hoort geen –isme.

Misschien is dat wel het echt kenmerkende van het essay, dat het geen artikel, geen column, geen beschouwing en geen verhandeling is. Het heeft van alles iets, maar gaat daarna zijn eigen gang. Wie zou denken dat je bureau en alles wat zich erop bevindt tot een essay kan leiden?

 In een goed essay valt alles op de gelukkigste manier op zijn plaats.

Een essay over de archeologische afgraving van je bureau waarbij onverwachte liefdesbrieven op duiken, onbetaalde rekeningen en lijstjes van te lezen boeken en te doene boodschappen. Het gaat daarbij om de aard van de observaties, van de herinneringen, de diepte waaruit het opkomende sentiment komt, de reikwijdte van de gedachten over het bestaan waartoe het leidt. In een goed essay valt alles op de gelukkigste manier op zijn plaats.

essayisme is een mentaliteit

Brian Dillon gebruikt het woord niet in zijn essays in Essayism, maar wat hij over het essayisme zegt, komt er wel op neer: essayisme is een mentaliteit. Dillon heeft het over een ‘attitude’, ook niet slecht, maar te beperkt, mentaliteit veronderstelt veel meer.

Het essay, hoe zwaar op de hand ook, moet een zilveren randje hebben waarmee alles wat er staat minimaal wordt gerelativeerd.

Mentaliteit staat voor een instelling in het leven die zich nauwelijks laat omschrijven omdat in elke omschrijving iets ontbreekt. Het gaat bij mentaliteit om iets van filosofie, iets van geschiedenis, van psychologie, van smaak, van stijl, van kennis, van grenzen en poreusheid, van lankmoedigheid en principes, van consequent en inconsequent kunnen zijn.

Volgens Virginia Woolf, geciteerd door Dillon, moet in de mentaliteit van het essay te allen tijde ‘genoegen’ zitten: ‘it should give pleasure’. Het essay, hoe zwaar op de hand ook, hoe bijtend ook, moet een zilveren randje hebben waarmee alles wat er staat minimaal wordt gerelativeerd, op losse schroeven komt te staan: terug aan het leven wordt gegeven.

jezelf zijn, maar ook niet

In die geest heeft Woolf het ook over stijl. Iets moet stijl hebben, maar ook niet, anders valt het te veel op. Zoals je ook jezelf moet zijn, maar ook niet, om niet te zelfbewust te worden: ‘Never to be yourself and yet always – that is the problem’, schrijft Woolf.

Brian Dillon wil op zijn beurt bij het schrijven van zijn essays ‘controle hebben’ en tegelijk wil hij ‘to let go.’ Hij wil alles dubbel hebben: de logica in een essay én het ongeordende, de vorm en de vormeloosheid, een strak betoog en ideeën die op vakantie zijn.

Het essay is een Wunderkammer waarin alles zijn eigen bijzondere plaats heeft, maar toch bij elkaar hoort.

In het essay moeten scherpzinnigheid en gevoeligheid samengaan. Maar het belangrijkste voor een essay is dat je er in kan dwalen, dat het ergens naar toe gaat, maar je weet niet precies waar. Het essay is een Wunderkammer waarin alles zijn eigen bijzondere plaats heeft, maar toch bij elkaar hoort.

naar de dood verlangen

Brian Dillon is een Ierse essayist die lange tijd onder meer voor The Guardian schreef. Essayism is niet zijn eerste boek, maar wel het eerste waarin hij zijn essayisme tot volle wasdom laat komen. Hij leidt ook een essayistisch leven. Dat essayistische leven is niet helemaal vrijwillig.

Dillon heeft zijn moeder niet anders gekend dan als iemand die dagelijks naar de dood verlangde en dat ook kenbaar maakte. Dat heeft zijn sporen nagelaten: ‘I think I had learned from my mother how to long for death.’ Daar kreeg hij tijd genoeg voor. Zijn moeder overleed op zijn veertiende.

Lezen en schrijven waren de geëigende ontsnaproutes.

Van de zesentwintig essays in Essayism zijn er vijf ‘On consolation’ getiteld. Of die voor troost hebben gezorgd weet ik niet, maar het zijn wel de meest persoonlijke essays waarin Dillon er niet om heen draait dat hij een essayistisch, proberend en improviserend leven leidt dat in het teken staat van depressies.

En van zelfmoordneigingen, waarvan hij de aard onomwonden beschrijft: welke treinrails, wat voor touw, in welk bos, welke mes, hoe laat, hoe hij nachten wakker lag. Lezen en schrijven waren de geëigende ontsnaproutes, ‘escape from the unexamined horror that had overtaken my family.’

niet vies van maskerade

Tegen deze barre achtergrond verschijnt Dillon als iemand die van jongs af is geobsedeerd door stijl en literatuur. Hoe depressief en melancholisch hij ook was, hij nam de aansporing van Nietzsche serieus dat je van jezelf een kunstwerk moest maken. Dat kon alleen met esthetische middelen, met ‘aesthetic detachment’, door een beeldende en metaforische literaire stijl in de geest van Oscar Wilde. Hij was niet vies van maskerade en pose.

Tot Dillons literaire mentaliteit behoort dat hij zich regelmatig obsessief (manisch) kan verslingeren aan een boek en een schrijver. Het dunne boekje waarin William Styron over zijn depressies schrijft, Darkness Visible, heeft hij stukgelezen. Camera Lucida, het boek van Roland Barthes over fotografie, heeft hij zo intensief gelezen dat hij er helemaal niets meer van is gaan begrijpen.

Met de kleine roman Sleepness Nights van Elizabeth Hardwick ging hij elke dag naar bed – en sliep niet. In het essay ‘On taste’ schrijft hij over de zinnen van Hardwick in haar ‘elegant, incising’ essays voor The New York Review of Books. Dillon moest bepaalde essays steeds weer lezen: ‘I had to keep reading if I was to stay sane, or so it seemed.’

een neus voor verwante schrijvers

Een essayistische mentaliteit, die ver wil blijven van academisch jargon, van systematisch denken en van te veel theorie, zoekt verwanten. En stoot schrijvers af die niet meer voldoen, zoals Dillon afstand heeft genomen van de Franse theoretici Derrida, Foucault en Baudrillard. Niet van Roland Barthes, die blijft onverminderd in de gratie, maar die heeft dan ook een persoonlijke draai gemaakt door zelf afscheid te nemen van de theorie met zijn boek Roland Barthes door Roland Barthes.

Dillon ontwikkelde een neus voor verwante essayistische schrijvers. Vandaar dat in dit verband vertrouwde namen opduiken, zoals W.G. Sebald, de schrijver die zoveel essay in zijn romans doet. Of Walter Benjamin, de meester van het fragment. Of Robert Musil die het in zijn De man zonder eigenschappen over het essayistische leven heeft van zijn hoofdpersoon Ulrich. Of de Engelse criticus en zelfverklaarde luiwammes Cyril Connolly, schrijver van The Unquiet Grave, een soort essayistische autobiografie over zijn mislukkingen.

De bijtende, kernachtige, anti-illusionistische E.M. Cioran noemt hij ‘a writer of my own heart’. Dillon kan ook bij bepaalde essays eindeloos blijven hangen, zoals het essay van Joan Didion over de Hoover Dam, een stuwdam in de vorm van een reuzenschelp. Het lezen van ‘At the Dam’ in The White Album heeft nog altijd een ‘consoling power’ voor hem.

genoegdoening

Dat vijf essays ‘On consolation’ heten verbaasde mij op den duur. Troost is helemaal niet het woord dat past bij de manier waarop Dillon omgaat met schrijvers, boeken en literatuur. Hij zoekt geen troost, maar iets krachtigers: genoegdoening.

Met bepaalde schrijvers leeft hij een tijd, kan hij niet loslaten, blijven hem achtervolgen, zoals Susan Sontag, naar wie niet alleen zijn sympathie uitgaat. Ze slokken hem op. Zoals hij zichzelf laat opslokken door het schrijven omdat dat hem afleidt: ‘In feite ben ik jarenlang elke dag aan mijn werk gegaan in de overtuiging dat ik mezelf moest doden, zo gauw mogelijk. Schrijven, wat dan ook, werd dagelijks een kwestie van mijzelf afhouden van de aanvechting me te vernietigen.’

Op dezelfde manier gaf hij zich over aan bepaalde schrijvers en boeken. En aan het schrijven van essays. Die moesten ondanks alles voor ‘genoegen’ zorgen. Wat Essayism in ruime mate doet.

Essayism door Brian Dillon in uitgegeven door Fitzcarraldo Editions en wordt onder meer geïmporteerd door Athenaeum Boekhandel.